Tag: Toezicht

  • Verantwoording en toezicht

    Macht vraagt om rekenschap

    Macht wordt toevertrouwd

    Geen enkele bestuurder bezit macht. De bevoegdheden waarover hij beschikt zijn hem door anderen toevertrouwd.

    Dat lijkt misschien een merkwaardige constatering. Een bestuurder bepaalt immers de koers van de organisatie. Hij neemt besluiten over investeringen, stelt prioriteiten, sluit overeenkomsten en verdeelt middelen. Daarmee beschikt hij onmiskenbaar over macht. Toch is die macht nooit van hemzelf.

    Neem een onderneming. Het bestuur beslist waaraan het beschikbare kapitaal wordt besteed. Er wordt geïnvesteerd in nieuwe activiteiten, personeel aangetrokken of juist gereorganiseerd, machines aangeschaft of vestigingen geopend. Maar waar komt dat kapitaal eigenlijk vandaan? Niet van het bestuur. Het is door aandeelhouders, leden of financiers aan de organisatie beschikbaar gesteld, in de verwachting dat het zorgvuldig en overeenkomstig het doel van de organisatie zal worden aangewend. Het bestuur neemt die beslissingen daarom niet op eigen titel, maar namens degenen die het beheer over dat vermogen aan hem hebben toevertrouwd.

    Hetzelfde geldt voor werknemers. Door een arbeidsovereenkomst aan te gaan, stellen zij hun tijd, kennis, ervaring en vaardigheden ter beschikking aan de organisatie. Gedurende de overeengekomen werktijd bepalen bestuur en management hoe deze worden ingezet om de doelstellingen van de organisatie te realiseren. Ook deze bestuurlijke bevoegdheid ontstaat dus niet vanzelf. Zij berust op het vertrouwen dat werknemers een belangrijk deel van hun professionele autonomie aan de organisatie toevertrouwen.

    Sommige bevoegdheden hebben bovendien een nog bredere oorsprong. Accountantsorganisaties vervullen een rol in het maatschappelijk verkeer die door wet- en regelgeving wordt erkend en begrensd. Opdrachtgevers vertrouwen accountants hun opdrachten toe. De wetgever vertrouwt hen, direct of indirect, een rol toe bij de bescherming van het maatschappelijk verkeer. Ook deze bevoegdheden zijn niet vanzelfsprekend. Zij bestaan omdat anderen erop vertrouwen dat zij zorgvuldig, deskundig en overeenkomstig hun doel worden uitgeoefend.

    De bevoegdheden waarover bestuurders beschikken zijn daarmee niet hun eigendom, maar hun door anderen toevertrouwd. Vanuit dat eenvoudige gegeven laten zich de beginselen van governance, verantwoording en toezicht vrijwel vanzelf verklaren.

    Gedelegeerde macht

    Dat bestuurders bevoegdheden van anderen ontvangen, betekent nog niet dat zij deze ook persoonlijk kunnen uitoefenen. Integendeel. Naarmate een organisatie groeit, wordt duidelijk dat dit onmogelijk is. Een bestuurder kan onmogelijk iedere opdracht aannemen, iedere investering beoordelen, iedere medewerker aansturen of iedere operationele beslissing zelf nemen. Zou hij dat wel proberen, dan zou de organisatie al snel onbestuurbaar worden.

    De oplossing is delegatie. Het bestuur draagt bevoegdheden over aan anderen binnen de organisatie. Managers krijgen de ruimte om afdelingen aan te sturen, teamleiders organiseren de dagelijkse werkzaamheden en professionals nemen binnen de grenzen van hun functie en verantwoordelijkheid zelfstandig beslissingen. Zonder deze overdracht van bevoegdheden zou een moderne organisatie eenvoudigweg niet kunnen functioneren. Delegatie is daarmee geen uitzondering op het beginsel van toevertrouwde macht, maar juist de wijze waarop dat beginsel binnen organisaties vorm krijgt.

    De manager beschikt daarbij niet over eigen macht. Hij oefent bevoegdheden uit die hem door het bestuur zijn gedelegeerd. Het bestuur beschikt op zijn beurt over bevoegdheden die haar door aandeelhouders, opdrachtgevers, de wetgever of andere belanghebbenden zijn toevertrouwd. De bron van de bevoegdheid blijft daarmee steeds dezelfde; alleen degene die haar uitoefent verandert.

    Binnen accountantsorganisaties bestaat daarnaast een bijzondere categorie bevoegdheden. De openbaar accountant ontleent zijn vaktechnische verantwoordelijkheid niet aan het bestuur, maar rechtstreeks aan wet- en regelgeving. Zijn bevoegdheid om een controleverklaring af te geven, een samenstellingsverklaring te ondertekenen of andere voorbehouden werkzaamheden uit te voeren, wordt hem niet door het bestuur gedelegeerd, maar door de wetgever toegekend. Die bevoegdheid is bovendien verbonden aan een eigen professionele verantwoordelijkheid en een eigen tuchtrecht.

