Nieuwste berichten

  • Compliance in accountancy

    Inleiding

    De Compliance Officer (CO) binnen accountantskantoren is een jonge functie. Pas met de komst van de Wta kwam deze rol op, en ze is nog volop in beweging. Hoewel het Three Lines of Defence-model in de financiële sector breed geaccepteerd is, staat de toepassing ervan in de accountancy vaak nog in de kinderschoenen. De compliancefunctie vervult een dubbele rol: enerzijds ondersteunend aan de praktijk (dicht tegen de eerste lijn aan), anderzijds monitorend en controlerend (richting derde lijn). Een echte derde lijn ontbreekt naar mijn waarneming bij vrijwel alle kantoren. (* Noot: ik zal me niet uitlaten over de OOB-vergunninghouders, alles wat ik schrijf heeft betrekking op de RV kantoren en de kantoren zonder Wta-vergunning)

    In deze artikelenreeks beschrijf ik wat compliance in de accountantspraktijk volgens mij betekent, welke rol risicomanagement hierbij speelt, en hoe beide functies effectief geïntegreerd kunnen worden. Centraal staat mijn visie dat de Compliance Officer breed moet rapporteren en adviseren, zowel gevraagd als ongevraagd, op basis van de doelstellingen van de organisatie, de risico’s die deze doelstellingen bedreigen, en met als grondslag audits, onderzoeken, verkenningen, en eigenlijk alles wat de CO maar ter ore komt. De combinatie van compliance en risicomanagement is hierbij van betekenis, en de mate van wenselijke functiescheiding tussen beide is onderwerp van bespreking.

    Inhoud

    (* let op, onderstaande inhoudsopgave gaat bestaan uit links naar hoofdstukken, zodra ik die geschreven heb. Zolang ik niet klaar ben zullen sommige links dus niet aanklikbaar zijn)

    1. Compliance: judo met risico’s
    2. Compliance in de accountancy
    3. Accountantskantoren en accountantsorganisaties RV
    4. Het regelwoud
    5. Rol en verantwoordelijkheden
    6. Cultuur en governance: het speelveld van compliance
    7. Analyse en beheersing van risico’s
    8. Verantwoording en toezicht
    9. Kwaliteit en het publieke belang\
    10. Praktijkgebieden: samenstel, fiscaal en salaris
    11. Praktijkgebieden: advies en waardering
    12. Specifieke taken en bijzondere verplichtingen
    13. Interne meldingen en integriteitssystemen
  • Zeven dagen drinken, eeuwig vechten

    Demonstratie tegen kruisraketten

    Op 21 november 1981 liep ik, toen net 12, mee in de grote demonstratie tegen de plaatsing van kernwapens, in de vorm van kruisraketten, op de luchmachtbasis in Woensdrecht. Ik kwam uit een nogal links pacifistisch gezin, waarvan de ouders PSP en PPR stemden, partijen die later zouden opgaan in GroenLinks/PvdA. Passend bij mijn opvoeding was ik links, tegen kernwapens, en ik was nog maar net mijn eigen politieke positie aan het bepalen. Die demonstratie werd een kantelpunt. Want het was daar dat ik voor het eerst Bots hoorde spelen, met een lied dat later kennelijk tot het lijflied van de SP en van iedere vakbondsactie, staking, of andere vergelijkbare activiteit uitgroeide: Zeven dagen lang.

    Wat zullen we drinken, zeven dagen lang?

    De tekst van het lied is op een melodie gezet van een Bretons drinklied, maar in de Botsversie verandert het al snel van een drinklied in iets heel anders. Ik verwijs naar de link voor de hele tekst, samenvattend komt deze neer op:

    1. Wat zullen we drinken? Zeven dagen lang. Er is genoeg voor iedereen.
    2. Eerst moeten we werken. Zeven dagen lang. Er is weer genoeg. We werken samen.
    3. Maar eerst moeten we vechten. Niemand weet hoe lang.

    In een simpele tekst die makkelijk mee te zingen is op een opzwepende melodie staat hier de blauwdruk van iedere utopische revolutie uitgeschreven. Ik verwijs naar de bekendste: de Franse revolutie, de Russische revolutie, de culturele revolutie van Mao, de MAGA revolutie. En in eigen land de beoogde revolutie van Forum voor Democratie bijvoorbeeld.

    Eerst wordt een soort utopisch luilekkerland voorgespiegeld. We zullen drinken, er is genoeg voor iedereen, dus sla het vat maar aan. Hoe lang? Zeven dagen.

    Dan blijkt er wel nog iets aan vooraf te gaan. We moeten wel werken. Het is immers de revolutie voor de arbeider, de gewone man, de bezorgde burger, het proletariaat. De revolutie draait niet om de adel, de intellectueel, de elite. En hoe lang is dit? Ook al zeven dagen.

    Maar dan blijkt er nog een couplet te zijn, en dat citeer ik even volledig:

    Eerst moeten we vechten –
    Niemand weet hoe lang!
    Eerst moeten we vechten
    Voor ons belang!

    Al van jongs af vroeg ik me af: als dat drinken met iedereen is, en als we werken in het belang van iedereen, met wie gaan we dan precies vechten? Later begon ik me ook af te vragen waarom dit dan geen zeven dagen is, maar “niemand weet hoe lang”.

    Ja, er is een echte zorg. Franse burgers, Russische arbeiders, Duitse burgers, bezorgde burgers in Nederland, er is altijd wel een groep waarvan je redelijk objectief kan zeggen: het is niet heel gek dat deze groep teleurgesteld en boos is en zich afkeert van een elite die het veel beter heeft en de macht niet wil delen.

    En dan komt een populistische leider met een mooi verhaal. We gaan de elite bestrijden, Amerika weer groot maken, Duitsland weer groot maken, Iran weer religieus maken, de koopkracht verbeteren (ja, Nederlandse populisten hebben iets kneuterigs). Hier hebben we het eerste couplet.

    Vervolgens wordt niet gepraat over oplossingen en er wordt al helemaal niet toegewerkt naar oplossingen. Nee, er moet gewerkt worden aan de revolutie, de beweging, de verandering. En daarin herkennen we ook wie precies de doelgroep is, de werkers. Tweede couplet.

    Maar zover komt het nooit. Er zijn permanente revoluties, de swamp wordt aan een stuk door gedrained. De vijanden van de revoluties, de buitenlandse agitators, de enemy within, of in Nederland de kamerleden van D66, zorgen er voor dat de utopie van de grote leider nooit bereikt wordt. Als in Nederland het PVV-kabinet, bestaande uit PVV en vazalpartijen van de PVV, valt, heeft het niet alleen volmaakt niets bereikt, het wijst alle eigen verantwoordelijkheid af met een “ze gaven ons de kans niet”. Dit is het derde couplet.

    Er is helemaal geen paradijselijk einddoel. Hoe de revolutie ook begint, wat haar optimistische verhaal ook is, zij wordt onmiddellijk overgenomen door de Robespierres van hun tijd. Het eerste couplet is de mythe, het tweede couplet de selectie, het derde couplet is het werkelijke doel. La Terreur is het middel om een nieuwe macht te consolideren nadat de revolutie de oude macht heeft verwijderd, want in het machtsvacuüm na een revolutie wint niet de meest idealistische, maar de meest meedogenloze. Het volk, dat uit het tweede couplet, was slechts de knokploeg om de nieuwe macht te vestigen. En de terreur houdt het volk, het hele volk, onder de duim.

    Niemand weet hoe lang? Jawel hoor. We moeten vechten, niet omdat er vijanden zijn die bestreden moeten worden, maar omdat we zelf de vijand zijn. De vijand van de nieuwe macht, van de populistische leider die het populus, het volk, haat en vreest. Door ze een onafgebroken strijd te geven worden zij onder de duim gehouden.

    Het eerlijke verhaal over revoluties werd uitstekend beschreven in Animal Farm; er zijn studies naar verricht en er zijn patronen bloot gelegd. En Bots, zonder het zelf helemaal door te hebben wellicht, beschreef het feilloos in hun strijdlied. George Orwell schreef overigens twee boeken die onlosmakelijk bij elkaar horen. Animal Farm beschrijft de dynamiek van de revolutie, 1984 beschrijft de consolidatie van de macht erna.

    De les van Bots: weest Antirevolutionair

    Die ontmoeting met de tekst van een strijdlied van Bots, toen ik 12 was, heeft mijn politieke positie vrij radicaal om doen slaan. Van behoorlijk extreem links naar antirevolutionair. Niet omdat ik de morele basis waaruit revoluties ontstaan misken. Maar omdat ik in dat lied voor het eerst hoorde wat ik sindsdien zo vaak bevestigd heb gezien uit de geschiedenissen van zovele revoluties. Steeds opnieuw populisme, structureel geen oplossingen, en telkens weer geweld als sluitstuk.

    Een niet aflatende strijd zonder doel, anders dan het doel bloed te laten vloeien tot in eeuwigheid.

  • Compliance in Accountancy


    Introduction

    The role of the Compliance Officer (CO) within accounting firms is relatively young in the Netherlands. It gained prominence with the introduction of the Wta (the Dutch Audit Firms Supervision Act) and continues to evolve. While the Three Lines of Defence model is widely accepted in the financial sector, its application within accountancy remains at an early stage. The compliance function typically fulfills a dual role: on the one hand, supporting the practice and operating close to the first line; on the other, monitoring and controlling, with an orientation toward the third line. In my observation, a genuine third line is largely absent in practice.

    (Note: I do not address Public Interest Entities (PIEs). Everything I write pertains to non-PIE accounting firms, including firms without a Wta license.)

    In this series of articles, I describe what compliance means in accounting practice, the role risk management plays in this context, and how both functions can be effectively integrated within a governance and risk management framework. Central to my view is that the Compliance Officer should report and advise broadly — both upon request and proactively — based on the organization’s objectives, the risks that threaten those objectives, and insights derived from audits, investigations, assessments, and, in practice, anything that comes to the CO’s attention. The interaction between compliance and risk management is a key theme throughout this series, as is the question of the appropriate degree of functional separation between the two.

    Contents

    (Please note: the table of contents below will consist of links to individual chapters once they have been written. Until then, some links will not yet be clickable.)

    1. Compliance: Judo with Risks
    2. Compliance in Accountancy
    3. Accounting Firms and RV-Regulated Practices
    4. The Regulatory Jungle
    5. Roles and Responsibilities
    6. Culture and Governance: The Playing Field of Compliance
    7. Risk Analysis and Risk Control
    8. Accountability and Oversight
    9. Quality and the Public Interest
    10. Practice Areas: Compilation, Tax, and Payroll
    11. Practice Areas: Advisory and Valuation
    12. Specific Duties and Special Obligations
    13. Internal Reporting and Integrity Systems

  • De rol die ik speel, dat ben ik echt

    Gerard Reve in de Vondelkerk

    Na het ontvangen van de P.C. Hooft-prijs in 1968, uit handen van minister Marga Klompé, spreekt Gerard Reve zijn dankwoord uit in de Vondelkerk. Het is geen ingetogen moment. Reve doet wat hij altijd doet: hij speelt zijn rol. Overdreven, ironisch, op het randje van het groteske. Hij noemt zichzelf een clown, een acteur, iemand die poseert.

    In mijn herinnering, in een uitzending die ik decennia geleden zag:

    Ja, ik ben een clown. Ik ben een acteur. Maar ik ben er van overtuigd: dat de rol die ik speel, dat ben ik echt.

    Het is een uitspraak die gemakkelijk kan worden afgedaan als paradox of als pose. Maar wie haar serieus neemt, hoort iets anders: een afwijzing van het idee dat waarheid schuilgaat achter vorm, en dat echtheid begint waar het spel ophoudt. Reve suggereert het tegendeel. Dat waarheid zich juist toont in vorm. Dat een rol geen leugen hoeft te zijn, maar een noodzakelijke voorwaarde om waarachtig te kunnen zijn.


    Authenticiteit en de mythe van het verborgen zelf

    Wat Reve zegt, botst frontaal met een hardnekkige moderne overtuiging. Veel mensen, en opvallend vaak pubers en adolescenten, geloven dat zij diep van binnen iemand anders zijn dan wat zij tonen. Dat hun ware zelf onzichtbaar blijft voor de buitenwereld, omdat omstandigheden, verwachtingen of rollen hen dwingen iets te spelen wat zij niet werkelijk zijn. Alsof echtheid pas begint waar vorm ophoudt. Jongeren uiten vaak hun frustratie over het idee dat de buitenwereld ze niet beoordeelt op wie ze zijn maar op wat ze laten zien. Naarmate mensen ouder worden maakt verzet hiertegen vaak plaats voor berusting.

    Die gedachte klinkt intuïtief aantrekkelijk, maar zij berust naar mijn overtuiging op een misvatting. Wie je bent, bestaat niet los van hoe je verschijnt. Wat zich niet toont, kan niet worden herkend, niet worden aangesproken, misschien zelfs niet worden gevormd. Een zelf dat nooit gestalte krijgt, blijft niet zuiver, maar leeg.

    Dat betekent niet dat iedere rol automatisch waarachtig is. Rollen kunnen vluchtwegen zijn, camouflage, zelfs bedrog. Maar daaruit volgt niet dat rol en waarheid elkaars tegenpolen zijn. Integendeel: wie weigert een rol te kiezen, weigert ook verantwoordelijkheid te nemen voor wie hij wil zijn. Vormloosheid is geen diepte, maar uitstel.

    In dat licht krijgt Reve’s uitspraak haar scherpte. Hij verdedigt niet het doen-alsof, maar het gekozen masker. De rol die hij speelt is geen toevallig theater, maar een bewuste vorm waarin hij zichzelf kan dragen. Authentiek is hier niet wat spontaan opwelt, maar wat met overtuiging wordt aangenomen.

    Authenticiteit is geen archeologische zoektocht naar een verborgen kern. Zij is een daad. Een keuze. En die keuze vraagt vorm.

    Maskers vóór de moderniteit

    Het wantrouwen tegen rollen en maskers is geen tijdloos gegeven. Integendeel, in veel culturen vóór de moderniteit gold juist het omgekeerde. Het masker was geen middel om iets te verbergen, maar een manier om iets te laten verschijnen. Wie een masker opzette, werd niet minder zichzelf, maar méér dan zichzelf. Niet in de zin van fictie, maar van presentie.

    In de Griekse tragedie droegen acteurs maskers niet om hun identiteit te verhullen, maar om haar te overstijgen. Het masker maakte het mogelijk dat een mens iets droeg wat groter was dan hijzelf: een god, een held, een schuld, een lotsbestemming. Zonder masker was er geen tragedie, maar ook geen waarheid. Het gelaat was te klein voor wat getoond moest worden.

    Iets vergelijkbaars zien we in rituele culturen die wij gemakshalve “primitief” noemen. Het masker is daar geen spelobject en geen decoratie, maar een instrument. Het stelt iets present wat anders afwezig blijft: een voorouder, een geest, een macht. Degene die het masker draagt, doet niet alsof hij iemand anders is; hij neemt verantwoordelijkheid voor wat hij oproept. Het masker verplicht. Het vraagt discipline, voorbereiding, soms zelfs morele zuivering. Juist daarom is het geen vrijblijvend toneel.

    Dat perspectief staat haaks op de moderne gedachte dat echtheid samenvalt met het afleggen van alle vormen. Voor wie zo denkt, is het masker per definitie verdacht: een laag die ertussen zit, een obstakel tussen het innerlijke en het uiterlijke. Maar historisch gezien was het masker juist de brug tussen die twee. Het maakte zichtbaar wat anders ongezegd, ongezien of ondraaglijk zou blijven.

    Wie dat begrijpt, ziet ook waarom de moderne afkeer van rollen zo vaak uitloopt op leegte. Als alle vormen verdacht zijn, rest slechts een vaag beroep op een innerlijk dat zich nooit hoeft te tonen. Het masker verdwijnt, maar wat ervoor in de plaats komt is geen diepte, slechts stilte.

    Camille Paglia en de personae

    Waar Gerard Reve dit inzicht literair en existentieel formuleert, heeft Camille Paglia het systematisch uitgewerkt. Paglia is een Amerikaanse cultuurcriticus, kunsthistoricus en essayist, bekend om haar polemische stijl en haar weigering om zich te voegen naar academische of ideologische orthodoxie. Ze noemt zichzelf feministe, maar wordt door veel feministen verafschuwd. Juist dat spanningsveld maakt haar hier interessant.

    Paglia’s bekendste werk, Sexual Personae, is geen pamflet en geen moreel betoog, maar een cultuurgeschiedenis. Daarin onderzoekt zij hoe westerse kunst en literatuur doordrenkt zijn van seksualiteit, macht en stijl. Haar centrale stelling is ontluisterend eenvoudig: cultuur ontstaat niet ondanks eros, maar door eros. Niet door het temmen van lichamelijkheid, maar door haar vorm te geven.

    Daarmee keert Paglia zich tegen een modern feminisme dat seksualiteit vooral benadert in termen van onderdrukking, slachtofferschap en machtsmisbruik. Niet omdat die aspecten niet bestaan, maar omdat zij volgens haar niet het hele verhaal zijn. Eros is voor Paglia een natuurkracht: ambivalent, gevaarlijk, creatief. Wie haar wil neutraliseren, verliest niet alleen risico, maar ook schoonheid, stijl en betekenis.

    Precies hier introduceert Paglia het begrip persona. De persona is geen masker om iets te verhullen, maar een culturele vorm waarin rauwe driften hanteerbaar worden. Stijl, pose, ritueel en zelfs overdrijving zijn geen oppervlakkige franje, maar noodzakelijke middelen om menselijke intensiteit dragelijk te maken. Zonder persona geen kunst, geen cultuur en uiteindelijk ook geen vrijheid.

    Paglia’s feminisme bestaat dan ook niet uit het afwerpen van rollen, maar uit het bewust kiezen ervan. Zij verdedigt het recht van mensen, en in het bijzonder vrouwen, om zich te presenteren, te verleiden, te overdrijven en zich een vorm aan te meten, zonder dat dit automatisch als zelfverloochening of onderwerping wordt geduid. Wie vorm kiest, capituleert niet maar neemt positie in.

    In die zin sluit Paglia naadloos aan bij wat Reve intuïtief formuleerde. Ook zij verzet zich tegen het idee dat waarheid pas verschijnt wanneer alle maskers zijn afgelegd. Integendeel, zonder persona verdampt het zelf tot iets vaags en ongrijpbaars. Authenticiteit is bij haar geen natuurlijke toestand, maar een culturele prestatie.

    Dat maakt haar omstreden. Niet omdat zij geen oog zou hebben voor machtsverhoudingen, maar omdat zij weigert menselijke expressie te reduceren tot moraal. Zij neemt eros, stijl en vorm serieus en dat is voor veel moderne lezers ongemakkelijk. Maar precies daarin ligt haar waarde voor dit betoog: zij laat zien dat het masker niet het probleem is, maar de voorwaarde.

    Ambt, rol en presentie

    Ook binnen het katholicisme is het idee dat waarheid verschijnt in een rol, niet vreemd. Integendeel. Het kerkelijk ambt is van meet af aan opgevat als iets wat wordt aangenomen, gedragen en volgehouden. Diaken, priester en bisschop zijn geen beschrijvingen van een innerlijke gesteldheid, maar namen voor een positie die iemand bewust inneemt. Men is het niet vanzelf; men wordt het, en blijft het alleen door het te leven.

    Het ambt is daarbij geen toneelstuk. De diaken die dient, de priester die het Eucharistisch wonder voltrekt en de sacramenten bedient, de bisschop die leidt en onderwijst, doen niet alsof zij iets anders zijn dan zij zijn. Zij stellen iets, of nauwkeuriger Iemand, present. Niet zichzelf, maar een werkelijkheid die hen overstijgt. Dat vraagt om vorm, om ritueel, om vaste woorden en handelingen. Zonder die vorm zou het ambt niet dieper worden, maar onbestaanbaar worden.

    Opvallend is dat deze rollen niet worden gelegitimeerd door een beroep op innerlijke authenticiteit. Niemand wordt diaken omdat hij zich diep van binnen zo voelt. Niemand wordt priester omdat hij “zichzelf wil zijn”. Het tegenovergestelde is het geval. De rol wordt aangenomen, vaak met aarzeling, soms tegen de eigen voorkeur in. Juist daarin schuilt haar ernst. De vorm wordt niet gekozen om het eigen innerlijk te bevestigen, maar om het eigen leven in dienst te stellen van iets en Iemand die groter is.

    Dat maakt het ambt kwetsbaar en zwaar. Wie een rol draagt die meer is dan privé-expressie, kan zich niet verschuilen achter spontaniteit. De vorm verplicht. Zij legt een maat aan. De rol moet worden volgehouden, ook wanneer het gevoel achterblijft. Niet omdat gevoel onbelangrijk is, maar omdat waarheid niet samenvalt met stemming.

    In dat opzicht sluit het ambt naadloos aan bij wat eerder is beschreven. Ook hier is het masker geen bedrog, maar een verantwoordelijkheid. De rol is geen ontsnapping aan het zelf, maar een manier om het zelf te disciplineren, te richten en te laten verschijnen. Wat wordt getoond is niet “wie ik ben diep van binnen”, maar wie ik kies te zijn in relatie tot anderen.

    Wie dit begrijpt, ziet dat het katholieke wantrouwen tegen vormloosheid geen conservatieve reflex is, maar een antropologisch inzicht. Zonder rol geen presentie. Zonder vorm geen waarheid die gedeeld kan worden. En zonder keuze geen authenticiteit die standhoudt.

    Keuze, vorm en het moderne zelf

    Wat in het voorafgaande zichtbaar werd in literatuur, cultuur, ritueel en ambt, laat zich ook filosofisch doordenken. Niet als sluitstuk, maar als verduidelijking. Twee denkers zijn hier bijzonder behulpzaam: Friedrich Nietzsche en Charles Taylor. Beiden vertrekken vanuit de moderniteit, maar trekken daaruit tegengestelde conclusies. Juist in die spanning wordt duidelijk waar de verwarring rond authenticiteit vandaan komt.

    Nietzsche keert zich fel tegen het idee dat de mens een vaste, gegeven essentie bezit die slechts ontdekt hoeft te worden. Voor hem is het zelf geen kern, maar een opgave. De mens wordt wie hij is door keuzes, door stijl, door de manier waarop hij zijn leven vormgeeft. Niet toevallig speelt esthetiek bij Nietzsche zo’n grote rol. Vorm, houding en zelfinterpretatie zijn geen oppervlakkige toevoegingen, maar constitutief voor wie iemand is.

    Zijn beroemde aansporing word wie je bent is dan ook geen uitnodiging tot introspectie, maar tot schepping. Zij veronderstelt dat het zelf nog niet samenvalt met zichzelf. Authenticiteit betekent hier niet trouw blijven aan een innerlijke waarheid, maar verantwoordelijkheid nemen voor een gekozen vorm. Wie zichzelf serieus neemt, kan zich niet verschuilen achter spontaniteit of natuur. Vorm wordt plicht.

    Dat maakt Nietzsche ongemakkelijk. Zijn denken laat weinig ruimte voor slachtofferschap en nog minder voor onschuld. Wie zichzelf moet maken, draagt ook de last van mislukking. Juist daarom is zijn denken zo relevant voor dit betoog. Het ontneemt authenticiteit haar romantische onschuld en plaatst haar in het domein van keuze, discipline en stijl.

    Waar Nietzsche provoceert, analyseert Charles Taylor. In Sources of the Self beschrijft hij hoe het moderne zelf historisch is ontstaan. Taylor laat zien dat het idee van een innerlijk, authentiek zelf geen tijdloos gegeven is, maar het resultaat van morele verschuivingen, religieuze breuken en culturele heroriëntaties. Het zelf wordt in de moderniteit naar binnen verplaatst, maar blijft tegelijkertijd afhankelijk van betekeniskaders die het zelf niet zelf voortbrengt.

    Volgens Taylor kan niemand zichzelf begrijpen zonder een morele horizon: een kader van waarden, verhalen en idealen waarin keuzes betekenis krijgen. Authenticiteit is dan ook nooit louter individueel. Zij veronderstelt taal, traditie en gedeelde vormen. Zonder die vormen verwordt authenticiteit tot een leeg gebod: wees jezelf, zonder te zeggen wat dat betekent of waaraan dat te toetsen valt.

    Hier raakt Taylor precies aan de kern van de moderne misvatting. Wie authenticiteit loskoppelt van vorm en rol, denkt vrijheid te winnen, maar verliest juist richting. Het innerlijk wordt onaantastbaar, maar ook onzegbaar. Wat resteert is een zelf dat zich voortdurend miskend voelt, omdat het weigert zich te tonen in een vorm die aanspreekbaar is.

    Samen maken Nietzsche en Taylor duidelijk wat hiervoor al zichtbaar werd. Authenticiteit is geen toestand die men aantreft door lagen af te pellen, maar een verhouding die men aangaat. Zij ontstaat waar iemand positie kiest, vorm aanneemt en bereid is daarop aangesproken te worden. Niet het ontbreken van een masker maakt iemand echt, maar de moed om een masker te kiezen en dat te dragen.

    In dat licht bezien is de moderne afkeer van rollen geen bevrijding, maar een verarming. Zij verwart vormloosheid met diepte en vrijblijvendheid met waarheid. Wat zij mist, is precies wat Reve, Paglia, het ritueel en het ambt ieder op hun eigen wijze laten zien: dat het zelf pas werkelijk verschijnt waar het zich bindt aan vorm.

    Conclusie: authenticiteit herwonnen

    Wat al deze lijnen met elkaar verbindt, is een misverstand dat hardnekkiger is dan het lijkt. De gedachte dat authenticiteit begint waar rollen eindigen. Dat men pas echt wordt wanneer alle vormen zijn afgelegd. Dat wie speelt, zich verbergt, en wie zich toont, zich verraadt. Het is een aantrekkelijk idee, maar het houdt geen stand.

    Wie geen rol durft te kiezen, kiest niet voor waarheid, maar voor onzichtbaarheid. Wie zich verschuilt achter een innerlijk dat nooit gestalte krijgt, onttrekt zich aan aanspreekbaarheid. Niet het masker dient als schuilplaats, maar het innerlijk. Het masker is juist de vorm waarin men zich uit. Vormloosheid is geen diepte, maar uitstel. En vrijblijvendheid is geen vrijheid.

    Authenticiteit vraagt om keuze. Om het aannemen van een vorm die niet vanzelf spreekt, die discipline vraagt en verantwoordelijkheid oplegt. Het masker dat zo wordt gekozen, is geen leugen, maar een belofte. Het toont niet alleen wie iemand is, maar ook wie hij bereid is te zijn.

    Dat inzicht verschijnt steeds in hetzelfde patroon: waarheid wordt niet gevonden achter de vorm, maar in de vorm. Het masker is, zo bezien, dubbel authentiek. Het toont het zelf in vorm en het toont het zelf in de keuze voor die vorm.

    Wie dat eenmaal ziet, hoeft niet langer te kiezen tussen echtheid en rol. De rol die men speelt, dat is men echt. En precies daarin wordt authenticiteit herwonnen, niet als gevoel, maar als daad.

  • Onsterfelijk als verhaal

    De narratieve aap

    In mijn eerdere stukken over PacMan gebruikte ik een gedachte-experiment dat ik hier opnieuw nodig heb. Stel je een PacMan voor die zich niet bewust is van de hardware waarop hij draait. Hij kent geen CPU, geen geheugen, geen elektriciteit, geen programmeur. Voor ons is zijn wereld een raster van pixels en regels code. Voor hem is het de enige werkelijkheid die bestaat: een doolhof met muren, gangen, vijanden, voedsel, dreiging en doel. Dat die wereld voor ons slechts een afbeelding is, maakt haar voor hem niet minder echt.

    Die PacMan leeft, voor zover een gedachte-experiment dat toelaat, in een gesloten universum. Alles wat hij kan waarnemen, alles wat hij kan zijn, alles wat hij kan vrezen of hopen, speelt zich af binnen de semantiek van dat doolhof. Buiten die betekenisruimte is voor hem niets. Hij kan niet “boven” zijn wereld uitstijgen om haar te bekijken zoals wij dat doen. Hij is zijn wereld.

    Stel je nu iets radicalers voor: een Pac-Man die zijn wereld kan veranderen. Niet door de hardware te manipuleren, want hardware bestaat voor hem niet, maar door verhalen te vertellen. Door betekenis toe te kennen. Door nieuwe verbanden te leggen. Door te zeggen: “dit is een vijand”, “dit is een veilige plek”, “dit is een doel”, “dit is een belofte”. In zo’n wereld is het vertellen van een verhaal geen beschrijving achteraf, maar een scheppende daad. Wat geen plaats heeft in het verhaal, bestaat eenvoudigweg niet. Wat wél wordt verteld, krijgt werkelijkheid.

    Dat is geen sciencefiction. Dat is precies hoe menselijke werkelijkheid functioneert.

    Daniel Dennett en Yuval Harari noemen de mens de narrative animal: een wezen dat zichzelf en zijn wereld niet ervaart als een verzameling fysische toestanden, maar als een doorlopende vertelling. Wij leven niet in een kale ruimte van objecten, maar in een landschap van betekenissen. Vriend. Vijand. Schuld. Liefde. Verantwoordelijkheid. Hoop. Ze bestaan niet als natuurfeiten, maar als elementen van een verhaal dat wij met elkaar blijven vertellen.

    Identiteit is daarom geen ding dat je bezit, maar een narratief proces. Ik ben het verhaal dat ik over mezelf kan blijven voortzetten: wie ik was, wie ik ben, wie ik denk te worden. Wanneer dat verhaal breekt, door ziekte, trauma of dementie, breekt niet alleen het geheugen, maar de persoon zelf. En wanneer iemand sterft, verdwijnt niet meteen alles wat hij was: hij leeft voort in de verhalen die anderen over hem blijven dragen, in de beloftes die hij heeft achtergelaten, in de sporen die hij in andere levens heeft getrokken.

    Wij zijn, net als die denkbeeldige PacMan, opgesloten in een wereld die voor ons volledig werkelijk is, maar die alleen bestaat bij de gratie van betekenis. Wij kennen de “hardware” van de werkelijkheid niet. Wij kennen alleen de verhalen waarin zij zich aan ons toont. En binnen die verhalen, niet daarbuiten, worden dingen werkelijk, belangrijk, heilig of verwerpelijk.

    Als dat zo is, dan krijgt een oude theologische vraag ineens een nieuwe scherpte:

    wat betekent het eigenlijk om te zeggen dat een mens een ziel heeft?

    De ziel als informatiedrager

    Vrijwel alle grote religieuze tradities kennen een onderscheid tussen wat een mens lijkt te zijn en wat hij werkelijk is. In het christendom heet dat onderscheid lichaam en ziel. In hindoeïsme en boeddhisme spreken we over ātman en samsara, over een innerlijk zelf dat door reeksen van levens heen reist. In allerlei vormen van reïncarnatiegeloof is het lichaam een tijdelijk voertuig, terwijl de ziel de ware drager van identiteit is. Het lichaam komt en gaat; het zelf blijft.

    Wat al deze tradities delen, is een intuïtie: wie ik ben, valt niet samen met mijn huidige fysieke verschijning. Er is iets dat mij tot mij maakt, en dat iets kan blijkbaar in principe los van dit lichaam gedacht worden.

    Maar zodra we die intuïtie proberen te concretiseren, lopen we vast. Wat is die ziel dan? Is zij een onstoffelijk object? Een geestelijke substantie? Een soort kosmische reiziger die lichamen betreedt en verlaat? Dat beeld voelt vertrouwd, maar het verklaart niets. Het schuift het probleem alleen op: wat is zo’n ding, en hoe draagt het een identiteit?

    De moderne wetenschap heeft het probleem alleen maar scherper gemaakt. Persoonlijkheid, herinneringen, karaktertrekken, zelfs morele intuïties blijken sterk verbonden met de werking van het brein. Beschadig een bepaald stukje hersenweefsel en iemand wordt letterlijk een ander mens. Dat is geen ontkenning van de ziel, maar het maakt wel duidelijk dat identiteit geen los zwevend object is dat toevallig informatie in het brein opslaat. Het brein is het dragende systeem van die informatie.

    Daarmee wordt een andere beschrijving van de ziel steeds plausibeler: niet als een ding, maar als een hoogwaardig informatieverwerkend systeem. De ziel is dan niet een extra laag bovenop het lichaam, maar het patroon van geheugen, betekenis, intentie en zelfverwijzing dat een mens tot persoon maakt. Zij is niet waar de informatie ligt, maar hoe zij wordt georganiseerd, verbonden en geïnterpreteerd.

    Dat is precies waarom Thomas van Aquino, eeuwen vóór de neurowetenschap, al weigerde de ziel als een zelfstandig object te beschouwen. In de Summa Theologiae schrijft hij:

    “Anima non est hoc aliquid.”
    De ziel is geen ‘dit-ding’. (ST I, q. 75, a. 2)

    En even kernachtig:

    “Anima est forma corporis.”
    De ziel is de vorm van het lichaam. (ST I, q. 76, a. 1)

    De ziel is voor Thomas geen spook in de machine, maar het organiserende principe dat maakt dat deze materie een levende, menselijke persoon is. Daarom noemt hij het voortbestaan van de ziel na de dood ook een gebrekkige toestand: een mens hoort niet een losse ziel te zijn, maar een belichaamde eenheid.

    In moderne termen zouden we zeggen: de ziel is geen bestand dat je kunt kopiëren, maar het lopende proces dat informatie tot identiteit maakt. Het narratief dat zichzelf blijft bijwerken. Trauma, dementie en hersenbeschadiging zijn daarom geen randverschijnselen, maar existentiële verstoringen: ze tasten het informatiesysteem aan dat iemand tot zichzelf maakt.

    De ziel is dus geen onsterfelijke kern die ergens veilig buiten de wereld staat. Zij is een fragiele, maar rijke vorm van organisatie: een patroon dat alleen bestaat zolang het verteld, herinnerd en gedragen wordt. Dat geldt voor het individuele leven, maar ook voor grotere verbanden. Families, culturen, religies, kerken, het zijn geen dingen, maar narratieve systemen die zichzelf doorgeven in de tijd.

    En daarmee wordt de vraag naar onsterfelijkheid fundamenteel anders. Niet: welk stukje van mij ontsnapt aan de dood?

    Maar: in welk groter informatiesysteem kan mijn verhaal opgenomen blijven?

    Daarmee is het mensbeeld nu scherp genoeg om iets te durven zeggen over God; niet als een wezen tussen andere wezens, maar als iets wat zich tot betekenis verhoudt zoals de ziel zich tot het lichaam verhoudt.

    Dat is het punt waarop Johannes 1 binnenstapt.

    Het woord

    “In den beginne was het Woord.”

    De proloog van het Johannesevangelie is een van de meest geciteerde en tegelijk minst serieus genomen teksten uit het christendom. Meestal wordt hij gelezen als poëzie, als mystiek, als een soort verheven voorwoord. Maar Johannes schrijft hier geen sfeertekst. Hij doet iets radicaals: hij definieert wat God is.

    Het Griekse woord dat hier staat is Λόγος, Logos in Latijns schrift. Dat betekent niet alleen “woord”, maar ook “rede”, “betekenis”, “structuur”, “dat wat samenhang geeft”. In de wereld van Johannes was de Logos datgene waardoor de kosmos geen chaos was, maar een begrijpelijke, ordelijke werkelijkheid. Niet een ding in de wereld, maar het principe waardoor de wereld überhaupt iets kan betekenen.

    Johannes schrijft:

    In den beginne was de Logos,
    en de Logos was bij God,
    en de Logos was God.
    (Johannes 1:1)

    Dat is een merkwaardige zin. De Logos is niet iets dat God heeft. Het is God. Dat betekent dat God in deze tekst niet wordt opgevat als een superwezen met macht en eigenschappen, maar als datgene wat werkelijkheid tot betekenis maakt. God is niet een object in het universum, maar de grond waarop betekenis mogelijk is.

    De grote kerkvaders lazen dit precies zo. Augustinus schrijft in De Trinitate:

    “Verbum Dei est ratio et sapientia Dei.”
    Het Woord van God is Gods verstand en wijsheid.

    Met andere woorden: het Woord is niet een geluid, maar het innerlijke betekenissysteem van God zelf. Athanasius zegt in De Incarnatione dat door de Logos de wereld begrijpelijk en samenhangend is. En paus Benedictus XVI vatte dat in zijn beroemde Regensburglezing kernachtig samen:

    Niet handelen volgens de rede is in strijd met Gods natuur.

    God is dus geen willekeurige macht, geen blinde wil, geen mythisch wezen. God is Logos: rede, betekenis, samenhang. Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige secties zagen. De ziel is geen ding, maar een patroon van betekenis. De mens is een narratief wezen. Werkelijkheid is voor ons niet primair fysisch, maar semantisch.