    Dat betekent niet dat het bestuur hierbij geen rol speelt. Integendeel. Het bestuur is verantwoordelijk voor de inrichting van de organisatie, de kwaliteitssystemen, de randvoorwaarden waarbinnen accountants hun beroep kunnen uitoefenen en het toezicht op de naleving daarvan. Het bestuur is daarmee niet de bron van de vaktechnische bevoegdheden van de accountant, maar wel medeverantwoordelijk voor de omstandigheden waaronder deze worden uitgeoefend.

    Niet iedere bevoegdheid binnen een accountantsorganisatie ontstaat dus op dezelfde wijze. Sommige bevoegdheden worden hiërarchisch gedelegeerd. Andere worden rechtstreeks door wet- en regelgeving aan professionals toegekend. Gemeenschappelijk is echter dat geen van beide vormen van bevoegdheid vrijblijvend is.

    Macht vraagt om rekenschap

    Waar bevoegdheden worden toevertrouwd of gedelegeerd, ontstaat onvermijdelijk de behoefte aan rekenschap. Niet omdat degene die de bevoegdheid heeft overgedragen iedere beslissing zelf wil controleren. Integendeel. Het doel van een organisatie is om talloze afzonderlijke beslissingen samen te brengen bij een bestuurder of andere functionaris die deze in onderlinge samenhang kan nemen.

    Een aandeelhouder wil niet zelf beslissen over iedere investering. Een opdrachtgever wil niet betrokken zijn bij iedere professionele afweging van de accountant. Werknemers willen niet gezamenlijk bepalen hoe iedere werkdag wordt ingericht. Zij vertrouwen deze beslissingen juist toe aan anderen, omdat daarmee samenhang, continuïteit en doelgerichtheid ontstaan.

    Rekenschap is noodzakelijk. Niet om iedere afzonderlijke beslissing achteraf opnieuw te beoordelen, maar om inzicht te geven in de wijze waarop de toevertrouwde bevoegdheden als geheel zijn uitgeoefend. Rekenschap brengt honderden of duizenden afzonderlijke beslissingen terug tot beleid, afwegingen en resultaten. Zij maakt het mogelijk om het handelen van een bestuurder of professional te beoordelen zonder iedere beslissing afzonderlijk opnieuw te hoeven nemen.

    Rekenschap is daarmee geen uiting van wantrouwen, maar een voorwaarde voor verantwoord vertrouwen. Zij stelt degene die bevoegdheden heeft toevertrouwd in staat zich een oordeel te vormen over de wijze waarop daarmee is omgegaan. Een bevoegdheid zonder rekenschap is uiteindelijk niets anders dan willekeur.

    Verantwoording: plicht en recht

    Rekenschap en verantwoording

    In het voorgaande is vooral gesproken over rekenschap. Dat is niet hetzelfde als verantwoording, al worden beide begrippen in de praktijk vaak door elkaar gebruikt.

    Rekenschap heeft betrekking op de inhoud. Zij bestaat uit het inzicht geven in de wijze waarop bevoegdheden zijn uitgeoefend, welke afwegingen daarbij zijn gemaakt en welke resultaten daarmee zijn bereikt. Rekenschap geeft antwoord op de vraag wat is gedaan en waarom.

    Verantwoording is het proces waarin die rekenschap wordt afgelegd, besproken en beoordeeld. Zij veronderstelt een relatie tussen degene die bevoegdheden uitoefent en degene die deze bevoegdheden heeft toevertrouwd of daarop toezicht houdt. Verantwoording is daarmee meer dan het verstrekken van informatie. Zij maakt het mogelijk dat over het handelen een oordeel wordt gevormd.

    Het onderscheid is van belang. Rekenschap kan worden afgelegd zonder dat daadwerkelijk verantwoording plaatsvindt. Pas wanneer degene die rekenschap aflegt en degene die daarover een oordeel vormt met elkaar in relatie treden, ontstaat verantwoording in de betekenis die governance daaraan geeft.

    Verantwoording als plicht

    De plicht tot verantwoording vloeit rechtstreeks voort uit de wijze waarop macht binnen moderne organisaties is georganiseerd. Wie iets van waarde aan een ander toevertrouwt, zal uiteindelijk willen weten hoe daarmee is omgegaan. Aandeelhouders willen weten hoe het door hen beschikbaar gestelde kapitaal is aangewend. Werknemers willen weten hoe de organisatie omgaat met hun inzet, kennis en ervaring. Opdrachtgevers willen weten hoe hun opdracht is uitgevoerd. De overheid legt maatschappelijke taken neer bij organisaties, maar moet zich op zijn beurt weer kunnen verantwoorden aan parlement en samenleving over de wijze waarop die taken worden uitgevoerd. Op ieder niveau van de samenleving ontstaat zo dezelfde behoefte: degene die bevoegdheden overdraagt, verlangt uiteindelijk rekenschap over de wijze waarop deze zijn gebruikt.

    Daarmee is verantwoording meer dan een administratieve verplichting. Zij is het mechanisme waarmee gedelegeerde macht haar legitimiteit behoudt. Wie bevoegdheden ontvangt, krijgt immers de ruimte om zelfstandig beslissingen te nemen. Juist daarom hoeft degene die deze bevoegdheden heeft overgedragen zich niet met iedere afzonderlijke beslissing te bemoeien. Verantwoording brengt de veelheid aan individuele beslissingen terug tot beleid, afwegingen en resultaten. Zij maakt het mogelijk een oordeel te vormen over het geheel, zonder iedere afzonderlijke beslissing opnieuw te hoeven nemen.