    Johannes gaat nog verder. Hij schrijft:

    En het Woord is vlees geworden.
    (Johannes 1:14)

    Dat is misschien wel de meest radicale zin in de christelijke traditie. Niet: God gebruikte een mens. Niet: God verscheen als een mens. Maar: betekenis werd lichaam. De Logos, dat wat de wereld tot wereld maakt, nam de vorm aan van een concrete, historische, kwetsbare menselijke levensloop.

    Incarnatie is dus niet een bovennatuurlijk spektakel, maar een ontologische uitspraak: dat wat de wereld draagt als betekenis, heeft zich laten kennen binnen een menselijk verhaal.

    En hier sluit alles wat we eerder hebben opgebouwd op elkaar aan. Als de ziel een informatiesysteem is dat een leven tot een verhaal maakt, en als God de Logos is, het veld van betekenis waarin alle verhalen kunnen bestaan, dan is de verhouding tussen God en mens niet die van twee objecten, maar die van verhaal en context, van betekenis en drager.

    God is niet het grootste ding in het universum.

    God is het geheel waarin alle dingen betekenis krijgen.

    Maar dan rijst onmiddellijk de vraag:

    als God Logos is, als God betekenis en verhaal is, wat betekent dat dan voor zijn “bestaan”?

    Dat is waar Mozes bij de brandende struik plotseling zijn gewicht krijgt.

    “Ik ben”

    Wanneer Mozes bij de brandende struik vraagt wie het is die hem zendt, krijgt hij geen naam in de gewone zin. God zegt niet: “Ik ben dit” of “Ik ben dat”. Hij zegt:

    Ehyeh asher ehyeh — Ik ben die Ik ben.
    (Exodus 3:14)

    Dat is geen ontologische definitie zoals een filosoof die zou geven. Het is ook geen beschrijving van een eigenschap. Het is een weigering om zich als een ding te laten vastleggen. God zegt niet dat Hij bestaat zoals een berg bestaat, of een mens bestaat, of een geest bestaat. Hij zegt alleen: Ik ben.

    In het Hebreeuws is dat nog radicaler dan in vertaling. Ehyeh is een werkwoordsvorm: zijn als beweging, als aanwezigheid, als voortdurende actualiteit. God definieert zichzelf niet als een zijnde, maar als zijn zelf. Dat is waarom de klassieke theologie later zou spreken over God als actus purus: geen object in de wereld, maar het gebeuren van zijn zelf.

    Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige sectie zagen over de Logos. Als God geen ding is, maar Logos, betekenis, samenhang, verstaanbaarheid, dan kan Hij ook niet bestaan zoals dingen bestaan. Een verhaal bestaat niet zoals een steen bestaat. Het is er. Het werkt. Het vormt werkelijkheden. Maar je kunt het niet aanwijzen als object. Het is een zijnswijze, geen entiteit.

    In die zin is “God als verhaal” geen poëtische metafoor, maar een precieze ontologische uitspraak. God is dat wat is in de vorm van betekenis. Niet een actor in het verhaal, maar het veld waarin verhalen kunnen zijn. Dat is waarom Hij zich kan openbaren in woorden, beloften, geboden en geschiedenissen zonder ooit tot een object gereduceerd te worden.

    Wanneer Johannes zegt dat de Logos God is, en wanneer Exodus laat zien dat God “Ik ben” is, dan wijzen die twee teksten in dezelfde richting: God is geen iets. God is dat het iets kan betekenen. Het dragende weefsel van verstaanbaarheid zelf.

    Dat is ook waarom incarnatie zo vreemd en zo centraal is. “Het Woord is vlees geworden” betekent niet dat een bovennatuurlijk wezen een lichaam aantrok. Het betekent dat betekenis zich heeft laten kennen binnen een concrete, eindige levensloop. Dat het verhaal een lichaam heeft gekregen. Niet om op te houden God te zijn, maar om als God in de wereld leesbaar te worden.

    God als Logos.

    God als “Ik ben”.

    God als het verhaal dat werkelijkheden mogelijk maakt.

    En als dat zo is, dan wordt de vraag naar onsterfelijkheid opnieuw onontkoombaar: niet als het voortbestaan van een ziel-ding, maar als het voortbestaan van betekenis.

    Onsterfelijk als verhaal

    Wanneer onsterfelijkheid wordt voorgesteld als het eindeloze voortbestaan van een ziel-ding, roept dat bijna vanzelf het beeld op van een individu dat ergens blijft rondzweven: dezelfde persoon, met dezelfde herinneringen, losgemaakt van tijd en lichaam. Maar wie de vorige stappen serieus neemt, kan dat beeld niet meer vasthouden. De ziel is geen object. Zij is een patroon, een narratief informatiesysteem. En wat geen ding is, kan ook niet op de manier van dingen bestaan.

    De vraag is dus niet: waar ben ik na mijn dood?

    De vraag is: in welk verhaal blijf ik bestaan?

    Dat klinkt misschien vaag, maar het is in feite uiterst concreet. Ieder mens leeft al tijdens zijn leven in verhalen die groter zijn dan hijzelf: familiegeschiedenissen, vriendschappen, gemeenschappen, tradities, instituties. Wie wij zijn, wordt voortdurend mede gevormd door die grotere narratieven. En wanneer wij sterven, verdwijnen wij niet uit de werkelijkheid. Wij leven voort in herinneringen, in beloften die wij hebben gedaan en die nog gelden, in wonden die wij hebben geslagen, in liefde die nog werkt. Dat is geen symbolisch voortbestaan. Dat is hoe betekenis in de tijd functioneert.

    Voor mij is dat grotere verhaal, waarin mijn leven is ingebed, heel concreet: het verhaal van de Kerk. Niet de Kerk als organisatie, maar de Kerk als levend narratief dat teruggaat op een kleine groep mensen rond Jezus van Nazaret en zich sindsdien, door tweeduizend jaar geschiedenis heen, heeft voortgezet. Een verhaal van verkondiging, verraad, heiligheid, mislukking, bekering en trouw. Een verhaal dat mensen heeft voortgebracht, gevormd, gebroken en opnieuw samengebracht.

    Wanneer Jezus in het Matteüsevangelie zegt dat de poorten van de hel zijn Kerk niet zullen overweldigen (Matteüs 16:18), belooft hij geen onfeilbare organisatie. Hij belooft de duurzaamheid van een verhaal. Dat wat in hem begonnen is, de Logos die vlees werd, zal niet uit de wereld verdwijnen. Het zal blijven worden verteld, gevierd, bevochten en gedragen.

    De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt in de eschatologie opvallend voorzichtig over tijd. Wij wachten niet op een eindtijd die ergens in de toekomst begint, maar leven al in de laatste tijden. De nieuwe schepping is begonnen, maar nog niet voltooid. De geschiedenis van de wereld en de geschiedenis van het heil zijn niet twee gescheiden lijnen, maar één doorlopende beweging van betekenis.

    Onsterfelijkheid ligt in dat licht niet in een privé-bestaan na de dood, maar in de opname van mijn leven in dat grotere, blijvende verhaal. Ik ben onsterfelijk voor zover wat ik was en deed en liefhad, opgenomen blijft in de Logos die de Kerk draagt. Niet omdat ik als individu oneindig blijf, maar omdat mijn verhaal niet uit het verhaal van God kan vallen.

    Dat is geen verarming van de christelijke hoop. Het is haar radicale verdieping. Want wat hier wordt beloofd, is niet dat ik mezelf voor eeuwig behoud, maar dat niets wat werkelijk betekenis had ooit verloren gaat.

    Geen ketterij

    Wat hier is gezegd over God, ziel en onsterfelijkheid klinkt voor veel oren ongewoon. Maar de vraag is niet of het vertrouwd klinkt. De vraag is of het botst met wat de Kerk werkelijk leert.

    Om dat te toetsen, moeten we niet naar populaire beelden kijken, maar naar de Catechismus. Ik gebruik de Engelse versie, omdat het Vaticaan geen Nederlandse versie op haar website heeft gezet.

    1. God is geen ding

    De Catechismus is hier opvallend helder:

    “God is one, but not solitary.” (CCC 254)

    Dat klinkt triviaal, maar het zegt iets fundamenteels: God is geen individu in de rij van andere individuen. Hij is geen zijnde naast andere zijnden. En nog explicieter:

    “God transcends all creatures. We must therefore continually purify our language of everything in it that is limited, image-bound or imperfect.” (CCC 42)

    God is dus niet te vangen in categorieën die we op dingen toepassen. Dat sluit naadloos aan bij Exodus 3:14: Ik ben. Geen object. Geen soort. Geen plaats in een ontologische inventaris.

    Dat betekent dat wanneer we God aanduiden als Logos, als betekenis, rede, samenhang, we Hem niet reduceren tot een metafoor, maar juist wegblijven van een valse objectificatie.


    2. Christus: het Woord werd vlees

    De Catechismus verwoordt Johannes 1 letterlijk:

    “The Word became flesh to make us ‘partakers of the divine nature.’” (CCC 460)

    En ook:

    “The Son of God… worked with human hands; he thought with a human mind, acted with a human will, and loved with a human heart.” (CCC 470)

    Hier staat geen idee van een goddelijk ding dat een menselijk ding bestuurt. Hier staat: de Logos zelf, Gods wijze van zijn, heeft zich volledig uitgedrukt in een menselijk leven.

    Christus is dus niet God plus mens, maar God als menselijk verteld leven. Precies wat Johannes bedoelt met “het Woord is vlees geworden”.


    3. De Drie-eenheid is geen drie dingen

    De Catechismus verzet zich expliciet tegen het idee dat Vader, Zoon en Geest drie afzonderlijke “objecten” zouden zijn:

    “The divine persons do not share the one divinity among themselves but each of them is God whole and entire.”(CCC 253)

    Dat betekent: de Drie-eenheid is geen verzameling personen in menselijke zin, maar één goddelijke werkelijkheid in drie wijzen van bestaan.

    Binnen mijn denkkader

    • de Vader als bron van betekenis
    • de Zoon als uitgesproken betekenis
    • de Geest als werkzame betekenis in de tijd

    is dat geen afzwakking, maar een verheldering.


    4. De ziel is geen zelfstandig object

    De Catechismus sluit hier aan bij Thomas:

    “The human person, created in the image of God, is a being at once corporeal and spiritual.” (CCC 362)

    En:

    “The soul is the spiritual principle in man.” (CCC 363)

    Let op wat hier níét staat dat de ziel een zelfstandig ding is dat naast het lichaam bestaat. Zij is een principe, een vorm van organisatie en betekenis. Dat past exact bij mijn omschrijving als hoogwaardig informatiesysteem.


    5. Verrijzenis is geen biologisch herstel

    De Catechismus is hier expliciet:

    “What is ‘rising’? In death, the separation of the soul from the body, the human body decays… ” (CCC 997)

    En:

    “[This body will be changed into] a glorified body.” (CCC 999)

    Niet hersteld. Niet gerepareerd. Veranderd van zijnswijze.

    Dat is precies wat mijn these stelt: geen voortzetting van een fysisch object, maar een nieuwe vorm van bestaan binnen God.


    6. Eschatologie is geen toekomstmoment

    De Catechismus zegt:

    “Christ’s kingdom already manifests its presence through the miraculous signs that attend its proclamation by the Church” (CCC 670)

    En:

    “Since the Ascension God’s plan has entered into its fulfilment.” (CCC 670)

    We wachten niet op een latere tijd waarin alles begint. We leven al in de eschatologische werkelijkheid. Dat betekent: onsterfelijkheid is geen toekomstig evenement, maar een andere dimensie van het huidige zijn.


    Wat blijft er dan over?

    Alles.

    • God is geen ding → maar Logos
    • Christus is geen gemaskerde God → maar vleesgeworden betekenis
    • De ziel is geen object → maar een narratief informatiesysteem
    • De verrijzenis is geen sciencefiction → maar transformatie in God
    • De eindtijd is geen datum → maar de huidige diepte van de werkelijkheid

    Dat is niet buiten de katholieke leer.

    Het is de katholieke leer, de Bijbel volgend en zonder heilige huisjes uit de menselijke geschiedenis als beperking.

    En precies daarin kan een mens onsterfelijk zijn:

    niet als los ik,

    maar als blijvende betekenis

    in het verhaal dat God zelf is.

    Nagekomen gedachten

    Herlezend realiseer ik me dat mijn idee een paar vragen onbeantwoord laat. In ieder geval de vraag hoe het zit met het katholieke idee van een oordeel bij je dood. Mijn antwoord daarop is dat het particuliere oordeel igeen juridisch moment is waarin God een vonnis uitspreekt. Het is het moment waarop ik, opgenomen in de Logos, eindelijk mijn eigen verhaal zie zoals het altijd al was. Loutering is niet straf, maar het pijnlijke wegvallen van alle valse zelfbeelden. Wat waar was blijft. Wat leugen was, kan niet bestaan in Gods aanwezigheid

    Een andere nogal relevante vraag ziet op het katholieke idee van een persoonlijke God, een God waarmee je een relatie hebt. Of niet, natuurlijk. Een God ook die liefde is. Daarop is mijn antwoord dat binnen dit denkkader liefde geen extern gebeuren is tussen twee objecten, maar de fundamentele wijze waarop God bestaat. De Vader kent de Zoon niet als een ander ding, maar in volledige zelfgave. De Logos is niet informatie over God, maar Gods eigen zelfkennis. Wanneer ik besta in de Logos, word ik gekend zoals de Zoon door de Vader wordt gekend: niet als object, maar als geliefde die wordt gedragen in het innerlijk leven van God zelf.

    Een derde vraag betreft de incarnatie zelf en de wonderen die in de evangeliën worden beschreven. Als God geen interventionistische macht is die van buitenaf ingrijpt, hoe werd het Woord dan vlees? En wat betekenen wonderen in dit kader?

    Mijn antwoord: incarnatie is geen interventie, maar manifestatie. God wordt niet iets anders in Jezus. De Logos blijft Logos. Maar in deze ene menselijke levensloop wordt zichtbaar wat altijd al het geval was: dat menselijk bestaan narratief bestaan is, en dat verhalen hun werkelijkheid ontlenen aan de Logos. Jezus is niet God-die-zich-vermomde-als-mens, maar de mens waarin volledig transparant werd wat God is: betekenis die vlees wordt, verhaal dat zich incarneert.

    De wonderen zijn dan geen doorbreking van natuurwetten, maar herordening van betekenis. Water wordt wijn: niet als chemisch proces, maar als liturgisch gebeuren waarin de betekenis van een maaltijd wordt getransformeerd. Lazarus wordt opgewekt: niet als biologische reanimatie, maar als narratieve omkering, het verhaal dat eindigde in dood wordt voortgezet. De vraag ‘gebeurde dit fysiek?’ is hierbij minder relevant dan de vraag: veranderde dit de werkelijkheid? En het antwoord op die laatste vraag is: ja. Want werkelijkheid is wat betekenis heeft, niet wat fysisch meetbaar is.

    Dit vraagt wel dat historiciteit op twee niveaus wordt begrepen. Niet: gebeurde dit exact zoals beschreven in causaal-fysische zin? Maar: gebeurde hier iets dat verhalen en dus werkelijkheden fundamenteel veranderde? Het eerste weten we niet en kunnen we niet weten. Het tweede is precies wat het evangelie claimt: na Jezus was de wereld anders, niet omdat de fysica veranderde, maar omdat betekenis anders werd verdeeld.

    Hetzelfde geldt voor de maagdelijke geboorte en de onbevlekte ontvangenis van Maria. Beide dogma’s klinken in moderne oren als biologische abnormaliteiten, als doorbreking van natuurlijke voortplanting. Maar dat is een mislezing.

    De maagdelijke geboorte zegt niet: God manipuleerde chromosomen. Het zegt: wat hier begon, kwam niet voort uit menselijke intentie, begeerte of macht. Dit verhaal heeft geen menselijke auteur. Het is Logos zelf die vlees wordt. Niet als biologisch feit dat je kunt verifiëren, maar als theologische uitspraak: hier begint iets dat niet uit de wereld voortkomt, maar aan de wereld wordt gegeven.

    De onbevlekte ontvangenis van Maria zegt evenmin iets over haar DNA of over een genetische schoonmaak. Het zegt: in haar wordt zichtbaar dat een mens volledig vrij kan zijn van de dwangmatige patronen die wij ‘erfzonde’ noemen. Niet omdat God ingreep in haar biologie, maar omdat zij volledig open stond voor de Logos. Erfzonde is geen genetische vloek, maar de narratieve gevangenis waarin mensen zichzelf en elkaar blijven vastzetten. Maria is de eerste die daaruit vrij was, niet door natuurlijke onmogelijkheid maar door genadige mogelijkheid.

    Ook hier geldt: de vraag ‘gebeurde dit fysiek precies zo?’ is minder relevant dan de vraag ‘wat maakt dit dogma waar?’ Het antwoord: dat God niet afhankelijk is van menselijke macht, en dat mensen niet gevangen hoeven blijven in destructieve verhalen.

    Eén van mijn favoriete ‘wonderen’ is een hagiografisch verhaal over Bernardus van Clairvaux: hij zou in stromende regen een brief hebben geschreven op perkament met inkt, iets dat fysisch onmogelijk is. Het wonder is kneuterig, alledaags, bijna lachwekkend als je het fysisch probeert te reconstrueren. Maar het verhaal heeft de eeuwen doorstaan. Niet omdat het de natuurkunde trotseerde, maar omdat het iets vertelt over toewijding, over wat werkelijk belangrijk is, over een mens die zo gedreven was dat zelfs regen hem niet tegenhield. Het wonder zit in de betekenis, niet in de meteorologie.

  • PacMan en de Logos

    PacMan’s onbeantwoorde vraag

    Eerder besprak ik de wereld van de mens met PacMan als beeld. PacMan die leeft in een wereld die niet “bestaat” zoals wij gewend zijn over bestaan te denken. De wereld van PacMan is die van een empirist die goed heeft opgelet toen Descartes zei dat hij slechts van één zekerheid kan uitgaan: cogito ergo sum.

    De empirist heeft een heldere epistemologische visie. Alle kennis komt voort uit zintuigelijke waarneming. Hoewel maar weinig mensen deze filosofie tot in haar uiterste doordrijven is het wel min of meer de manier waarop men in ons deel van de wereld naar de werkelijkheid kijkt. Wat we waarnemen bestaat en wat bestaat kunnen we waarnemen. Voor de agnost bestaat er nog enige nuancering, zoals verwoord door Kant in zijn Kritiek van de zuivere rede. Kant formuleert het negatief als hij van de klassieke metafysica zegt dat deze feitelijk irrelevant is omdat alles wat niet waargenomen kan worden ofwel niet bestaat ofwel voor ons geen betekenis heeft en alles wat wel betekenis voor ons heeft direct of indirect waarneembaar moet zijn. Het is een manier van denken die goed past bij een modern, atheïstisch, “wetenschappelijk” wereldbeeld. Dat het op het niveau van de quantum mechanica soms wat lastig valt vol te houden mag de pret niet drukken, Schrödingers kat ligt er niet wakker van, of die nu leeft of dood is.

    Descartes constateert een tamelijk evident punt. Onze zintuigen bedriegen ons. Maar als dat zo is, waar blijf je dan als empirist? Descartes concludeert dat de werkelijkheid niet bewijsbaar bestaat als we alleen van waarneming mogen uitgaan. Er is slechts een zekerheid en dat is het bestaan van degene die zich afvraagt of er wel iets bestaat. Descartes zegt dus: uit het feit dat ik nadenk over het bestaan (cogito) volgt logischerwijs (ergo) dat degene die zich die vraag stelt bestaat (sum).

    Hoe past PacMan en zijn wereld hier in? Enerzijds is de werkelijkheid van PacMan dat wat hij kan waarnemen. Een doolhof, spookjes, eetbare punten. In zoverre is PacMan een empirist, dat wat je kan waarnemen bestaat kennelijk. Maar de wereld van PacMan wordt pas zinvol als je tegelijk onderkent dat niets in de wereld van PacMan, inclusief PacMan zelf, bestaat op de manier waarop wij bestaan herkennen. PacMan is voor ons slechts een afbeelding op een beeldscherm immers. Om de wereld van PacMan compleet te maken voor PacMan zelf zal je empirisme en een vorm van cartiaans dualisme met elkaar moeten verbinden. Ongeschikt voor de moderne natuurkundige, maar wel nodig om de narratieve aap te begrijpen.

    Het cartesiaanse dualisme raakt hierbij scherp aan de vraag hoe PacMan zijn wereld kan programmeren zonder een flauw benul te hebben van de hardware waarop zijn wereld is geprogrammeerd. Descarte stelt dat we enerzijds een denkende geest zijn, de res cogitans, en anderzijds een materieel lichaam, de res extensa. Voor PacMan betekent dat ongeveer dat het gele happertje dat we zien, maar ook de hele wereld die tot de empirische werkelijkheid van PacMan behoort te vinden is in de dimensie van de res extensa. De wereld van de programmeur, degene die de hardware laat doen wat die doet, vinden we dan in de res cogitans. Waar Descartes niet zo helder over is, en wat voor nogal wat kritiek heeft gezorgd, is de vraag hoe die werelden met elkaar communiceren. En dat is ook precies het vraagstuk van PacMan. Leuk dat PacMan zijn eigen wereld kan programmeren, maar hoe dan?

    Ik zal vanaf nu PacMan los laten. Het beeld heeft zijn werk wel gedaan. Het moet niet langer over het beeld gaan, maar over de mens zelf. De narratieve aap.

    Johannes: het woord als mechaniek

    Het Johannes Evangelie begint, anders dan de andere drie Evangeliën niet met Jezus in de wereld, maar met de schepping. De proloog van Johannes is in zekere zin het echte scheppingsverhaal. Waar Genesis vertelt wat bij de schepping gebeurd zou zijn, beschrijft Johannes hoe scheppen eigenlijk werkt.

    In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.

    (Johannes 1;1-3)

    of in de Vulgaat:


    In principio erat Verbum, et Verbum erat apud Deum, et Deus erat Verbum. Hoc erat in principio apud Deum. Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso factum est nihil, quod factum est;

    De Vulgaat-vertaling is van belang. In de grondtekst, in Koine Grieks, staat λόγος, een mannelijk woord. In de Vulgaat is gekozen voor Verbum, wat onzijdig is. Waar het hier om gaat is dat het per ipsum in de Willibrord-vertaling vertaald is als “door Hem”, en daarmee automatisch christologisch geduid is. Dat we in de Nederlandse vertaling een hoofdletter zien versterkt dat effect. Maar de Vulgaat is hier dus nadrukkelijk niet, en de grondtekst is niet nadrukkelijk, christologisch. Een vertaling zonder die christologische duiding had kunnen zijn:

    In het begin was het woord en het woord was bij God en het woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door het woord geworden en zonder het woord is niets geworden van wat geworden is.

    Het is onorthodox om Johannes te ontdoen van een christologische interpretatie, maar het is wel grammaticaal correct vertalen. En het laat ineens iets heel interessants zien. Johannes beschrijft hier niet zozeer wie de werkelijkheid geschapen heeft, maar hoe dat is gebeurd.

    Het lost meteen een detail op dat ik persoonlijk altijd wat onbegrijpelijk heb gevonden in het credo van Nicea. Het gaat om dit zinnetje:

    en door wie alles geschapen is

    Dit verwijst in het credo zonder enige twijfel naar Jezus. Maar hoe werkt dat eigenlijk, iets scheppen “door Jezus”?

    ook hier is het Latijn weer boeiend. Dan lezen we

    per quem omnia facta sunt

    Let op: per quem (mannelijk, door hem), en dus niet per ipsum (onzijdig, door het). Het credo neemt dus de woorden van Johannes, maar maakt ze mannelijk in plaats van onzijdig. Het credo maakt de tekst dus christologisch, en dat is precies wat je van een credo mag verwachten. Het geeft een gelovige duiding, credo betekent letterlijk “ik geloof”. Maar die duiding komt dus niet van Johannes en Johannes is daarmee dan ook meteen een stuk minder mystiek of religieus dan het op het eerste gezicht lijkt.

    Johannes schrijft in feite:

    1. Er is woord. Taal.
    2. Woord, taal is bij God. Woord is God.
    3. Schepping vindt plaats door middel van woord. Taal.
    4. Ergo, taal is het instrument waarmee de werkelijkheid gemaakt wordt.

    Nota bene, ik beweer niet dat hieraan enig gezag kan worden ontleent. Het is niet waar omdat Johannes het schrijft. Ik beweer wel dat Johannes het schrijft omdat het waar is.

    Wittgenstein: de grenzen die niet begrenzen

    Ludwig Wittgenstein had een radicaal project. In zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1922) wilde hij een definitieve grens trekken tussen zinvolle en zinloze taal. Zinvolle taal spreekt over feiten, over wat het geval is in de wereld. Metafysica, denken over God, het goede, het schone, de zin van het bestaan, valt buiten die grens. Het is niet vals, maar letterlijk betekenisloos. Onzin. Wittgenstein wilde de filosofie zuiveren door haar te laten zwijgen over alles waarover we niet helder kunnen spreken.

    Maar dan komt de beroemde ladder-metafoor. In propositie 6.54 schrijft Wittgenstein: “Mijn stellingen verduidelijken doordat hij die mij verstaat ze uiteindelijk als onzinnig herkent, wanneer hij door middel van die stellingen erop, erover heen, is geklommen. (Hij moet de ladder wegwerpen, nadat hij erop is geklommen.)” Het is een verbijsterende zet. Wittgenstein zegt: alles wat ik net schreef is strikt genomen zelf ook onzin. Gebruik mijn boek als ladder, klim erop, en gooi het dan weg.

    Maar waar sta je dan? Als de ladder weg is, als alle metafysica onzin is, als alle filosofie die over de grenzen van de taal probeert te spreken zelf buiten die grenzen valt, wat blijft er dan over? Wittgenstein wilde een grens trekken, maar laat daarmee juist zien dat er niks aan de andere kant van die grens ligt. Er ís geen buitenkant van de taal. De grens die hij trekt, begrenst niks omdat alles wat er is, binnen de taal ligt.

    De beroemdste zin uit de Tractatus is propositie 7, de allerlaatste regel: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Het klinkt als een gebod, als een grens. Maar het is geen verbod om over bepaalde dingen te praten. Het is de constatering dat er letterlijk niks is om over te praten buiten de taal. Er bestaat geen werkelijkheid waarover we niet kunnen spreken, want wat buiten de taal ligt, bestaat voor ons niet.

    En hier wordt Wittgensteins project absurd. Als we alleen zinvol kunnen spreken over empirisch verifieerbare feiten, en alles wat daarbuiten valt onzin is, dan zouden we vrijwel volledig moeten zwijgen. Over waarden, over betekenis, over intenties, over relaties, over alles wat een mensenleven vormgeeft kunnen we niet helder spreken in Wittgensteins strikte zin. Wetenschap zou onmogelijk worden. Elke hypothese, elke theorie begint als speculatie die nog niet empirisch geverifieerd is. Laten we daar ook nog eens Descartes op los, dan valt zelfs over de empirische “feiten” niet meer te spreken.

    Zelfs denken zelf zou ophouden, want we denken in taal, en taal leren we door te communiceren. Als we moesten zwijgen zoals Wittgenstein voorschrijft, zouden we functioneel doof-blind worden.

    Maar we zwijgen niet. We kunnen niet zwijgen. En daarmee bewijst Wittgenstein onbedoeld precies wat Johannes al zei: er is geen werkelijkheid buiten het woord. Taal begrenst niet. Taal constitueert.

    Derrida: betekenis zonder anker

    Jacques Derrida pakt de draad op waar Wittgenstein hem liet vallen. Waar Wittgenstein wilde begrenzen en uiteindelijk moest erkennen dat begrenzing zinloos is, maakt Derrida van die zinloosheid juist een systeem. In zijn werk over taal en betekenis, met name in De la grammatologie (1967), stelt hij iets radicalers: er bestaat geen vast ankerpunt waaraan betekenis kan worden opgehangen. Geen “transcendentaal significant”, geen fundament buiten de taal dat bepaalt wat woorden werkelijk betekenen.

    Derrida’s centrale begrip is différance, een kunstmatig woord dat hij schept door “différence” (verschil) en “différer” (uitstellen) samen te voegen. Betekenis ontstaat door verschil; “boom” betekent iets omdat het niet “boon” is, niet “droom”, niet “zoon”. En betekenis is altijd uitgesteld. Als je vraagt wat “boom” betekent, verwijs je naar andere woorden (“plant”, “hout”, “bladeren”), die op hun beurt weer verwijzen naar andere woorden. Je komt nooit bij een definitieve, taalloze werkelijkheid aan. Betekenis is een eindeloos spel van verwijzingen, zonder eindpunt.

    Dat klinkt als relativisme. Als elke tekst oneindig herinterpreteerd kan worden, als er geen vaste betekenis is, lijkt Derrida te zeggen dat alles maar interpretatie is, dat waarheid niet bestaat. Maar dat is een misverstand. Derrida zegt niet dat betekenis willekeurig is. Hij zegt dat betekenis gemaakt wordt, niet gevonden. Er is geen werkelijkheid buiten de taal die we kunnen opzoeken om te checken of onze woorden kloppen. Taal verwijst niet naar iets dat al bestaat, taal brengt voort.

    En hier komt Derrida terug bij Descartes en Johannes. Descartes liet zien dat we zelfs over de empirische werkelijkheid niet met zekerheid kunnen spreken. We kunnen niet uit onze waarneming stappen om te controleren of die waarneming klopt. We zitten opgesloten in onze eigen res cogitans, ons eigen denken. En denken is taal.

    Wittgenstein opent een frontale aanval op de taal, maar met als enige wapen de taal is die aanval op voorhand kansloos. Wittgenstein maakt op geniale wijze de filosofie betekenisloos en de taal zinloos, maar ondergraaft daarmee uiteindelijk slechts zijn eigen aanval.

    Johannes zei het al: “In het begin was het woord.” Niet: in het begin was er een werkelijkheid die vervolgens benoemd werd. Nee, het woord was er eerst. En “alles is door het woord geworden.” Schepping gebeurt niet vóór de taal, maar door de taal.

    Derrida’s deconstructie lijkt op het eerste gezicht een aanval op die gedachte. Hij laat zien dat geschreven taal los staat van een spreker, dat teksten betekenissen krijgen die hun auteur nooit bedoeld heeft, dat interpretatie nooit stopt. Maar juist daardoor bevestigt hij wat Johannes beschrijft. Geschreven taal is inderdaad in zichzelf betekenisloos maar precies daarom is het het ultieme scheppende gereedschap. Omdat taal geen vaste betekenis heeft, kan taal de werkelijkheid eindeloos herscheppen. Elke lezing, elke interpretatie, elk gebruik van woorden brengt nieuwe werkelijkheid voort.

    Wittgenstein wilde de taal begrenzen en ontdekte dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde de taal deconstrueren en ontdekte dat taal juist daarom alles schept. Beide filosofen probeerden de metafysica te ontmaskeren. Beide bevestigden per ongeluk wat Johannes duizend jaar eerder al schreef: het woord is geen beschrijving van de werkelijkheid. Het woord is de werkelijkheid.

    Demystificatie wordt mystiek

    Wittgenstein en Derrida waren geen mystici. Ze waren filosofen met een scherp, analytisch project: de illusie doorprikken dat er een verborgen werkelijkheid bestaat achter de taal, achter de verschijnselen. Ze wilden de metafysica ontmaskeren, laten zien dat er geen transcendente waarheid is die we kunnen ontdekken als we maar diep genoeg graven. Hun werk was demystificatie.

    Maar wat ze ontdekten, is precies wat mystici door de eeuwen heen al zeiden.

    Mystiek wordt vaak begrepen als iets religieus, als een ervaring van het goddelijke, van eenwording met iets groters. Maar dat is te eng. Mystiek is fundamenteler: het is de ervaring of het inzicht waarin de scheiding tussen subject en object verdwijnt, waarin kenner en gekende samenvallen, waarin er geen “buiten” meer is. De mysticus zegt niet dat er een verborgen werkelijkheid bestaat die we moeten bereiken. De mysticus zegt: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen dit.

    Meister Eckhart, de middeleeuwse dominicaan, schreef: “Het oog waarmee ik God zie is hetzelfde oog waarmee God mij ziet.” Er is geen afstand tussen subject en object, tussen ziener en geziene. Ze zijn hetzelfde. Shankara, de grote Indiase filosoof van de achtste eeuw, leerde Advaita Vedanta: non-dualiteit. De werkelijkheid is niet verdeeld in ik en wereld, in geest en materie. Die scheiding is illusie, maya. Wat overblijft is Brahman, het ene dat alles is. Rumi, de Perzische mysticus, dichtte: “Jij bent niet een druppel in de oceaan. Jij bent de hele oceaan in een druppel.” Er is geen grens tussen het zelf en het geheel.

    Dit is geen religieuze doctrine. Het is een constatering over hoe werkelijkheid werkt. En het is precies wat Wittgenstein en Derrida, zonder het te willen, bewezen. Er is geen werkelijkheid buiten de taal om naar te verwijzen. Er is geen transcendentaal significant, geen fundament dat betekenis verankert. Er is geen “buiten” waar we naartoe kunnen stappen om te checken of onze woorden kloppen. Taal is niet een gereedschap dat we gebruiken om een bestaande werkelijkheid te beschrijven. Taal is de werkelijkheid.

    Dit lost het probleem van Descartes op. Het cartesiaanse dualisme, de scheiding tussen res cogitans en res extensa, tussen denkende geest en uitgebreide materie, leek een onoverbrugbare kloof. Hoe communiceert de geest met het lichaam? Hoe beïnvloedt denken de wereld? PacMan’s probleem was hetzelfde: hoe programmeert hij zijn wereld zonder weet te hebben van de hardware?

    Het antwoord is: er is geen kloof. Res cogitans en res extensa zijn geen gescheiden werelden die met elkaar moeten communiceren. Ze zijn beide taal. Het woord overstijgt die scheiding niet, het woord is die overstijging. Denken en zijn vallen samen in het spreken. PacMan programmeert niet vanuit een externe positie. Hij programmeert door te spreken, door betekenis te geven aan wat hij ervaart.

    Mystiek is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar de erkenning dat er nergens naartoe te vluchten valt. Het is de ervaring dat alles wat is, hier is, in dit moment, in deze taal, in dit bewustzijn. Wittgenstein wilde de grens trekken en ontdekte dat er niks te begrenzen valt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en ontdekte dat betekenis juist daarom alles schept. Mystici zeggen hetzelfde, maar zonder de omweg van de filosofie: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen het woord dat vlees wordt, steeds opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid

    We zijn nu aangekomen bij een conclusie die tegelijk simpel en ongemakkelijk is. Johannes schreef dat het woord de werkelijkheid schept. Wittgenstein wilde taal begrenzen en bewees dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en liet zien dat taal juist daarom constitutief is. Mystici door de eeuwen heen zeiden: er is geen tweede werkelijkheid, geen “buiten”.

    Dat alles leidt tot één inzicht: taal beschrijft de werkelijkheid niet. Taal is de werkelijkheid. Het woord schept wat het benoemt. PacMan programmeert zijn wereld door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware.

    Maar zodra je dat hardop zegt, komen de bezwaren. En die bezwaren zijn legitiem. Ze moeten serieus genomen worden, want anders wordt dit verhaal een vorm van magisch denken waarin alles mogelijk is als je maar hard genoeg wenst.


    Is het dan niet allemaal willekeur?

    Het eerste bezwaar klinkt ongeveer zo: als taal de werkelijkheid schept, is dan niet alles maar interpretatie? Kan iedereen zomaar zijn eigen werkelijkheid bedenken? Is waarheid dan niet gewoon wat de meeste mensen geloven? En als ik hard genoeg roep dat ik kan vliegen, kan ik dan vliegen?

    Nee. En het antwoord waarom niet zit in het woord “gezamenlijk”, in het verhaal.

    Neem democratie. Het concept bestond niet voordat de Grieken het bedachten. Er was geen natuurwet die zei dat mensen gelijk geboren werden, dat stemmen eerlijk was, dat macht gedeeld moest worden. Democratie is een verhaal, een constructie, een product van taal. Maar zodra genoeg mensen dat verhaal gingen delen, instituties eromheen bouwden, wetten schreven, rechters aanstelden, werd het echt. Niet omdat het altijd al bestond, maar omdat het nu bestaat.

    Of neem geld. Een briefje van vijftig euro is objectief gezien waardeloos. Het is papier met inkt. Maar omdat we gezamenlijk geloven dat het waarde heeft, heeft het waarde. Je kunt ermee betalen, ermee sparen, ermee investeren. Het bestaat niet buiten onze taal, maar het bestaat wel degelijk. Probeer maar eens zonder.