    De plicht tot verantwoording beschermt daarmee niet alleen degene die bevoegdheden heeft toevertrouwd, maar ook de organisatie zelf. Een organisatie waarin macht geen rekenschap hoeft af te leggen, verliest uiteindelijk haar legitimiteit. Bevoegdheden worden dan niet langer uitgeoefend namens anderen, maar uitsluitend op gezag van degene die ze uitoefent. Verantwoording maakt zo het verschil tussen gedelegeerde bevoegdheid en autonome macht.

    Verantwoording is de prijs die macht betaalt om geen willekeur te worden.

    Verantwoording als recht

    Een bestuurder heeft niet alleen de plicht zich te verantwoorden. Hij heeft ook het recht zich te verantwoorden.

    Die gedachte lijkt op het eerste gezicht minder vanzelfsprekend. Verantwoording wordt immers vaak gezien als een instrument van toezicht. De nadruk ligt dan op de bevoegdheid van de toezichthouder om vragen te stellen en het handelen van bestuurders of andere functionarissen te beoordelen. Daarmee dreigt echter uit het oog te worden verloren dat een verantwoordingsrelatie altijd twee partijen kent.

    Wie over het handelen van een ander een oordeel wil vormen, zal die ander eerst in de gelegenheid moeten stellen rekenschap af te leggen. Bestuurders moeten kunnen uitleggen welke informatie hun destijds ter beschikking stond, welke belangen zij hebben afgewogen, welke onzekerheden zij onderkenden en waarom uiteindelijk voor een bepaalde koers is gekozen. Pas wanneer die rekenschap is afgelegd, kan een zorgvuldig oordeel worden gevormd. Zonder die mogelijkheid bestaat het risico dat besluiten uitsluitend worden beoordeeld met de kennis van achteraf.

    Verantwoording beschermt daarmee niet alleen degenen aan wie bevoegdheden zijn toevertrouwd, maar ook degenen die deze bevoegdheden uitoefenen. Zij waarborgt dat het handelen van bestuurders, managers en professionals wordt beoordeeld op basis van de feiten en omstandigheden waaronder de besluiten zijn genomen, en niet uitsluitend op basis van de uiteindelijke uitkomst.

    Decharge, het sluitstuk van verantwoording

    Wanneer eindigt verantwoording?

    Wanneer een bestuurder of andere functionaris verantwoording heeft afgelegd, is daarmee de verantwoordingsrelatie dan ook beëindigd? Het antwoord op die vraag is minder vanzelfsprekend dan het lijkt.

    Zolang bevoegdheden worden uitgeoefend, zal steeds opnieuw rekenschap moeten worden afgelegd. Verantwoording is daarom geen eenmalige gebeurtenis, maar een voortdurend proces. Dat betekent echter niet dat iedere afzonderlijke verantwoordingscyclus oneindig blijft voortduren. Zou dat wel het geval zijn, dan zou een bestuurder zich tot in lengte van jaren moeten blijven verantwoorden voor iedere beslissing die hij ooit heeft genomen. Dat zou niet alleen onwerkbaar zijn, maar ook afbreuk doen aan het recht dat die verantwoording tot een oordeel leidt. Een verantwoording die nooit tot een oordeel komt, blijft immers onafgemaakt.

    Daarom kent goed bestuur niet alleen een begin van een verantwoordingsrelatie, maar ook een einde daarvan. Nadat rekenschap is afgelegd, verantwoording heeft plaatsgevonden en een oordeel is gevormd, moet ook duidelijk zijn wat de betekenis van dat oordeel is. Is het vertrouwen bevestigd? Zijn er consequenties? Of is de verantwoordingsrelatie voor de betreffende periode afgerond?

    Het ondernemingsrecht kent voor die afronding een bijzonder begrip: decharge.

    Decharge als afronding

    In het ondernemingsrecht wordt de formele afronding van een verantwoordingscyclus aangeduid met het begrip decharge. Decharge is veel meer dan een juridisch instrument. Zij markeert het moment waarop wordt vastgesteld dat over een bepaalde periode rekenschap is afgelegd, verantwoording heeft plaatsgevonden en daarover een oordeel is gevormd. Daarmee wordt de verantwoordingsrelatie voor die periode afgesloten.

    Misschien laat de betekenis van decharge zich nog het beste begrijpen aan de hand van een persoonlijke relatie. Stel dat twee partners samen op vakantie zijn geweest. Tijdens de reis zijn honderden, misschien wel duizenden kleine beslissingen genomen. Waar gaan we eten? Welke route rijden we? Welke bezienswaardigheden slaan we over? Wanneer gaan we terug naar de camping? Achteraf komt het fotoboek terug van de HEMA. Samen bladeren zij het nog één keer door. Niet om iedere afzonderlijke beslissing opnieuw te beoordelen, maar om terug te kijken op de reis als geheel. Hebben we bereikt wat we wilden? Was het een mooie vakantie? Zijn er dingen die we een volgende keer anders zouden doen?