    Eigendom werkt hetzelfde. Voor de Verlichting bestond “privébezit” niet zoals wij dat kennen. Land behoorde toe aan de koning, aan God, aan de gemeenschap. Maar Locke en andere denkers schreven erover, formuleerden het recht op bezit, en langzaam werd het werkelijkheid. Nu lijkt het vanzelfsprekend dat een stuk grond “van jou” kan zijn. Maar het is een verhaal. Een machtig verhaal, omdat miljoenen het delen.

    Mensenrechten zijn misschien het duidelijkste voorbeeld. In 1789 schreef de Franse Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Artikel 1: “Alle mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren.” Maar dat was niet waar. Mensen werden geboren in slavernij, in armoede, in onderdrukking. De verklaring beschreef geen bestaande werkelijkheid. Het schiep een nieuwe. En niet omdat het papier magisch was, maar omdat genoeg mensen begonnen te geloven dat het waar was en er naar gingen handelen.

    Dit is geen willekeur. Je kunt niet zomaar in je eentje besluiten dat jij kunt vliegen en dan van een gebouw springen. Dat werkt niet. Niet omdat de fysica buiten de taal staat, ook de fysica is taal, zoals we zo meteen zullen zien, maar omdat jij alleen staat. Werkelijkheid ontstaat in gedeelde taal, in collectieve verhalen, in instituties die verhalen verankeren. Eén stem schept niks. Miljoenen stemmen vormen een verhaal en verhalen scheppen werelden.


    Maar muren zijn toch gewoon hard?

    Het tweede bezwaar is materialistisch: prima, mensenrechten en geld zijn verhalen, maar een steen is een steen. Als ik tegen een muur loop, doet het pijn. De werkelijkheid dringt zichzelf aan me op, ongeacht mijn taal. Wetenschap ontdekt feiten, het verzint ze niet.

    Dit bezwaar klinkt overtuigend. Maar kijk eens naar hoe wetenschap werkt.

    Democritus bedacht in de vijfde eeuw voor Christus het atoom. Niet door experimenten, niet door metingen, maar door na te denken. Hij stelde zich voor dat als je materie bleef delen, je uiteindelijk bij iets ondeelbaars moest uitkomen. Hij noemde dat atomos, ondeelbaar. Het was filosofie, taal, een verhaal over hoe de wereld in elkaar zou kunnen zitten.

    Tweeduizend jaar later “ontdekten” wetenschappers het atoom. Maar wat betekent “ontdekken” hier eigenlijk? Ze maakten het meetbaar. Ze gaven het eigenschappen, formules, een plaats in de systematiek. Ze maakten het benoembaar, calculeerbaar, voorspelbaar. En daarmee maakten ze het echt. Het electron bestaat niet los van de taal waarin we het beschrijven. We kunnen het niet zien, niet aanraken, niet direct waarnemen. Het bestaat in de wiskundige taal van de kwantummechanica, in de experimenten die we ontwerpen om het te meten, in de theorieën die voorspellen hoe het zich gedraagt.

    Of neem de hartslag. Voor William Harvey in 1628 de bloedsomloop beschreef, voelden mensen hun hartslag niet bewust. Natuurlijk klopte hun hart. Maar ze hadden er geen woord voor, geen concept, geen reden om erop te letten. Harvey gaf het een naam, een functie, een mechanisme. En plotseling werd het iets dat mensen ervoeren, iets dat artsen konden meten, iets dat ziek kon zijn. Het was er altijd geweest, maar het bestond pas toen we het benoemden.

    De kwantummechanica laat dit nog scherper zien. Volgens de standaardinterpretatie bestaat een deeltje niet op één plek tot je het meet. Het is een golffunctie, een wolk van mogelijkheden. Pas als je meet, en meten is altijd taalmatig geïnterpreteerd, het is afgelezen, genoteerd, geduid, stort de golffunctie in en krijg je een resultaat. De waarneming schept, letterlijk, de werkelijkheid. Niet omdat de waarnemer magisch is, maar omdat waarneming en taal niet te scheiden zijn.

    Dit betekent niet dat muren niet hard zijn. Het betekent dat “hard”, “muur”, “pijn”, concepten zijn waarmee we de wereld ordenen. De ervaring is echt. Maar de ervaring wordt pas werkelijkheid in de taal die hem benoembaar maakt. Wetenschap ontdekt niet zozeer feiten als wel dat ze feiten construeert, en die constructies werken, ze zijn voorspelbaar, ze zijn deelbaar. Daarom zijn ze echt.


    Verschillende talen, verschillende werelden?

    Het derde bezwaar gaat over de diversiteit van talen. Als taal de werkelijkheid schept, betekent dat dan dat mensen die verschillende talen spreken in verschillende werelden leven? Zien Engelsen de werkelijkheid anders dan Chinezen? En is er dan nog zoiets als een gedeelde werkelijkheid?

    Het antwoord is genuanceerd. Taal vormt hoe we de wereld ervaren, maar niet deterministisch. Het is geen gevangenis, maar een lens.

    Neem de Guugu Yimithirr, een Australische aboriginaltaal. In die taal bestaan geen woorden voor “links”, “rechts”, “voor” of “achter”. In plaats daarvan gebruiken sprekers altijd absolute richtingen: noord, zuid, oost, west. Als je zegt “de mok staat rechts van je”, zeg je in Guugu Yimithirr: “de mok staat ten westen van je” en dat klopt alleen als je naar het noorden kijkt. Dit dwingt sprekers om constant hun oriëntatie in de ruimte bij te houden. En het resultaat? Ze zijn aantoonbaar beter in navigatie dan sprekers van talen die relatieve richtingen gebruiken. Hun taal vormt letterlijk hoe ze ruimte ervaren.

    Of neem toekomende tijd. Sommige talen, zoals het Mandarijn, hebben geen grammaticale toekomende tijd. Je zegt niet “Ik zal morgen werken”, maar “Ik morgen werken”. Economen hebben aangetoond dat sprekers van zulke talen significant meer sparen en gezonder leven, omdat de toekomst voor hen linguïstisch dichter bij het heden aanvoelt. Hun taal vormt hun gevoel voor tijd.

    En dan is er kleur. Homerus beschrijft in de Ilias en de Odyssee de zee als “wijnrood“. Eeuwenlang dachten geleerden dat dit poëzie was. Maar linguïsten ontdekten dat het oude Grieks simpelweg geen woord had voor blauw zoals wij dat kennen. Blauw en groen vielen onder dezelfde categorie. Pas later in de geschiedenis ontstonden aparte woorden. En wat gebeurde er toen? Mensen begonnen de kleuren te zien zoals wij ze zien. Niet omdat hun ogen veranderden, maar omdat hun taal hen dwong het onderscheid te maken.

    Dit betekent niet dat iedereen in een volstrekt eigen werkelijkheid leeft. Er is overlap, er is vertaalbaarheid, er is een gedeelde materiële basis. Maar taal is niet neutraal. Het vormt wat we waarnemen, wat we relevant vinden, hoe we ordenen. En dus schept het verschillende werkelijkheden. Waar verschillende talen dat toelaten vertellen we wel dezelfde verhalen en delen we dezelfde werkelijkheid.


    De narratieve aap

    We zijn nu terug bij waar we begonnen: bij de mens als verhalen vertellende soort. De narratieve aap.

    Ik gebruikte het beeld van PacMan die zijn wereld programmeerde door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware. Wij doen precies dat. We leven in een wereld die we zelf, gezamenlijk, door taal hebben geschapen in verhalen. Democratie, geld, eigendom, mensenrechten, ze bestaan omdat we ze benoemen, omdat we eromheen handelen, omdat we ze institutionaliseren. Het electron, de hartslag, de golffunctie, ze bestaan omdat we ze meetbaar, benoembaar, voorspelbaar maken. Ruimte, tijd, kleur, we ervaren ze zoals onze taal ons leert ze te ervaren.

    Dit is geen relativisme. Het is geen “alles mag”. Het is de erkenning dat werkelijkheid niet iets is dat buiten ons ligt en dat we passief waarnemen. Werkelijkheid is iets dat we actief, gezamenlijk, door taal scheppen in verhalen. En juist omdat het gezamenlijk is, juist omdat het institutioneel verankerd wordt, juist omdat het in machtsstructuren en tradities verhardt, kunnen we het niet zomaar individueel veranderen.

    Maar we kunnen het wel veranderen. Langzaam, collectief, door nieuwe verhalen te vertellen die geloofwaardiger, rechtvaardiger, werkbaarder zijn dan de oude. Dat is wat de Verlichting deed. Dat is wat elke revolutie doet. Dat is wat wetenschappelijke paradigmaverschuivingen doen. Ze scheppen niet uit het niets, maar ze herscheppen. Ze programmeren de werkelijkheid opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid. Wij zijn de narratieve aap. We leven niet van brood alleen, maar van de verhalen die we elkaar vertellen. En die verhalen zijn niet fantasie. Ze zijn de werkelijkheid waarin we leven, de enige werkelijkheid die we hebben.

    Positiekeuze

    Dit alles vraagt om één eerlijkheid. De stap die hier gezet wordt, van taal als beschrijving naar taal als constitutie van werkelijkheid, is geen conclusie die je uit de natuur kunt aflezen. Het is een ontologische keuze. Maar elke filosofie maakt zo’n keuze, of ze dat nu toegeeft of niet. Er bestaat geen positie buiten de taal van waaruit we kunnen controleren of onze taal klopt. Er bestaat geen fundament dat niet zelf al een verhaal is. Wie dat accepteert, kan blijven doen alsof hij alleen analyseert. Of hij kan erkennen dat hij, al denkend en schrijvend, een wereld bewoont en tegelijk helpt scheppen. Dit stuk kiest voor het laatste.

  • Van Agincourt naar Balaclava

    1. Inleiding

    Sommige gebeurtenissen blijven aan je trekken, ook als je eigenlijk allang verder zou moeten zijn met je leven. De Slag bij Agincourt op 25 oktober 1415, is voor mij zo’n gebeurtenis. De fascinatie begon toen ik rond mijn 15e Shakespeare’s Henry V zag, de uitvoering met Kenneth Branagh. Niet omdat ik een bijzondere liefde koester voor middeleeuwse ridders, vaandels of veldslagen, maar omdat Agincourt iets blootlegt wat zelden zo helder zichtbaar wordt: het moment waarop een wereldbeeld sterft.

    Agincourt wordt meestal verteld als een heldenverhaal. Engelse boogschutters, een kleine strijdmacht, een wonderlijke overwinning op een veel grotere Franse adel. Het soort geschiedenis dat graag wordt herhaald, omdat het goed past bij het idee dat moed, karakter en rechtvaardigheid uiteindelijk altijd winnen. Maar wie iets langer kijkt, ziet iets anders. Men ziet een sociale klasse, de ridderlijke elite van Europa, die met al haar eer, training en zelfbeeld een slagveld binnenloopt dat haar al lang niet meer toebehoort.

    Die fascinatie kreeg voor mij recent een onverwachte spiegel toen ik me verdiepte in een heel andere gebeurtenis: de Charge of the Light Brigade in de Krimoorlog, op 25 oktober 1854. Ook daar stormt een militaire elite vooruit, overtuigd van haar plicht, haar eer en haar rol in de geschiedenis. Ook daar eindigt dat in een bloedbad. En ook daar vertellen we het verhaal achteraf liever als een tragedie van heldendom dan als een voorbeeld van structureel falen.

    Wat deze twee veldslagen met elkaar verbindt, is niet hun tijdperk, hun wapens of hun politiek, ook niet de datum van 25 oktober. Het is iets fundamentelers: de botsing tussen een oud zelfbeeld en een nieuwe werkelijkheid. In beide gevallen rijdt of marcheert een elite letterlijk een ruimte binnen waar haar dood op haar wacht, een geometrie van geweld waarin moed geen uitweg biedt.

    Waarom zou iemand die normaal leest over organisaties, instituties, of cultuur hier aandacht aan moeten besteden? Omdat dit precies is hoe systemen falen. Niet omdat mensen slecht of dom zijn, maar omdat ze handelen binnen aannames die niet meer kloppen. Omdat ze vasthouden aan een beeld van zichzelf dat niet meer past bij de wereld waarin ze opereren.

    Agincourt en Balaclava zijn geen curiositeiten uit een ver verleden. Ze zijn twee extreem heldere momenten waarop dat mechanisme zichtbaar wordt. Daarom loont het om ze naast elkaar te leggen, niet om geschiedenis te hervertellen, maar om iets te begrijpen over hoe beschavingen, elites, maar ook organisaties, ten onder kunnen gaan terwijl ze denken dat ze hun plicht doen.

    2. Agincourt, de wereld vóór de klap

    In 1415 was Frankrijk het centrum van West-Europa. Het was rijk, cultureel dominant, en sociaal verfijnd. De grote hoven, de universiteiten, de literatuur, de mode; ze waren Frans. Wie ertoe deed, sprak Frans. Wie macht had, keek naar Parijs. Engeland daarentegen was nat, dunbevolkt en economisch afhankelijk van wol en landarbeid. Sinds de Normandische verovering in 1066 leefde het Engelse koningshuis met een permanente identiteitscrisis: hun adel was Frans, hun taal was Frans, hun cultuur was Frans, maar hun land was dat niet. De Engelse koning was in sociaal opzicht een Franse edelman die over een regenachtig eiland heerste.

    Die spanning zat diep. De Engelse aanspraken op Franse gebieden waren niet alleen territoriaal, maar existentieel. Het ging om erkenning: om het recht om bij die oude, rijke wereld te horen. Hendrik V’s veldtocht naar Frankrijk was daarom geen rationele veroveringsoorlog, maar een politieke gok. Hij had geld nodig, prestige, en vooral een overwinning die zijn positie thuis zou verankeren.

    Militair was het een riskante onderneming. Zijn leger bestond voor een groot deel uit boogschutters en voetknechten. Ze waren effectief, maar geen elite. De campagne verliep slecht. Ziekte, uitputting en vooral dysenterie teisterden het leger. Tegen de tijd dat Hendrik zich terugtrok richting de kust, richting een veilige overtocht naar Dover, was zijn leger letterlijk aan het leeglopen. Mannen stierven niet door Franse zwaarden, maar door hun eigen ingewanden.

    Aan Franse kant zag het er totaal anders uit. De Franse adel verzamelde zich niet in paniek, maar in een soort overmoedige zelfverzekerdheid. Hier kwam een uitgeput Engels leger langs, vermoeid, ziek en op de vlucht. In plaats van het te vernietigen, ontstond er iets veel menselijkers en veel gevaarlijkers, een strijd om eer. Wie zou de Engelse koning gevangen nemen? Wie zou de meeste edele gevangenen maken? Wie zou de roem oogsten van deze vrijwel zekere overwinning?

    De Fransen dachten niet in termen van slagorde of logistiek. Ze dachten in termen van status. De oorlog was voor hen een verlengstuk van de sociale hiërarchie. Gevangengenomen edelen konden worden vrijgekocht. Roem kon worden verzilverd. Een ridder bewees zijn waarde niet door efficiënt te doden, maar door zichtbaar en eervol te strijden.

    En precies dát wereldbeeld bepaalde ook waar de strijd zou plaatsvinden.

    Het Engelse leger kwam vast te zitten op een smalle strook land bij Agincourt, ingeklemd tussen twee bossen. Door weken van regen was de akker veranderd in een modderige massa waarin mens en paard nauwelijks vooruit konden. Het terrein vernauwde zich naar het Engelse front toe, een natuurlijke trechter. Wie van Franse zijde zou aanvallen, moest zich door die opening persen.

    Voor de Fransen leek dat geen probleem. Een charge door open veld was wat ridders deden. Dat was hun hele identiteit. Wat zij niet zagen, was dat het terrein hen zou dwingen om hun aantallen, hun paarden en hun harnassen tegen zichzelf te gebruiken. De ruimte waarin ze zich gingen bewegen was geen slagveld meer, maar een mechanische pers.

    De Engelsen hadden dat beter door, al was het misschien meer instinct dan inzicht. Hun boogschutters plaatsten hun palen, groeven zich in, en wachtten. Zij hadden geen eer te verdedigen, alleen een uitweg naar huis.

    Agincourt begon niet als een veldslag.

    Het begon als twee wereldbeelden die dezelfde ruimte anders lazen en waarvan er maar één gelijk zou krijgen.

    3. Balaclava, de wereld vóór de kill box

    In het midden van de negentiende eeuw was Groot-Brittannië wat Frankrijk in 1415 was geweest: het centrum van een wereld. Het Britse Rijk strekte zich uit over zeeën en continenten, Londen was het financiële hart van de planeet, en de Royal Navy beheerste de handelsroutes. Maar zoals zo vaak bij imperia was de glans groter dan de samenhang. Onder het oppervlak van industriële macht en administratieve moderniteit school een leger dat sociaal nog altijd werd bestuurd als een aristocratisch netwerk.

    Officieren waren geen professionele managers van geweld, maar leden van de juiste families. Rangen werden gekocht. Loyaliteit liep via sociale relaties, niet via heldere commandostructuren. De Britse cavalerie was het zuiverste voorbeeld van dat systeem: prachtig uitgerust, indrukwekkend om te zien, maar cultureel geworteld in een idee van oorlog als arena voor persoonlijke eer.

    De Krimoorlog zelf was een mistige onderneming. Hij werd gevoerd tegen Rusland, maar niet echt begrepen door het Britse publiek of door veel van de officieren. Het ging om invloedssferen, om de bescherming van het Ottomaanse Rijk, om Europese machtsbalans. Abstracties die zich slecht lieten vertalen naar het leven van een ruiter op een heuvel in de Krim. Wat wél duidelijk was, was dat het een oorlog was waarin men zich kon onderscheiden.

    Bij Balaclava lagen Britse en geallieerde troepen in een kwetsbare positie. De Russen hadden enkele hoogten veroverd en probeerden buitgemaakte Britse kanonnen weg te slepen. Het Britse opperbevel wilde dat voorkomen. Maar tussen die intentie en de mannen die hem moesten uitvoeren zat een hiërarchische machine van bevelen, boodschappers en interpretaties.

    Die machine werd bestuurd door mensen en in dit geval door twee mannen die elkaar actief wantrouwden. Lord Lucan, de commandant van de cavaleriedivisie, en Lord Cardigan, de commandant van de Light Brigade, waren zwagers en vijanden. Ze verachtten elkaar. Ze spraken nauwelijks met elkaar. Ieder bevel werd gelezen door de bril van persoonlijke rivaliteit: wat betekent dit voor míjn positie, míjn eer, míjn gelijk?

    Lord Raglan gaf een opdracht die op papier logisch was: de cavalerie moest voorkomen dat de Russen de kanonnen meenamen. Hij zag het slagveld vanaf een hoogte. Lucan en Cardigan bevonden zich beneden in de vallei. Wat Raglan zag, zagen zij niet. Wat zij zagen, was een batterij Russische artillerie recht voor zich.

    Lucan gaf het bevel door. Cardigan begreep dat het verkeerd moest zijn, maar niet dat hij het mocht of kon betwisten. En Lucan had geen enkele neiging om het toe te lichten aan een man die hij toch al wantrouwde.

    En zoals bij Agincourt werd hier een ruimte verkeerd gelezen.

    De vallei bij Balaclava was lang en smal, met heuvels aan beide zijden. Op die heuvels stonden Russische kanonnen en infanterie. Het midden van de vallei leek een open pad naar een vijandelijk doel, maar was in werkelijkheid een schietbaan. Wie die ruimte inreed, werd van drie kanten onder vuur genomen.

    De Britse lichte cavalerie was niet dom. Maar ze was getraind om te gehoorzamen, om charges uit te voeren, om niet te twijfelen. In een systeem waarin eer belangrijker was dan begrip, was twijfel een fout.

    De Light Brigade reed dus niet de strijd in.

    Ze reed een systeem binnen waarin onduidelijkheid, hiërarchie en persoonlijke vijandschap samen een perfecte kill box hadden gevormd.

    4. Twee trechters

    Zowel Agincourt als Balaclava worden traditioneel beschreven als fouten: verkeerde beslissingen, slechte bevelen, pech. Dat is te oppervlakkig. In beide gevallen was de uitkomst in hoge mate bepaald door de structuur van de ruimte waarin de strijd werd gevoerd, gecombineerd met het sociale en technische systeem dat die ruimte moest betreden.

    De fysieke vorm van beide slagvelden was vergelijkbaar. Bij Agincourt bevond het Franse leger zich tegenover een Engelse positie die was ingeklemd tussen twee bossen. De open akker ervoor fungeerde als een vernauwende corridor. Naarmate de Fransen naderden, werd de beschikbare breedte kleiner. Dat dwong een steeds grotere massa ridders en paarden in een steeds smallere doorgang. Bij Balaclava gebeurde hetzelfde: een lange vallei met heuvels aan beide zijden leidde de Light Brigade recht naar het centrum, terwijl vuur vanaf de flanken en van voren mogelijk bleef.

    In beide gevallen was de aanval geen beweging in open terrein, maar een beweging in een trechter. Dat betekende geen uitwijkmogelijkheden, geen spreiding, geen hergroepering. Wie eenmaal binnen was, kon alleen vooruit of sterven.

    Die geometrie werkte dodelijk omdat ze samenviel met een sociale structuur die op aanval was gebouwd. De Franse ridderadel en de officieren van de Britse lichte cavalerie vervulden dezelfde rol in hun respectieve samenlevingen. Het waren elites die hun status ontleenden aan zichtbare, offensieve actie. Hun hele opleiding, eergevoel en zelfbeeld waren gericht op vooruitgaan, niet op stoppen, terugtrekken of heroverwegen.

    Daar kwam een technische factor bij. In 1415 betekende dat longbows tegenover zwaar gepantserde ridders. De vuurkracht lag bij de verdediger. In 1854 betekende het moderne artillerie en infanterievuur tegenover cavalerie. Opnieuw lag de vernietigende capaciteit niet bij de aanvaller, maar bij wie de ruimte beheerste.

    Het cruciale punt is dat geen van beide aanvallen in abstracto irrationeel was. Een Franse riddercharge in 1415 was logisch binnen het toenmalige oorlogsdenken. En ook in 1854 was een cavalerie-aanval op artillerie een bekende en soms succesvolle tactiek. Het oorspronkelijke Britse bevel, het verhinderen dat de Russen de kanonnen meenamen, was militair verdedigbaar.

    Wat fataal werd, was niet het bevel, maar het systeem waarin het werd uitgevoerd.

    Bij Balaclava liet de Heavy Brigade zien dat dat systeem in principe correctie toeliet. Zij begon haar aanval, maar brak deze af toen bleek dat doorzetten zinloos zou zijn. Dat betekende dat het mogelijk was om een bevel te interpreteren in het licht van de werkelijkheid. De Light Brigade kon dat niet. Haar rol, haar cultuur en haar eerbegrip maakten stoppen ondenkbaar.

    Hetzelfde gold bij Agincourt. Ook daar kon de voorste linie niet stoppen zonder door de achterste te worden voortgeduwd. Niet omdat iemand dat expliciet beval, maar omdat de sociale en fysieke structuur geen andere beweging toestond.

    De uitkomst van beide veldslagen was daarom niet het gevolg van slechte besluiten, maar van systemen die geen effectieve correctie meer toelieten. Topografie, technologie en sociale logica dwongen samen één richting af: naar voren, het vuur in.

    Agincourt en Balaclava waren geen incidenten. Het waren twee manifestaties van hetzelfde mechanisme.

    5. De wereld op het spel

    Agincourt en Balaclava worden meestal herinnerd als tragedies van moed. Dat is begrijpelijk, maar misleidend. Wie iets langer kijkt, ziet dat het hier niet in de eerste plaats gaat om dappere mannen die sneuvelden, maar om mensen die vastzaten in rollen die niet meer pasten bij de wereld waarin zij opereerden. De Franse ridder en de Britse cavalerieofficier waren geen individuen die een verkeerde keuze maakten; zij waren dragers van een orde die zichzelf aan het opheffen was. En niet te vergeten, de gewone voetsoldaat in 1415 en de gewone cavalerist in 1854, waren de eerste slachtoffers. Maar het waren de adel en de officiersklasse die hun systematische einde vonden.

    Dat maakt hun lot zo ongemakkelijk. Zij stierven niet omdat zij laf waren of dom, maar omdat zij precies deden wat van hen verwacht werd. Hun eer, hun opleiding en hun plaats in de samenleving dwongen hen vooruit, ook toen vooruitgaan geen betekenis meer had. Dat is wat systeemfalen zo verraderlijk maakt: het vraagt geen slechte mensen, alleen gehoorzame.

    Daarmee raken we aan iets groters dan twee veldslagen. In zowel 1415 als 1854 verdween niet alleen een groep soldaten, maar een wereld. Agincourt betekende het einde van de ridder als centrum van de oorlog. Balaclava markeerde het moment waarop de cavalerie als morele elite haar functie verloor. Wat stierf, was een antwoord op de vraag wie er recht had om voorop te gaan. Wat stierf, was een sociale orde die zichzelf eeuwenlang vanzelfsprekend had gevonden.

    Dat patroon is niet voorbije geschiedenis. Het is structureel actueel. Iedere tijd kent zijn elites die gevormd zijn door een wereld die al aan het verdwijnen is. Organisaties, beroepsgroepen en instituties blijven doen wat altijd gewerkt heeft, juist op het moment dat het niet meer werkt. Zij drukken mensen naar voren omdat stoppen status kost. Omdat twijfel niet in hun vocabulaire zit. Omdat hun identiteit afhangt van beweging, niet van reflectie.

    Wie dat herkent, ziet Agincourt en Balaclava niet als curiositeiten, maar als vroege versies van iets wat zich steeds opnieuw voltrekt. De technologie verandert, de hiërarchieën veranderen, maar het mechanisme blijft: een systeem dat geen correctie verdraagt, jaagt zijn eigen mensen een trechter in.

    En toch blijven we deze gebeurtenissen vertellen als heldenverhalen. Shakespeare gaf Agincourt zijn verheven taal. Tennyson gaf Balaclava zijn bezwerende ritme. Dat is geen toeval. Culturen hebben verhalen nodig waarin zinloos lijden wordt omgezet in betekenis. Poëzie en mythe zijn manieren om niet te hoeven erkennen dat niemand het stuur vasthield.

    Misschien is dat de diepste overeenkomst tussen deze twee veldslagen. Niet dat ze zo bloederig waren, maar dat we ze zo graag mooi maken. Omdat het ondraaglijk is om te zien hoe gemakkelijk mensen sterven wanneer systemen belangrijker worden dan inzicht. Omdat het pijnlijk is om te erkennen dat ook wij, hier en nu, nog steeds leven in werelden die al aan het verschuiven zijn.

    6. Poëzie als verslaggever

    Wat in Agincourt en Balaclava gebeurde, werd niet alleen vastgelegd in kronieken en rapporten, maar ook in taal. In poëzie en toneel werd de rauwe mechaniek van de dood omgezet in iets wat mensen konden verdragen: eer, plicht, schoonheid, roem.

    De volgende fragmenten laten niet zien wat er gebeurde, maar hoe wij het aan onszelf zijn blijven vertellen.

    Context: de Fransen worden verslagen.

    De Franse hertog van Bourbon:
    Shame, and eternal shame, nothing but shame!
    Let us die. In once more! Back again!
    And he that will not follow Bourbon now,
    Let him go hence, and with his cap in hand
    Like a base pander hold the chamber door,
    Whilst by a slave, no gentler dan my dog,
    His fairest daughter is contaminate.

    (William Shakespeare: Henry V, Act IV, Scene V)

    Hier spreekt geen strategie, maar status. Verlies wordt niet begrepen als een militaire realiteit, maar als een aantasting van eer. Wie niet opnieuw aanvalt, verliest zijn plaats in de wereld.

    Context: De Engelsen vermoorden hun krijgsgevangenen omdat ze denken dat de Fransen versterkingen krijgen

    Koning Henry V:
    But hark, what new alarum is this same?
    The French have reinforced their scattered men.
    Then every soldier kill his prisoners.
    Give the word through.

    (William Shakespeare: Henry V, Act IV, Scene VI)

    De ridderlijke oorlog is hier al voorbij. Wat overblijft is een bevel, uitgevaardigd zonder pathos, uitgevoerd zonder discussie. Het slagveld is een systeem geworden. Ook de taal van Shakespeare is hier niet meer poëtisch, maar zakelijk.

    Enkele dagen na de aanval bij Balaclava schreef Tennyson:

    Half a league, half a league,
    Half a league onward,
    All in the valley of Death
    Rode the six hundred.
    “Forward, the Light Brigade!
    Charge for the guns!” he said.
    Into the valley of Death
    Rode the six hundred.

    “Forward, the Light Brigade!”
    Was there a man dismay’d?
    Not tho’ the soldier knew
    Someone had blunder’d:
    Theirs not to make reply,
    Theirs not to reason why,
    Theirs but to do and die:
    Into the valley of Death
    Rode the six hundred.

    (Alfred, lord Tennyson: The charge of the Light Brigade)

    Hier is de trechter niet langer een terrein, maar een ritme. Het gedicht doet met de lezer wat het systeem met de brigade deed: het laat je meelopen, zonder ruimte voor twijfel.

  • 6. Cultuur en governance: het speelveld van compliance

    Begrippen en uitgangspunten

    Wie over cultuur en governance spreekt, begeeft zich snel op glad ijs. Begrippen worden vaag gebruikt, normatief ingevuld of gereduceerd tot slogans. Voor compliance is dat riskant. Juist omdat compliance geen abstracte rol vervult, maar opereert binnen organisaties, met reële machtsverhoudingen en belangen, is begripsdiscipline hier geen academische luxe maar een praktische noodzaak.

    In dit hoofdstuk worden daarom drie begrippen functioneel afgebakend: cultuur, governance en compliance. Niet om een theoretisch kader te bouwen, maar om scherp te krijgen waar compliance zich feitelijk bevindt en waarom zij daar soms effectief is en soms niet.

    Cultuur wordt hier niet opgevat als een set waarden of ambities, maar als het geheel van impliciete normen, routines en verwachtingen dat feitelijk gedrag stuurt. Cultuur blijkt niet uit wat organisaties opschrijven, maar uit wat zij belonen, tolereren of negeren. Wie carrière maakt, wie wordt beschermd bij fouten, wie mag afwijken en wie wordt aangesproken: daarin manifesteert zich de werkelijke cultuur van een organisatie. Voor compliance is cultuur geen instrument en geen project, maar een gegeven realiteit waarbinnen zij haar rol moet vervullen.

    Governance wordt in dit hoofdstuk niet benaderd als een organogram of een verzameling reglementen. Governance gaat over de wijze waarop macht, verantwoordelijkheid en tegenmacht zijn georganiseerd en uitgeoefend, waarbij tegenmacht niet primair oppositioneel is, maar corrigerend en begrenzend. Het betreft de verdeling van beslissingsbevoegdheden, toezicht, verantwoording en correctiemechanismen binnen een organisatie. Governance is daarmee niet statisch: zij functioneert in de dagelijkse praktijk, in besluitvorming, escalatie en het al dan niet serieus nemen van signalen.

    Compliance tenslotte wordt hier nadrukkelijk niet gedefinieerd als een normstellende of moraliserende functie. De kern van compliance ligt in een onderzoekende, toetsende en informerende rol. Compliance verzamelt, weegt en duidt relevante normen, feiten en risico’s, en stelt die informatie beschikbaar aan de partijen die binnen de governance verantwoordelijk zijn voor besluitvorming. Compliance neemt daarbij geen eigen bestuurlijk standpunt in. Dat betekent overigens niet dat compliance geen oordeel geeft, maar dat dit oordeel altijd gebaseerd is op normen die van buiten de compliancefunctie komen. Tegenspraak is geen uitgangspunt, maar kan het gevolg zijn van zorgvuldig onderzoek en heldere duiding. Conflict is dus nooit het doel, maar moet ook niet al te nadrukkelijk worden vermeden.

    Deze positionering is essentieel. Wanneer compliance wordt opgevat als interne tegenmacht of als moreel kompas, raakt zij al snel verstrikt in rolverwarring en weerstand. Wanneer compliance daarentegen wordt begrepen als een functie die transparantie creëert over normen, risico’s en consequenties, ontstaat ruimte voor volwassen besluitvorming. Dat maakt compliance minder spectaculair, maar structureel relevanter.

    Vanuit deze begripsafbakening wordt in de volgende paragrafen verkend hoe cultuur en governance het speelveld bepalen waarbinnen compliance opereert. Niet als vrij zwevende functie, maar als onderdeel van een organisatie waarin macht, belangen en verantwoordelijkheid onvermijdelijk samenkomen.

    Governance als verdeling van macht, verantwoordelijkheid en tegenmacht

    Governance bepaalt niet alleen wie formeel beslist, maar vooral hoe besluiten tot stand komen, worden getoetst en zo nodig worden gecorrigeerd. In dat opzicht is governance minder een stelsel van regels dan een ordening van macht, verantwoordelijkheid en tegenmacht. Juist dat kader vormt het speelveld waarbinnen compliance functioneert.

    In veel organisaties wordt governance nog primair begrepen als structuur: bestuur, toezicht, commissies, reglementen. Die structuur is noodzakelijk, maar zegt weinig over de feitelijke werking. Governance manifesteert zich pas in de praktijk, in wie gehoord wordt, welke signalen serieus worden genomen, hoe afwijkingen worden besproken en waar besluitvorming daadwerkelijk stopt. Daarin worden machtsverhoudingen zichtbaar die niet altijd samenvallen met formele posities.

    Voor compliance is dit onderscheid cruciaal. Compliance opereert nooit in een machtsvacuüm. Zij is afhankelijk van de ruimte die governance laat voor onderzoek, toetsing en duiding, én van de bereidheid van bestuur en toezicht om met die informatie iets te doen. Governance kan compliance ondersteunen door transparantie en aanspreekbaarheid te organiseren, maar kan haar ook neutraliseren door signalen te parkeren, te heretiketteren of te verdunnen in besluitvorming.

    Een belangrijk spanningsveld daarbij is dat tussen autonomie en onafhankelijkheid. Autonomie ziet op de handelingsruimte van de compliancefunctie: de mogelijkheid om eigen onderzoeken te doen, prioriteiten te stellen en onderwerpen te agenderen. Onafhankelijkheid ziet op de oordeelsvorming: de mate waarin conclusies kunnen worden getrokken en gedeeld zonder oneigenlijke beïnvloeding of repercussies. In de praktijk zijn deze begrippen niet identiek en zeker niet altijd verenigd.

    Volledige autonomie is voor compliance noch haalbaar, noch wenselijk. Compliance maakt onderdeel uit van de organisatie en functioneert binnen de kaders die bestuur en governance stellen. Functionele onafhankelijkheid daarentegen is essentieel. Zonder die onafhankelijkheid verwordt compliance tot uitvoerder van bestuurlijke voorkeuren of tot verlengstuk van andere functies. Governance moet die onafhankelijkheid expliciet borgen, juist omdat compliance zelf geen beslissingsmacht heeft.

    In organisaties met een Raad van Commissarissen of vergelijkbaar toezichthoudend orgaan krijgt dit spanningsveld een extra dimensie. De aanwezigheid van toezicht creëert een aanvullend referentiepunt voor compliance, los van de dagelijkse bestuurlijke lijn. Daarmee ontstaat overigens niet automatisch betere compliance, maar wel een bredere institutionele context waarin signalen kunnen worden gewogen en waarin betere compliance mogelijk wordt. De precieze invulling daarvan verschilt per organisatie en wordt in de volgende paragraaf nader uitgewerkt.

    Wat hier van belang is, is dat governance geen oplossing is voor compliancevraagstukken, maar een randvoorwaarde. Governance bepaalt of compliance informatie kan verzamelen, delen en laten landen. Waar governance vooral gericht is op snelheid, consensus of het vermijden van ongemak, zal compliance structureel moeite hebben haar rol te vervullen. Waar governance ruimte laat voor reflectie en begrenzing, kan compliance functioneren zonder zichzelf te hoeven overschreeuwen.

    Daarmee is governance geen neutrale achtergrond, maar een actieve factor in de effectiviteit van compliance. Niet door wat zij voorschrijft, maar door wat zij mogelijk maakt – of juist onmogelijk maakt.

    De positie van de compliance officer in de governance-structuur

    De positie van de compliance officer wordt in hoge mate bepaald door de governance-structuur waarbinnen zij opereert. Niet alleen door formele rapportagelijnen, maar door de samenhang tussen gezag, mandaat, toegang en bescherming. Juist omdat compliance geen beslissingsbevoegdheid heeft, is haar effectiviteit afhankelijk van de wijze waarop deze elementen institutioneel zijn geborgd.

    In de praktijk rapporteert de compliance officer doorgaans aan de Raad van Bestuur. Van het bestuur ontvangt zij haar opdracht, haar budget en het gezag om haar rol te vervullen binnen de organisatie. Die bestuurlijke inbedding is noodzakelijk: zonder toegang tot besluitvorming en zonder formele positionering kan compliance haar onderzoekende en toetsende rol niet effectief uitoefenen.