    Wanneer dat gesprek is gevoerd, gaat het fotoboek terug in de kast. Niet omdat de vakantie wordt vergeten, maar omdat zij een plaats heeft gekregen. Natuurlijk kan het album jaren later nog eens worden gepakt om herinneringen op te halen. Maar een gezonde relatie haalt het niet telkens opnieuw uit de kast om oude discussies alsnog te beslechten. Dan zou de vakantie nooit werkelijk zijn afgelopen.

    Decharge vervult binnen governance precies dezelfde functie. Zij markeert het moment waarop een verantwoordingsperiode wordt afgesloten. Niet omdat het verleden wordt uitgewist, maar omdat het is besproken, beoordeeld en een plaats heeft gekregen. Pas daarna ontstaat de ruimte om met hernieuwd vertrouwen aan een nieuwe verantwoordingscyclus te beginnen.

    Decharge is geen vrijbrief

    Decharge betekent niet dat het verleden wordt uitgewist. Ook na decharge kunnen nieuwe feiten aan het licht komen, kunnen eerder verborgen tekortkomingen zichtbaar worden of kan blijken dat de afgelegde verantwoording onvolledig of onjuist was. Decharge is daarom geen vrijbrief en evenmin een garantie dat over een bepaalde periode nooit meer vragen zullen worden gesteld.

    Dat doet echter niets af aan haar betekenis. Decharge brengt tot uitdrukking dat op basis van de informatie die op het moment van de verantwoording beschikbaar was, een zorgvuldig oordeel is gevormd. Juist daarom vormt zij het sluitstuk van een verantwoordingscyclus. Niet omdat iedere onzekerheid is verdwenen, maar omdat de verantwoordingsrelatie op dat moment zorgvuldig is doorlopen.

    Ook in persoonlijke relaties geldt dat vertrouwen nooit absoluut is. Wie samen terugkijkt op een vakantie, sluit daarmee niet uit dat jaren later nieuwe herinneringen of inzichten bovenkomen. Wel spreken beide partners uit dat de reis als geheel een plaats heeft gekregen. Alleen wanneer later blijkt dat essentiële informatie ontbrak of bewust is achtergehouden, ontstaat aanleiding die gezamenlijke conclusie opnieuw ter discussie te stellen.

    Zo is het ook met decharge. Zij beschermt niet degene die misleidt of informatie achterhoudt. Zij beschermt wel degene die openheid van zaken heeft gegeven en zich naar eer en geweten heeft verantwoord. Daarmee bewaakt decharge niet alleen de belangen van degenen aan wie verantwoording wordt afgelegd, maar ook het recht van degene die verantwoording aflegt dat een zorgvuldig doorlopen verantwoordingsrelatie daadwerkelijk wordt afgerond.

    Toezicht geeft verantwoording betekenis

    Verantwoording vraagt om een ontvanger

    Verantwoording is, zoals hiervoor is besproken, een relationeel begrip. Zij kan alleen bestaan wanneer er niet alleen iemand is die verantwoording aflegt, maar ook iemand die deze ontvangt. Zonder ontvanger blijft rekenschap niet meer dan een verklaring. Pas wanneer een ander bereid en bevoegd is deze te beoordelen, ontstaat verantwoording in de betekenis die governance daaraan geeft.

    Die ontvanger vertegenwoordigt daarbij niet zichzelf, maar degene aan wie uiteindelijk rekenschap verschuldigd is. Wie bevoegdheden heeft toevertrouwd, hoeft de verantwoording niet noodzakelijk zelf te ontvangen. Dat zou in veel gevallen zelfs onpraktisch of onmogelijk zijn. In plaats daarvan kan hij een ander aanwijzen om namens hem toezicht te houden, vragen te stellen en uiteindelijk een oordeel te vormen. Daarmee ontstaat een nieuwe verantwoordingsrelatie, waarin de ontvanger optreedt als vertegenwoordiger van een achterliggend belang.

    Dat is ook de manier waarop grote, anonieme groepen een stem krijgen. Aandeelhouders, kapitaalverstrekkers, burgers of het maatschappelijk verkeer kunnen zich doorgaans niet persoonlijk met het bestuur van een organisatie bezighouden. Hun belangen worden daarom vertegenwoordigd door toezichthouders. Die geven als het ware een gezicht aan een collectief belang, of misschien beter nog: een telefoonnummer. Zij maken het mogelijk dat een organisatie zich niet hoeft te verantwoorden aan een anonieme massa, maar aan een herkenbare vertegenwoordiger die namens die massa vragen stelt, antwoorden ontvangt en een oordeel vormt.

    Daarin ligt de essentie van toezicht. Toezicht is niet het uitoefenen van macht over degene die verantwoording aflegt, maar het vertegenwoordigen van degene die bevoegdheden heeft toevertrouwd. De toezichthouder beoordeelt niet vanuit een persoonlijk belang, maar namens een ander. Daardoor krijgt verantwoording betekenis en kan uiteindelijk worden vastgesteld of het geschonken vertrouwen terecht is geweest.