    Tegelijkertijd vraagt de aard van de compliancefunctie om een aanvullende borging. In goed ingerichte governance-structuren wordt de compliance officer daarom vaak benoemd en ontslagen door de Raad van Commissarissen of een daarmee vergelijkbaar toezichthoudend orgaan als dat tenminste bestaat. Bij kleine organisaties zie je vaak een externe compliance officer. Deze is dan weliswaar niet goed beschermd, maar evenmin van het bestuur afhankelijk voor diens carrière. Daarmee wordt onderstreept dat compliance geen verlengstuk is van het dagelijks bestuur, maar een functie met een zelfstandige verantwoordelijkheid binnen het bredere governance-kader.

    Deze constructie creëert een spanning die niet moet worden opgelost, maar beheerst. Enerzijds is compliance afhankelijk van het bestuur voor haar dagelijkse functioneren. Anderzijds biedt de toezichthoudende verankering bescherming tegen situaties waarin signalen structureel worden genegeerd of geneutraliseerd. De mogelijkheid tot escalatie richting toezicht is geen alternatief voor bestuurlijke besluitvorming, maar een noodmechanisme voor uitzonderlijke omstandigheden.

    Van belang is daarbij dat het bestaan van deze escalatieroute vaak belangrijker is dan het feitelijke gebruik ervan. Governance werkt hier preventief, de wetenschap dat signalen niet uitsluitend binnen de bestuurlijke lijn hoeven te blijven, beïnvloedt het gesprek nog vóórdat escalatie aan de orde is. Daarmee draagt governance bij aan de onafhankelijkheid van compliance zonder haar los te maken van de organisatie.

    De positie van de compliance officer wordt daarmee niet gekenmerkt door formele macht, maar door functionele legitimiteit. Die legitimiteit ontstaat uit een combinatie van duidelijke mandatering, bestuurlijke steun en toezichthoudende borging. Waar één van deze elementen ontbreekt, verschuift compliance mogelijk richting symboliek of formaliteit.

    In de volgende paragraaf wordt verkend hoe deze positionering in de praktijk samenkomt met cultuurconflicten die juist in groeiende organisaties zichtbaar worden, en welke spanning dat oplevert voor de dagelijkse invulling van de compliancefunctie.

    Cultuurconflicten in groeiende organisaties

    Cultuurconflicten worden vaak pas zichtbaar wanneer organisaties groeien. Niet omdat cultuur daarvoor afwezig is, maar omdat impliciete normen en informele werkwijzen onder druk komen te staan zodra schaal, complexiteit en externe verwachtingen toenemen. Wat lange tijd werkte op basis van nabijheid en vakmanschap, wordt dan geconfronteerd met de noodzaak tot explicitering, standaardisering en verantwoording.

    In groeiende organisaties bestaat cultuur vaak bij de gratie van persoonlijke relaties, professionele reputatie en wederzijds vertrouwen. Besluiten worden genomen op basis van gedeeld begrip, afwijkingen worden informeel besproken en fouten worden hersteld zonder formele escalatie. Die nabijheid kan krachtig zijn, maar is kwetsbaar. Naarmate de organisatie groeit, nemen afstand en differentiatie toe. Niet iedereen kent elkaar nog, belangen lopen uiteen en impliciete aannames worden minder vanzelfsprekend gedeeld.

    Juist op dat punt ontstaan cultuurconflicten die compliance direct raken. Wat door de één wordt ervaren als gezond professioneel oordeel, wordt door een ander gezien als onduidelijkheid of willekeur. Wat eerder gold als pragmatisme, kan onder externe druk worden herijkt als risico. Compliance bevindt zich in die situaties vaak op het snijvlak: niet als veroorzaker van de spanning, maar als degene die haar zichtbaar maakt.

    Een terugkerend spanningsveld is dat tussen vakmanschap en optimalisatie. Vakmanschap veronderstelt tijd, reflectie en professionele autonomie. Optimalisatie stuurt op snelheid, uniformiteit en schaalvoordelen. Beide zijn legitiem, maar zij verdragen elkaar niet altijd vanzelf. Waar groei leidt tot nadruk op efficiëntie en beheersing, kan dat botsen met bestaande professionele normen. Compliance krijgt dan al snel het verwijt formalistisch of vertragend te zijn, terwijl zij feitelijk wijst op grenzen die eerder impliciet werden gerespecteerd.

    In organisaties van beperkte schaal blijft cultuur vaak sterker bepalend dan formeel beleid. Zelfs bij organisaties die in absolute zin omvangrijk zijn maar met relatief korte lijnen en zichtbare personen wegen informele signalen zwaarder dan procedures. Voor compliance betekent dit dat formele instrumenten alleen effectief zijn wanneer zij aansluiten bij de bestaande cultuur, of wanneer governance expliciet ruimte creëert om die cultuur ter discussie te stellen.

    Deze spanning wordt versterkt wanneer groei gepaard gaat met externe invloeden: nieuwe toezichthouders, aangescherpte regelgeving, investeerders of maatschappelijke verwachtingen. Wat intern logisch en werkbaar was, wordt extern anders gewaardeerd. Compliance fungeert dan vaak als vertaler tussen werelden, maar ontmoet tegelijk weerstand van binnenuit. Niet omdat de boodschap onjuist is, maar omdat zij raakt aan diepgewortelde aannames over hoe het “altijd ging”.

    Het is van belang te onderkennen dat deze cultuurconflicten geen falen van compliance zijn. Zij zijn het gevolg van veranderende omstandigheden waarin bestaande normen niet langer vanzelfsprekend functioneren. Compliance kan deze spanning niet oplossen, maar wel expliciteren. Dat vraagt om bestuurlijke bereidheid om ongemak te verdragen en om governance die ruimte laat voor reflectie, juist wanneer de druk toeneemt.

    In die zin vormt cultuur geen achtergronddecor, maar een dynamisch krachtenveld. Naarmate organisaties groeien, verschuift dat veld. Compliance opereert daarin niet als scheidsrechter, maar als signaalfunctie. Of die signalen vervolgens leiden tot aanpassing, begrenzing of bevestiging van bestaand gedrag, is uiteindelijk een governancevraagstuk.

    Governance als randvoorwaarde voor effectieve compliance

    Governance is geen oplossing voor compliancevraagstukken, maar een noodzakelijke randvoorwaarde voor het functioneren van de compliancefunctie. Zij bepaalt of compliance kan waarnemen, onderzoeken en informeren, en of die informatie vervolgens betekenis krijgt in besluitvorming. Zonder passende governance kan compliance formeel aanwezig zijn, maar materieel tandeloos blijven.

    Binnen organisaties is governance verdeeld over verschillende organen, ieder met een eigen rol en verantwoordelijkheid. Aan de basis staat de aandeelhoudersvergadering of, in partnerschapsstructuren, de partnervergadering. Hier liggen de uiteindelijke zeggenschap en de economische belangen. In sommige organisaties wordt deze laag beïnvloed door externe partijen, zoals private equity, die aanvullende prikkels introduceren gericht op groei, rendement en tijdshorizon. Waar zeggenschap en economisch belang zijn gescheiden, bijvoorbeeld via een STAK, ontstaat een extra governance-laag die zowel stabiliserend als vertragend kan werken.

    Het bestuur draagt de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse leiding en is de primaire gesprekspartner van compliance. Hier worden keuzes gemaakt, prioriteiten gesteld en risico’s geaccepteerd of gemitigeerd. De Raad van Commissarissen of een vergelijkbaar toezichthoudend orgaan houdt toezicht op het bestuur en vormt de institutionele tegenmacht. Niet door zelf te besturen, maar door te toetsen, te bevragen en zo nodig te begrenzen. In die gelaagde structuur krijgt compliance haar betekenis, niet als besluitvormer, maar als bron van informatie en duiding voor zowel bestuur als toezicht.

    In sommige organisaties speelt ook de ondernemingsraad een rol in het governance-landschap. Hoewel de OR geen formele rol heeft in compliancebesluitvorming, kan zij signalen afgeven over cultuur, werkdruk en sociale veiligheid die relevant zijn voor het functioneren van compliance. Ook hier geldt dat effectiviteit niet zit in formele bevoegdheden, maar in de bereidheid van andere governance-organen om signalen serieus te nemen.

    De plaats van compliance binnen dit geheel is daarmee niet los te zien van schaal en complexiteit. In grotere organisaties is functiescheiding vaak mogelijk en wenselijk. In kleinere en middelgrote organisaties ligt dat anders. Daar is het gebruikelijk dat compliance wordt gecombineerd met risicomanagement en soms ook met specialistische rollen zoals die van functionaris gegevensbescherming of CISO. Dat is geen tekortkoming, maar een realiteit. Functiescheiding is in zulke contexten een luxe; rolzuiverheid is een vereiste.

    Dat betekent dat helder moet zijn vanuit welke rol wordt gehandeld, welke belangen worden gediend en welke waarborgen zijn getroffen om belangenverstrengeling te voorkomen. Juist in gecombineerde functies is governance bepalend. Duidelijke mandaten, transparante rapportagelijnen en toegang tot bestuur en toezicht zijn belangrijker dan formele organisatorische scheiding.

    Effectieve compliance ontstaat daarmee niet door het optuigen van structuren, maar door samenhang. Samenhang tussen organen, tussen rollen en tussen formele bevoegdheden en informele praktijk. Governance creëert die samenhang niet automatisch, maar kan haar wel mogelijk maken. Waar governance fragmentarisch is of primair gericht op beheersing en snelheid, zal compliance moeite hebben haar rol te vervullen. Waar governance ruimte laat voor reflectie, begrenzing en aanspreekbaarheid, kan compliance functioneren zonder zichzelf te hoeven overschreeuwen.

    In die zin is governance geen decor en geen sluitstuk, maar een voorwaarde. Niet voor perfecte compliance, maar voor betekenisvolle compliance: een functie die bijdraagt aan geïnformeerde besluitvorming binnen een organisatie die bereid is haar eigen spanningen onder ogen te zien.

  • Innoveren we nog een beetje?

    Ik lees met enige regelmaat van binnen en buiten de sector commentaren als zou de accountancy niet innovatief zijn. Zit daar iets in?

    Ik denk dat dat vooral een kwestie van perspectief is. Komt het commentaar van mensen die dag in, dag uit in de sector werkzaam zijn of van omstanders en mensen die vanaf de kant hun commentaar geven? Niet dat de een meer gelijk heeft dan de ander, maar het perspectief van waaruit men spreekt is wel een indicatie voor hoe dit soort uitspraken te verstaan.

    Een ander punt dat naar mijn gevoel mee speelt is de leeftijd van de spreker. Als je, zoals ik, een vijftiger bent dan is er een redelijke kans dat je enerzijds ongeduldig bent en anderzijds denkt dat je alles al een keer gezien hebt. De verwondering van de jeugd maakt op enig moment plaats voor berusting of cynisme. Het kan er toe leiden dat je niets meer goed genoeg vindt, maar ook dat je haast begint te krijgen.

    Laat ik wat perspectieven benoemen, zonder daarmee een uitspraak te willen doen over of de sector innoveert, of dat genoeg is, of dat allemaal maar hijgerig gehype is. Gewoon, wat context en perspectief.

    Om met iets te beginnen dat in deze maand relevant is. Als ik terug denk aan de kerstboom die ik me als kleuter herinner, dan was dat een echte spar, met zilveren slingers, zilveren en rode ballen en een zilveren piek. En één “bijzondere” bal, een witte met zilveren en blauwe versierselen. Alle ballen van glas overigens. En verder waren er kaarsjes op kandelaartjes die je aan een tak kon klemmen. Levensgevaarlijk, maar wel mooi. De boom was zonder kluit en stond op een kruis van houten plankjes die op de onderkant van de boom waren gespijkerd.

    De kerstboom die we vandaag in huis hebben is nog steeds een echte spar, met slingers, ballen en een piek.

    Kerstboom

    Niet erg innovatief, zo beschouwd, in 50 jaar tijd gewoon nog hetzelfde concept. Maar, nu met bijzondere kerstballen, herinneringsballen noemen wij ze, die we hebben uitgezocht om bijzondere momenten te markeren. Vorig jaar bijvoorbeeld een kerstbal in de vorm van een tractor om te herinneren dat ik bij aaff ging werken

    aaff

    en dit jaar een kerstbal in de vorm van een rolkoffer ter herinnering aan onze vakantie in Canada en een in de vorm van een verlovingsring om de verloving van mijn oudste zoon en zijn vriendin te memoreren.

    De boom is verder versierd met lichtjes, elektrisch, met instelbare felheid. De kluitloze boom staat in een vernuftige voet die met een soort pedaal om de stam wordt geklemd en die gevuld wordt met water om stevigheid te geven en om de boom te voeden. Wie het wil zien, ziet innovaties genoeg. Wie het niet wil zien, ziet vooral een behoudende traditie.

    Een ander perspectief, om iets aan te geven over specifiek mijn generatie. Toen ik geboren werd was Soyuz 8 net terug uit de ruimte en stond Apollo 12 op het punt naar de maan te vertrekken. De IBM S/360 domineerde het computerlandschap, de S/370 moest nog komen. Het idee van thuiscomputers of computers voor normale kantoormensen was zacht gezegd nog hooguit een absurde gedachte bij een enkeling. 2001: A space odyssey was het toppunt van science fiction met voor de tijd grandioze special effects en een verteltempo waar iedereen nu bij in slaap valt.

    In de afgelopen 56 heb ik een paar dingen meegemaakt. De komst van de thuiscomputer en de PC in kantooromgevingen, de komst van internet, het fenomeen dat iedereen altijd en overal een smartphone (draadloos!!!!) bij zich heeft met internettoegang, ondenkbaar grote opslagcapaciteit, toegang tot media. De evolutie van Yahoo en AltaVista via Google naar ChatGPT. Ik heb het linkse terrorisme en de afscheidingsbewegingen in Europa meegemaakt, van RAF, IRA, ETA, PKK, CCC, Rode Brigades, en wat niet al tot aan de PLO en dergelijke, met bomaanslagen, vliegtuigkapingen en ontvoeringen, de val van de muur in Berlijn en de ondergang van Sovjet Unie en Warschau Pact. Vervolgens de opkomst van, en vooral angst voor, moslim-terrorisme, de hernieuwde agressie van Rusland en het einde van het vertrouwen in de VS binnen NATO-verband. In diezelfde periode ging Nederland van een stevige protestantse en iets lossere katholieke poot met ook nog liberalen en socialisten naar een seculiere samenleving die ineens moest wennen aan moslims, de verzuiling hield op, en na een periode van libertaire vrijheid zagen we de maatschappij weer behoorlijk preuts en conservatief worden. Ik herinner me de zwart/wit tv met daarop Nederland 1, Nederland 2, BRT 1, BRT 2, Duitsland 1, 2 en 3. En nu is TV kijken via kleur en oneindig veel netten alweer op zijn retour ten gunste van online entertainment, streamers en YouTube.

    Als je dat een beetje op je laat inwerken, en je kan dat nog met duizend andere onderwerpen aanvullen, dan valt moeilijk te ontkennen dat er best wat dingen veranderd zijn in de afgelopen decennia. Binnen dat perspectief kan je over alles verwonderd zijn, maar je kan ook alles afdoen als onbelangrijk, en niet groots en meeslepend genoeg om onder de indruk te zijn. Beide visies zijn legitiem, want beide visies zijn geen feitelijke constatering, maar een persoonlijke waardering afhankelijk van je perspectief.

    Zijn er feiten uit onze sector te benoemen? jazeker wel. Ik noem er een paar, en iedereen maakt zelf maar uit of ze innovatief genoeg zijn om verwonderd over te zijn. Ik beperk me tot de ontwikkelingen die ik in mijn professionele leven heb meegemaakt, dus een periode aanzienlijk korter dan mijn totale leven:

    • Definitieve vestiging van het risico-analyse-model en het einde van de synthetische controle-aanpak
    • Opkomst van de computer in de controle
    • Introductie van het elektronische dossier en het einde van het papieren dossier
    • E-mail
    • Electronische agenda’s en PDA’s
    • Mobiele telefoons
    • IFRS
    • Sarbanes-Oxley
    • De Wet computercriminaliteit
    • De Wet ter voorkoming van Witwassen en Financiering van Terrorisme
    • AVG
    • De Wet Toezicht Accountantsorganisaties
    • Afschaffing van de fraudemelding en het loket buiten de wettelijke controle
    • Invoering van de VGC en de VGBA
    • ISQC, ISQM, NVKS, NVKM, SKM
    • IDEA, ACL, Proces Mining, data-analyse
    • Verschuiving van systeemgerichte controle naar gegevensgerichte controle
    • Afbrokkelen natuurlijke adviesfunctie
    • Groei van ERP-systemen
    • Introductie van private equity in de sector
    • Big 8 worden big 5. Ondergang van Arthur Anderson
    • Consolidatie in de nationale kantoren, begin Europese consolidatie
    • CSRD en algeheel bewustzijn van bredere functie dan alleen de financiële functie voor sector en klanten
    • Werken op kantoor, bij de klant, thuis, toch weer op kantoor
    • Zoom. Teams.
    • De bastions van blanke mannen worden bestormd door vrouwen en iets minder blanke mannen
    • TUACC. BST.
    • Samengaan NOVAA en NIVRA tot NBA, ontstaan (nieuwe) NOVAA.

    En ja, ook deze lijst kan tot in het ondenkbare worden aangevuld, het is wat me zo snel te binnen schiet.

    Mijn punt? Innovatie genoeg, als je dat zo wil zien. Alles blijft bij het oude, voor wie dat zo wil zien.

  • De taal van de organisatie

    We geloven graag dat organisaties uit regels bestaan, maar het omgekeerde is waar: regels bestaan omdat wij proberen orde te maken in wat eigenlijk wanorde is. Achter beleid en procedures schuilt iets menselijks: de angst voor betekenisloosheid. Dit verhaal gaat over die drang tot orde, over verhalen die systemen worden, en over de mens die, ondanks alles, blijft vertellen.

    De behoefte aan orde

    Aan het einde van mijn accountantsstudie aan Nyenrode wilde ik een scriptie schrijven over “Belief Systems” uit Levers of Control van Simons. Ik vond dat boek fantastisch en inspirerend en wilde onderzoeken of valt aan te tonen dat Belief Systems werken. Spoiler: dat kan inderdaad.

    In de literatuurstudie die ik deed las ik Karl Weicks Sensemaking in Organizations en ik was overrompeld. Ik las het in eerste instantie uit professionele nieuwsgierigheid, maar het trof me als iets dat groter was dan theorie. Tot dat moment dacht ik over organisaties zoals de meeste mensen dat doen: als structuren die gedrag moeten sturen. Maar Weick liet zien dat het precies andersom is.

    Organisaties bestaan niet vóórdat mensen zich organiseren; ze ontstaan ín de interactie, in de poging om van verwarring iets begrijpelijks te maken. Weick liet zien dat orde niet het vertrekpunt is, maar het resultaat van een voortdurende poging tot duiding.

    Dat inzicht voelde als thuiskomen, een niet makkelijk te verklaren gevoel. Alsof na een lange reis de mist optrekt en het licht van Valinor zichtbaar wordt. Niet omdat er plots iets nieuws is, maar omdat je eindelijk ziet wat er altijd al was.

    Weick gaf woorden aan iets wat ik intuïtief al lang voelde: dat de mens niet leeft van regels, maar van betekenis. Dat hij de wereld pas kan verdragen wanneer hij haar kan vertellen. Later ging ik daar een stapje verder in. Ik ben ervan overtuigd dat de mens de wereld niet alleen pas kan verdragen als hij haar kan vertellen, maar dat de werkelijkheid van de mens het resultaat is van die vertelling. En ja, dat valt ook door te trekken naar organisaties en zelfs naar mijn eigen vak van compliance.

    Karl Weick: de ontdekking dat orde gemaakt wordt

    Karl Weick is sociaal psycholoog. Geen manager, geen bestuurder, maar iemand die probeert te begrijpen wat er in organisaties werkelijk gebeurt.

    Zijn eerste grote werk, The Social Psychology of Organizing (1969), verscheen in een tijd waarin het geloof in beheersbaarheid op zijn hoogtepunt was. Bedrijven werden gezien als systemen, mensen als onderdelen, en controle als de sleutel tot succes.

    Weick keek daar dwars doorheen. Hij richtte zich niet op de structuur, maar op wat mensen feitelijk doen wanneer ze proberen hun werk te begrijpen. In die momenten van onzekerheid en verwarring zag hij iets wezenlijks gebeuren.

    Mensen, zegt Weick, handelen vaak vóór ze weten waarom. Ze nemen beslissingen, reageren op elkaar, proberen iets op te lossen en pas daarna vertellen ze zichzelf een verhaal dat verklaart wat er is gebeurd. Dat achteraf geconstrueerde verhaal is geen leugen, maar een menselijke noodzaak. De wereld is te complex om zonder betekenis te verdragen.

    Dat proces noemde hij sensemaking: de poging om van wat er gebeurt iets samenhangends te maken. Niet de feiten staan centraal, maar de interpretaties die ons helpen om te handelen.

    Zo gezien is een organisatie geen machine, maar een gesprek dat voortdurend gaande wordt gehouden. De structuur bestaat uit taal: uit verhalen, rechtvaardigingen, rituelen en herinneringen die de werkelijkheid draaglijk maken.

    Je ziet het in elk team, elke afdeling, elk project dat ontspoort of slaagt. Eerst is er een gebeurtenis, een klacht, een fout, een succes, en pas daarna het verhaal dat uitlegt wat er “eigenlijk” aan de hand was. Weick schrijft dat organisaties zichzelf al vertellend bijeenhouden. Ze worden niet bestuurd, ze worden verteld.

    Robert Simons: de grammatica van betekenis

    Een kwart eeuw na Weick verscheen het werk van Robert Simons, hoogleraar aan Harvard. Zijn Levers of Control (1995) werd al snel een klassieker in de bestuurskunde, al was dat niet helemaal waarvoor het bedoeld leek. Managers lazen het als een handleiding om grip te krijgen op hun organisatie. In werkelijkheid is het subtieler. Simons beschrijft geen handboek voor beheersing, maar een balans tussen vrijheid en orde.

    Hij onderscheidde vier “hefbomen” waarmee organisaties richting geven aan gedrag:

    1. Belief systems – de overtuigingen die betekenis geven: missie, waarden, het verhaal van waarom we bestaan. In verhaaltermen: de mythe of het credo. Waarom we bestaan, wat goed is.
    2. Boundary systems – de grenzen van wat niet mag, de verboden hoofdstukken van het verhaal, het taboe.
    3. Diagnostic systems – de manier waarop prestaties worden gevolgd, de meetbare werkelijkheid. De kronieken, de toets of het verhaal nog klopt.
    4. Interactive systems – de dialoog waarmee aannames worden beproefd en het verhaal zich aanpast. Het herverdelen en herschrijven van betekenis.

    Simons laat zien dat controle niet de vijand van vrijheid is, maar haar voorwaarde. Zonder kaders vervalt de organisatie in willekeur. Zonder vrijheid verstikt zij in regels. De kunst is het samenspel.

    Wie Simons leest naast Weick, ziet hoe de verhalen waaruit organisaties bestaan ook een grammatica hebben. De beliefs geven toon en richting, de boundaries bepalen wat onzegbaar is, de diagnostics houden de consistentie bij, en de interactive systems zorgen dat het gesprek levend blijft.

    Denk daar compliance bij als vakgebied: geen hinderlijk stelsel van verplichtingen, maar een taalregeling. Beleid, toezicht en toetsing vormen de grammatica van het morele verhaal dat de organisatie over zichzelf vertelt. Ze zorgen ervoor dat dat verhaal verstaanbaar blijft, ook wanneer er fouten worden gemaakt of belangen botsen. Zonder grammatica geen taal, zonder control geen samenhang. En zoals taal alleen leeft door gebruik, leeft ook controle pas door dialoog.

    Arthur Schopenhauer: de wil tot orde

    Waar Weick beschrijft hoe mensen betekenis geven, en Simons hoe zij die betekenis structureren, legt Arthur Schopenhauer bloot waarom de mens dat doet.

    In zijn hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung (1819) stelt hij dat de wereld geen rationeel systeem is, maar de uitdrukking van een blinde wil. Alles leeft omdat het móét leven. Die wil is ongericht, doelloos en juist daarom rusteloos. De mens, begiftigd met bewustzijn, ervaart die wil als onbehagen: hij wil begrijpen wat hij nooit volledig kan doorgronden.

    Orde, zegt Schopenhauer, is geen natuurverschijnsel maar een projectie. Wij scheppen structuur niet omdat de wereld ordelijk ís, maar omdat wij de chaos niet verdragen. De wil tot orde is onze manier om met die existentiële onrust om te gaan.

    Daarom is een organisatie niet primair een economisch instrument, maar een menselijke uitvinding om het leven hanteerbaar te maken. Regels, procedures, vergaderingen, ze zijn niet de triomf van rationaliteit, maar haar symptoom. Ze tonen hoezeer wij verlangen naar rust in een wereld die die rust niet vanzelf biedt.

    Vanuit dat perspectief krijgt ook compliance een andere gedaante. Ze is geen verzameling verplichtingen die het ondernemen belemmert, maar een ritueel waarmee de mens zijn eigen onrust temt. Elk beleid, elk protocol is een tijdelijke poging om de willekeur te bedwingen. En tegelijk weet iedereen dat het nooit af is. De werkelijkheid ontsnapt altijd aan het systeem dat haar wil vangen.

    Toch blijven we bouwen, auditen, herzien, niet omdat we geloven in volmaaktheid, maar omdat we zonder die poging niet kunnen leven. Dat maakt compliance tot iets diepmenselijks: een rationele vorm van troost.

    De narratieve aap: de mens als verteller van orde

    Wat Weick, Simons en Schopenhauer afzonderlijk lieten zien, vormt samen een geheel.

    Weick toonde dat orde niet bestaat vóór het handelen, maar eruit voortkomt.

    Simons liet zien dat we die orde vormgeven via structuren en regels.

    Schopenhauer onthulde de dieperliggende noodzaak: de mens kán niet zonder orde, omdat hij anders zijn eigen bewustzijn niet verdraagt.

    Daaruit groeit het beeld van de narratieve aap. De mens is het dier dat verhalen vertelt om te kunnen bestaan. Hij leeft niet van voedsel of zekerheid, maar van betekenis. Alles wat wij cultuur noemen, religie, recht, wetenschap, kunst, is voortgekomen uit dat ene instinct: de behoefte om de chaos te benoemen, om het zinloze dragelijk te maken.

    Organisaties zijn daar geen uitzondering op, maar een eigentijdse uitdrukking van dezelfde drang. Ze scheppen een collectieve taal waarin handelen zin krijgt. Een visie, een strategie, een kwaliteitsstelsel; het zijn vormen van mythologie, gevat in Excel en beleidsdocumenten. En net als alle mythen moeten ze voortdurend worden verteld, herzien, bekritiseerd, verdedigd.

    De compliancefunctionaris is in dat opzicht geen controleur, maar een verhalenbewaker. Hij zorgt dat de taal van de organisatie zuiver blijft, dat woorden niet losraken van de werkelijkheid die ze moeten dragen. Hij weet dat regels geen waarheid garanderen, maar wel geloofwaardigheid.

    De narratieve aap weet dat zijn verhalen geconstrueerd zijn, maar kan niet zonder. Hij leeft van consistentie, niet van zekerheid.

    Zwijgen zou betekenen dat de wereld weer onbegrijpelijk wordt en dat kan hij niet verdragen.

    De morele opdracht van de verteller

    Als de werkelijkheid uit verhalen bestaat, rust op de verteller een morele plicht. Wie betekenis schept, draagt verantwoordelijkheid voor de wereld die daaruit ontstaat.

    In organisaties geldt dat evenzeer. De bestuurder, de manager, de compliancefunctionaris, de adviseur, allen zijn, bewust of niet, vertellers. Ze kiezen welke verhalen geloofwaardig blijven en welke verdwijnen. Ze beslissen of regels dienen om te beschermen of om te verbergen, of integriteit een principe is of een decorstuk.

    Integriteit is daarom geen kwestie van regels naleven, maar van verhalen eerlijk houden. Een organisatie die zichzelf beliegt, desintegreert van binnenuit, lang voordat iemand het van buiten ziet. En omgekeerd kan een organisatie die fouten erkent en erover spreekt, moreel sterker worden. Niet omdat ze foutloos is, maar omdat ze trouw blijft aan haar eigen taal, ook als haar verhaal verandert.

    De mens organiseert niet om te overleven, maar om zijn verhaal gaande te houden. En dat verhaal is nooit af. Het moet steeds opnieuw worden verteld, omdat de werkelijkheid zelf voortdurend verschuift.

    Dat is de opdracht van de verteller: niet om de chaos te ontkennen, maar om haar draaglijk te maken. Niet om te heersen, maar om te blijven vertellen.

  • Begripsverwarring in compliance

    Recent publiceerde Marcel Pheijffer een opinie over het mede tekenen van de accountantsverklaring door de OKB-er. Ik laat me hier niet uit over dat idee zelf, maar in de discussie die ontstond bleek begripsverwarring over enkele zaken. In een andere context liep ik ook al tegen wat begripsverwarring aan, daarom hier een korte uitleg bij enkele in de wereld van (accountants) compliance relevante begrippen.

    OKB, IKO, Review

    Een OKB is een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordeling. Het is een instrument dat is geïntroduceerd via de Wet toezicht accountantsorganisaties, en later ook een plaats heeft gekregen in de Nadere Voorschriften Kwaliteitssystemen van de NBA. De Wta en Bta bepaalden dat voorafgaand aan het afgeven van iedere verklaring voor een OOB, en voor een aantal op basis van kantoorbeleid te bepalen verklaringen voor niet-OOB’s, een OKB uitgevoerd diende te worden.

    Doel van de OKB is dus preventief vast te stellen dat de externe accountant redelijkerwijs tot diens beoogde verklaring kon komen. Wie exact de opdrachtgever van de OKB is staat niet vast. Anders dan vaker gedacht is het niet vanzelfsprekend de compliance officer. Dat kan ook niet, aangezien bij Reguliere Vergunninghouders een compliance officer niet door de wet wordt voorgeschreven, maar OKB’s wel.

    De OKB is gericht op het bevorderen van de kwaliteit van de accountantsverklaring en is daarmee dus onderdeel van het kwaliteitsstelsel. Daar is de accountantsorganisatie, de vergunninghouder, verantwoordelijk voor. Het lijkt redelijk voor de hand te liggen dat de functionaris die onder NVKS wordt aangeduid als kwaliteitsbepaler dus eindverantwoordelijk is voor de OKB. Dat neemt niet weg dat een compliance officer graag kennis zal nemen van het OKB-verslag en vooral van de verantwoording die de OKB-er aflegt aan de kwaliteitsbepaler.

    Een IKO is een Intern Kwaliteitsonderzoek, ook wel aangeduid als review. Het is in de praktijk een onderzoek met een dubbele functie. Het stelt achteraf vast of de kwaliteit van uitgevoerde controles afdoende was, en waar mogelijkheden zijn tot verbetering. In die zin is het onderdeel van het kwaliteitsstelsel en hoort dus net als de OKB bij de kwaliteitsbepaler. Maar de IKO heeft ook een formele insteek, de toetsing of bij de uitvoering van de controle aan de eisen van het kwaliteitsstelsel is voldaan. Vanuit dat perspectief is de IKO dus eerder een hulpmiddel voor compliance. In de praktijk zal je vaak zien dat beide doelen in één onderzoek worden gecombineerd, en zowel aansturing door de kwaliteitsbepaler, als door de compliance officer komt voor.

    Review is een wat onhandig begrip, omdat het in de accountantspraktijk een aantal betekenissen heeft:

    • De hiervoor genoemde IKO;
    • De beoordeling van het dossier door de tekenend accountant;
    • De beoordeling van secties, working papers, werkzaamheden van assistenten door de opdrachtleider;
    • De beoordeling van delen van de jaarrekening of andere door de klant aangeleverde informatie.

    Audit en onderzoek

    Een ander begrippenpaar dat nog wel eens tot verwarring kan leiden is onderzoek versus audit. Het zijn geen al te strak gedefinieerde begrippen, maar enige consensus kan wel gevonden worden in de volgende omschrijvingen, toegespitst op de rol van de compliance officer:

    Onderzoek betreft activiteiten door of namens de compliance officer waarbij inzicht wordt verkregen over een proces, organisatieonderdeel, informatie, etcetera, zonder dat getoetst wordt aan een norm. Populair is de term “verkennend onderzoek”, maar je mag je afvragen of dat niet vooral een soort verzachtende term is om duidelijk te maken dat het echt niet eng is om onderzocht te worden. Hoe dan ook, een onderzoek kan tot waarnemingen, inzichten, adviezen en allerhande andere rapportages leiden, maar zal in de regel niet tot een betrekkelijk scherp oordeel leiden. Daar is het andere instrument, de audit. Een audit is een gestructureerd onderzoek naar een feitelijkheid ten opzichte van een norm. Het heeft niet noodzakelijk de strikte structuur van assurance in de accountantspraktijk, maar het is wel vergelijkbaar, ook in de uitkomst. Een audit mondt uit in een oordeel door de compliance officer waarbij deze vaststelt dat de onderzochte feitelijkheid voldoet, niet voldoet, of beperkt voldoet aan de gehanteerde norm. Mocht een oordeel onmogelijk zijn, dan zal dat het resultaat van de audit zijn.

    Waar bij een onderzoek het gehanteerde normenkader vrij zacht en subjectief kan zijn, is dat bij een audit niet mogelijk. Althans, in de praktijk wordt een oordeel van het soort “de werkzaamheden van X in casus Y voldoen niet aan mijn onderbuikgevoel” zelden erg nuttig gevonden. De Autoriteit Financiële Markten vraagt, als toezichthouder, in voorkomende gevallen vrijwel altijd naar het gehanteerde normenkader. Ook bij een onderzoek is het alleen al daarom zinvol te overwegen of, en zo ja welk, een normenkader van toepassing is.

    Risico, Verslaggevingsrisico, Integriteitsrisico, Compliancerisico

    Tenslotte een begrippengroepje dat nog wel eens verwarring geeft. In algemene zin is een risico een begrip dat ziet op “iets” dat een bepaalde of inschatbare kans heeft zich voor te doen met een bepaalde of inschatbare impact. In formule gezegd: risico = kans x impact.

    Een verslaggevingsrisico is “iets” dat kan leiden tot een materiële afwijking in de jaarrekening. Zowel de controlerend accountant als de samenstellend accountant die risico-gericht samenstelt, heeft hier mee te maken. De werkzaamheden richten zich op het onderkennen van deze verslaggevingsrisico’s en op het vaststellen of deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan.

    Een integriteitsrisico zegt iets over de integriteit van een klant, een medewerker, een persoon. De impact kan velerlei zijn. Te denken valt aan de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering uit de WWFT, of de risico’s die de beheerste en integere bedrijfsvoering van een accountantsorganisatie kunnen raken. Waar de verwarring kan ontstaan is in de impact die een integriteitsrisico kan hebben op de verslaggeving. Dat valt het eenvoudigst te zien via de route van fraude. Een integriteitsrisico leidt dan tot een frauderisico, dat vervolgens weer leidt tot een verslaggevingsrisico. Geen van deze risico’s zijn hetzelfde, maar ze kunnen dus wel samenhangen.

    Wat een compliancerisico precies is, lijkt vooral afhankelijk van degene aan wie je dat vraagt. Een overlappend begrip dat veel terug komt is dat het compliancerisico, mede, het risico betreft dat de organisatie interne en/of externe regels overtreedt. In de praktijk wordt dit regelmatig eng geïnterpreteerd, waarbij een compliancerisico rechtstreeks wordt gekoppeld aan een wet of een regel. Bijvoorbeeld als een WWFT audit wordt uitgevoerd, is voor vrijwel iedereen wel duidelijk dat dit een audit is gericht op een compliancerisico. Maar het begrip is breder. Ook het niet functioneren van interne systemen die niet direct gericht zijn of schijnen op compliance, kan leiden tot een compliancerisico. Stel bijvoorbeeld dat de cultuur binnen een kantoor erg informeel is, dan kan dat heel prettig zijn, maar het kan ook indirect leiden tot een al te losse omgang met vastleggingen die weer nodig zijn om te voldoen aan bepaalde wetgeving. Dan is “cultuur” dus een bron van een compliancerisico.

    Pietluttigheid is troef?

    Het is in dagelijks gebruik natuurlijk niet zo spannend als begrippen niet helemaal scherp zijn, zolang iedereen maar weet wat je bedoelt. In de discussie waarmee ik begon bleek echter dat de spraakverwarring over OKB en IKO wel degelijk tot inhoudelijk ontsporen van de discussie aanleiding gaf. Voor compliance officers is het de kunst pietluttigheid te vermijden maar wel degelijk nauwkeurig te zijn in formuleren.