    Toezicht is zelf ook een verantwoordelijkheid

    Wie toezicht houdt, ontvangt daarmee zelf een bijzondere vorm van macht. De bevoegdheid om vragen te stellen, informatie op te vragen, een oordeel te vormen en soms zelfs in te grijpen, is immers eveneens een bevoegdheid die anderen raakt. Ook deze macht is echter niet van de toezichthouder zelf. Zij is hem toevertrouwd omdat hij geacht wordt een achterliggend belang te vertegenwoordigen.

    Daarin schuilt de eerste verantwoordelijkheid van iedere toezichthouder. Hij moet zich voortdurend afvragen namens wie hij eigenlijk toezicht houdt. Een toezichthouder die handelt vanuit persoonlijke voorkeuren, eigen overtuigingen of de behoefte controle uit te oefenen, verliest gemakkelijk uit het oog welk belang hij behoort te dienen. Goed toezicht begint daarom niet met het stellen van vragen, maar met het besef dat die vragen altijd namens een ander worden gesteld.

    Dat betekent ook dat toezicht nooit een doel op zichzelf mag worden. De taak van de toezichthouder is niet zoveel mogelijk informatie te verzamelen of zoveel mogelijk tekortkomingen te vinden. Zijn taak is zich ervan te vergewissen dat degene aan wie bevoegdheden zijn toevertrouwd, deze zorgvuldig heeft uitgeoefend. Dat vraagt niet alleen om een kritische houding, maar ook om het vermogen te luisteren, context te begrijpen en uiteindelijk een zorgvuldig oordeel te vormen. De toezichthouder vertegenwoordigt niet zijn eigen belang, maar dat van degenen die hem deze taak hebben toevertrouwd.

    Interne toezichthouders

    Binnen organisaties kunnen verschillende interne toezichthouders worden onderscheiden. Hier worden drie daarvan besproken: de Raad van Commissarissen (of, afhankelijk van de rechtsvorm, de Raad van Toezicht), de ondernemingsraad en interne toezichtfuncties zoals Compliance, Risk Management en Internal Audit. Hoewel zij alle drie een toezichthoudende rol vervullen, doen zij dat vanuit een wezenlijk verschillend perspectief en vertegenwoordigen zij verschillende belangen.

    De Raad van Commissarissen neemt daarbij een bijzondere positie in. Hoewel hij deel uitmaakt van de governance van de organisatie, vertegenwoordigt hij primair belangen die buiten de dagelijkse leiding van de organisatie liggen. De ondernemingsraad vertegenwoordigt daarentegen een specifieke groep belanghebbenden binnen de organisatie: de werknemers. Interne toezichtfuncties zoals Compliance, Risk Management en Internal Audit vertegenwoordigen weer een ander perspectief. Zij ondersteunen bestuur en toezichthouders bij het vervullen van hun verantwoordelijkheid voor een integere en beheerste organisatie.

    Deze verschillen maken duidelijk dat intern toezicht niet vanuit één gezichtspunt kan worden begrepen. Toezicht ontleent zijn betekenis niet aan de plaats van een orgaan in het organogram, maar aan het belang dat het vertegenwoordigt. Dat verklaart waarom verschillende toezichthouders binnen dezelfde organisatie soms verschillende vragen stellen, zonder dat zij daarmee verschillende doelen nastreven. Uiteindelijk dienen zij allen hetzelfde uitgangspunt: ervoor zorgen dat bevoegdheden zorgvuldig worden uitgeoefend en dat daarover op een betekenisvolle wijze verantwoording wordt afgelegd.

    De RvC, intern namens de buitenwereld

    De Raad van Commissarissen neemt binnen de governance van een organisatie een bijzondere positie in. Enerzijds maakt hij onmiskenbaar deel uit van de organisatie. Hij kent de onderneming, spreekt met het bestuur, heeft toegang tot interne informatie en is nauw betrokken bij belangrijke strategische beslissingen. Anderzijds is zijn rol nadrukkelijk niet die van bestuurder. De Raad van Commissarissen vertegenwoordigt juist degenen die hun belangen aan de organisatie hebben toevertrouwd, zonder zelf deel uit te maken van de dagelijkse leiding.

    Daarmee staat de Raad van Commissarissen als het ware met één been binnen en met één been buiten de organisatie. Hij staat dicht genoeg bij het bestuur om de afwegingen en dilemma’s waarvoor het zich gesteld ziet te begrijpen, maar voldoende op afstand om daarover onafhankelijk een oordeel te kunnen vormen. Die bijzondere positie maakt de Raad van Commissarissen tot de natuurlijke ontvanger van de verantwoording van het bestuur.

    Doordat de Raad van Commissarissen geen onderdeel is van de dagelijkse besluitvorming, kan hij het achterliggende belang blijven vertegenwoordigen waarvoor het bestuur zijn bevoegdheden uitoefent. Hij beoordeelt niet of hij zelf dezelfde beslissing zou hebben genomen, maar of het bestuur de aan hem toevertrouwde bevoegdheden zorgvuldig heeft uitgeoefend en daarover overtuigend rekenschap heeft afgelegd.

    De Raad van Commissarissen is daarmee veel meer dan een intern toezichtsorgaan. Hij is de geïnstitutionaliseerde vertegenwoordiger van de buitenwereld binnen de governance van de organisatie. Daardoor kan hij de schakel vormen tussen het bestuur, dat bevoegdheden uitoefent, en degenen die deze bevoegdheden uiteindelijk aan de organisatie hebben toevertrouwd.

    De OR, vertegenwoordiger van toevertrouwde arbeid

    Wanneer over governance wordt gesproken, gaat de aandacht al snel uit naar aandeelhouders, financiers en andere kapitaalverschaffers. Dat is begrijpelijk, want zonder kapitaal kan een organisatie niet functioneren. Maar een organisatie kan evenmin bestaan zonder de mensen die dagelijks hun tijd, kennis, ervaring en vaardigheden inzetten om haar doelstellingen te realiseren. Ook werknemers vertrouwen daarmee iets van grote waarde aan de organisatie toe.

    In hoofdstuk 8.1 is al betoogd dat werknemers, door een arbeidsovereenkomst aan te gaan, een belangrijk deel van hun professionele autonomie aan de organisatie toevertrouwen. Gedurende de overeengekomen werktijd bepalen bestuur en management immers hoe hun kennis, ervaring en inzet worden aangewend. Daarmee ontstaat een verantwoordingsrelatie die niet wezenlijk verschilt van die tussen kapitaalverschaffers en bestuur. Alleen het object van vertrouwen is anders. Waar de één kapitaal toevertrouwt, vertrouwt de ander arbeid toe.

    De ondernemingsraad geeft dat belang een stem binnen de governance van de organisatie. Daarmee vertegenwoordigt hij een groep belanghebbenden die individueel vaak slechts beperkte invloed kan uitoefenen, maar gezamenlijk van wezenlijk belang is voor het functioneren van de organisatie. De ondernemingsraad zorgt ervoor dat de belangen van werknemers niet afhankelijk zijn van de toevallige bereidheid van het bestuur om daarnaar te luisteren, maar een vaste plaats krijgen binnen de verantwoordingsstructuur van de organisatie.

    De ondernemingsraad is meer dan een medezeggenschapsorgaan. Hij is de geïnstitutionaliseerde vertegenwoordiger van de werknemers als groep en de natuurlijke ontvanger van verantwoording over de wijze waarop de organisatie met hun toevertrouwde arbeid omgaat.

    Compliance, Risk en Internal Audit

    Compliance, Risk Management en Internal Audit nemen binnen de governance van een organisatie opnieuw een andere positie in. Anders dan de Raad van Commissarissen vertegenwoordigen zij niet primair de buitenwereld. Anders dan de ondernemingsraad vertegenwoordigen zij ook niet een specifieke groep belanghebbenden binnen de organisatie. Hun primaire taak is het ondersteunen van bestuur en toezichthouders bij het invullen van hun eigen verantwoordelijkheid.

    Dat betekent niet dat deze functies geen toezicht houden. Integendeel. Doordat zij onafhankelijk kunnen onderzoeken, analyseren en rapporteren, vervullen zij een belangrijke rol binnen het interne stelsel van checks and balances. Hun toezicht is echter niet gericht op het overnemen van bestuurlijke verantwoordelijkheid, maar op het versterken daarvan. Zij helpen bestuur en toezichthouders vast te stellen of de organisatie haar bevoegdheden zorgvuldig uitoefent, risico’s voldoende beheerst en haar maatschappelijke en wettelijke verantwoordelijkheden nakomt.

    Daarmee vertegenwoordigen deze functies uiteindelijk niet zozeer een specifieke belanghebbende, maar de kwaliteit van de governance van de organisatie zelf. Zij dragen eraan bij dat bestuurders zich daadwerkelijk kunnen verantwoorden en dat toezichthouders hun oordeel kunnen vormen op basis van betrouwbare informatie. Hun toegevoegde waarde ligt daarom niet in het nemen van besluiten, maar in het vergroten van de kwaliteit van de besluitvorming en de verantwoording daarover.

    Compliance, Risk Management en Internal Audit behoren niet tegenover bestuur en toezichthouders te staan, maar naast hen. Onafhankelijk waar dat moet, ondersteunend waar dat kan, en steeds gericht op hetzelfde doel: een organisatie waarin bevoegdheden zorgvuldig worden uitgeoefend en verantwoording meer is dan een formaliteit.

    Extern toezicht

    Ook een goed functionerend stelsel van intern toezicht kent zijn grenzen. Niet omdat interne toezichthouders tekortschieten, maar omdat sommige belangen zich naar hun aard niet lenen om uitsluitend binnen de governance van een organisatie te worden vertegenwoordigd.

    In sommige gevallen gaat het om belangen die een zodanig specialistische kennis vragen dat daarvoor een afzonderlijke toezichthouder is aangewezen. Het toezicht op de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is daarvan een voorbeeld. In andere gevallen zijn de belangen zo groot dat de wetgever heeft geoordeeld dat zij niet uitsluitend aan de interne governance van organisaties kunnen worden toevertrouwd. Het publieke vertrouwen in accountantsorganisaties is daarvan een illustratie. Dat raakt niet alleen de cliënten van een accountantsorganisatie of haar bestuur, maar het functioneren van het economische verkeer als geheel.

    Externe toezichthouders ontlenen hun positie daarom niet aan de organisatie waarop zij toezicht houden, maar rechtstreeks aan de wetgever. Zij vertegenwoordigen geen intern belang en vullen ook geen leemte in de interne governance op. Hun taak is het bewaken van belangen waarvan de samenleving heeft geoordeeld dat deze een eigen, onafhankelijke vorm van toezicht vereisen.

    Dat verklaart ook waarom externe toezichthouders een andere positie innemen dan interne toezichthouders. Zij beoordelen niet in de eerste plaats of het bestuur zijn organisatie goed bestuurt, maar of de organisatie voldoet aan de maatschappelijke en wettelijke normen die de wetgever daarvoor heeft gesteld.

    Goed toezicht is meer dan controleren

    In het dagelijks taalgebruik worden toezicht en controle vaak als synoniemen gebruikt. Dat is begrijpelijk, maar doet geen recht aan de aard van toezicht. Controle is een middel; toezicht is een verantwoordelijkheid. Wie toezicht houdt, beperkt zich niet tot het vaststellen of regels zijn nageleefd, maar beoordeelt of bevoegdheden zorgvuldig zijn uitgeoefend en of daarover op betekenisvolle wijze verantwoording is afgelegd.

    Goed toezicht begint daarom niet met het zoeken naar fouten. Het begint met het begrijpen van de verantwoordelijkheid die de ander draagt. Een toezichthouder moet zich verdiepen in de context waarin besluiten zijn genomen, de belangen die zijn afgewogen en de dilemma’s waarmee bestuurders en professionals werden geconfronteerd. Pas daarna kan hij beoordelen of de uitgeoefende bevoegdheden zorgvuldig zijn gebruikt en of de afgelegde verantwoording overtuigt.

    Dat vraagt om een kritische houding, maar evenzeer om terughoudendheid. De toezichthouder is geen medebestuurder en behoort de bestuurlijke afweging niet over te doen. Zijn taak is niet te beoordelen welke beslissing hij zelf zou hebben genomen, maar of de genomen beslissing binnen de grenzen van een zorgvuldige taakuitoefening kon worden genomen. Toezicht respecteert daarmee de ruimte die eerder bewust aan bestuurders en professionals is toevertrouwd.

    Goed toezicht vraagt tenslotte ook om de bereidheid een oordeel te vormen. Wie eindeloos blijft controleren zonder ooit tot een conclusie te komen, vervult uiteindelijk geen toezichthoudende rol meer. Toezicht krijgt pas betekenis wanneer vragen leiden tot een zorgvuldig oordeel en een verantwoordingscyclus daadwerkelijk kan worden afgerond.

    Het stelsel van intern en extern toezicht

    In de voorgaande paragrafen zijn verschillende vormen van toezicht besproken. Op het eerste gezicht lijken zij sterk van elkaar te verschillen. De Raad van Commissarissen vervult een andere rol dan de ondernemingsraad. Compliance, Risk Management en Internal Audit hebben een andere positie dan externe toezichthouders zoals de AFM of het Bureau Financieel Toezicht. Toch zijn deze verschillen minder fundamenteel dan zij op het eerste gezicht lijken. Uiteindelijk maken zij alle deel uit van één samenhangend stelsel van intern en extern toezicht.

    Dat stelsel vindt zijn oorsprong in de manier waarop organisaties zijn ingericht. Bevoegdheden worden door verschillende groepen aan de organisatie toevertrouwd. Kapitaalverschaffers vertrouwen hun vermogen toe, werknemers hun arbeid, kennis en ervaring, de wetgever de uitvoering van publieke taken en de samenleving haar vertrouwen in een goed functionerend economisch verkeer. Uit die verschillende vormen van toevertrouwen ontstaan evenzovele verantwoordingsrelaties. En waar verantwoording moet worden afgelegd, ontstaat de behoefte aan toezicht.

    Niet iedere toezichthouder vertegenwoordigt daarbij hetzelfde belang. Een moderne organisatie kent verschillende vormen van toezicht, die elkaar aanvullen zonder elkaar te vervangen. Interne toezichthouders zijn verweven met de governance van de organisatie en beoordelen of bevoegdheden zorgvuldig worden uitgeoefend vanuit de belangen die zij vertegenwoordigen. Externe toezichthouders bewaken maatschappelijke en wettelijke belangen waarvan de wetgever heeft geoordeeld dat zij een zelfstandige vorm van toezicht vereisen. Samen zorgen zij ervoor dat geen enkel wezenlijk belang buiten beeld raakt.

    Het stelsel van intern en extern toezicht is daarmee geen verzameling losse organen of functies, maar een netwerk van vertegenwoordigde belangen. Iedere toezichthouder heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid, een eigen perspectief en een eigen plaats binnen de verantwoordingsstructuur van de organisatie. Zo bezien vormt toezicht geen beperking van macht, maar de voorwaarde waaronder toevertrouwde macht haar legitimiteit behoudt.

    Terug naar de inhoudsopgave

    Klik hier voor de inhoudsopgave.

  • De toezichtparadox

    Van golven en deeltjes

    De wereld zoals wij die waarnemen, bestaat vooral uit deeltjes en golven. Deeltjes maken “dingen” en “spul”, zoals stenen, lucht, water, en bier, om maar wat te noemen. Golven zijn een soort heen en weer bewegingen van deeltjes. Denk aan golven in de zee, geluidsgolven, dat soort dingen. Als mens zijn we voorzien van een paar zintuigen die vrij goed deeltjes waarnemen, bijvoorbeeld door reuk en andere die golven kunnen waarnemen, waardoor we de dingen en het spul in onze omgeving als een soort afgeleide waarnemen. We kunnen bier wel ruiken, maar niet zien. Wat we zien is de lichtgolf die door het bier weerkaatst wordt.

    Met golven is iets interessants aan de hand. Als je twee golven samenvoegt ontstaat interferentie. In de meest extreme gevallen, als je twee identieke golven samenvoegt zullen ze elkaar versterken, terwijl als je exact tegengestelde golven samenvoegt verdwijnen de golven volledig

    Constructieve en destructieve interferentie
    Constructieve en destructieve interferentie

    Door dit effect is het bijvoorbeeld mogelijk een koptelefoon te maken die door middel van anti-geluid omgevingsgeluid neutraliseert op een manier die vele malen beter werkt dan door isolatie van het omgevingsgeluid.

    Met een vrij beroemd experiment, het tweespletenexperiment, wordt gebruik makend van het interferentie-effect van golven, aangetoond dat licht een golf is.

    Tot zover niets geks. Maar het wordt heel snel gekker. Om te beginnen blijkt dat een bundel electronen, deeltjes dus, dat je loslaat op diezelfde tweespletendia, óók een interferentiepatroon genereert. Elementaire deeltjes blijken hiermee aantoonbaar dus golven te zijn.

    Nog gekker. Als je geluid hoort, hoor je een golf in de lucht, of een andere stof. In de ruimte, waar een vacuum bestaat, kan je dus geen geluid horen. Geen stof om de golf te vormen betekent geen golf. Geen golf betekent geen geluid. Wat science fiction films ook graag willen doen geloven, de laatste slag tussen ruimte schepen is volmaakt stil. Saai voor in de bioscoop, wel waar. Maar passen we datzelfde toe op licht, dan gebeurt er iets geks. We zien wel degelijk sterren. Het licht van die sterren verplaatst zich dus door het vacuum van de ruimte. Maar wat golft er dan? Welke stof “draagt” de licht-golf?

    Tot vrij recent eigenlijk dachten natuurkundigen dat in de ruimte een soort stof moest zijn om electromagnetische golven, en licht dus, te geleiden. Deze wat mysterieuze stof werd ether genoemd. We hadden Einstein nodig om te concluderen dat het een heel slim idee was, maar wel geheel onjuist. Ether bestaat niet. Maar hoe kan dat dan? De oplossing: licht bestaat uit deeltjes. En deeltjes kunnen zich verplaatsen op een manier waarop golven dat niet kunnen, in een vacuum. Die deeltjes heten fotonen.

    We hebben bewijs dat licht een golf is. En we hebben bewijs dat licht een deeltje is. En we hebben dus ook bewijs dat het deeltje dat we kennen als electron ook een golf is. Dat schiet allemaal niet zo op, zou je denken. Natuurkunde maakt zich over dit soort ogenschijnlijke bizarre onmogelijkheden niet zoveel zorgen. Als iets ogenschijnlijk onmogelijk is, maar we hebben bewijs dat het wel degelijk mogelijk is, dan moeten we gewoon onze eerdere veronderstellingen bij het grof vuil kieperen en een nieuw model van de werkelijkheid bouwen.

    Voor zaken als licht en electronen hebben we niet helemaal de goede woorden in ons dagelijks gebruik, dus lossen we dat op door de termen ietwat slordig te gebruiken en vervolgens aan te vullen. We zeggen dus niet dat licht een golf is, of een deeltje. We praten over het golf-karakter van licht en over het deeltjes-karakter van licht. Wat licht echt “is”? Feitelijk weten we dat niet. En voor de natuurkunde boeit dat ook niet. De Kopenhaagse interpretatie van de quantummechanica trekt op dat punt een fascinerende conclusie: Natuurkunde is de wetenschap die de uitkomst van metingen bestudeert. Verdere speculaties kunnen niet worden geverifieerd: de Kopenhaagse interpretatie ziet vragen als “Waar was het deeltje voordat ik de positie ging meten?” als zonder betekenis.

    Dit gaat nog sterker op voor de waarom-vraag. Wie zich afvraagt waarom de dingen zijn zoals ze zijn, stelt natuurkundig een volstrekt zinloze vraag. We hebben metingen, uitkomsten en een wiskundig model dat die twee aan elkaar koppelt. Als de uitkomsten van metingen zijn zoals de wiskundige formules voorspellen, dan zijn dat kennelijk juiste formules. Totdat het tegendeel bewezen wordt. Op zichzelf is dat gewoon zuivere wetenschap: een theoretisch model dat waarnemingen voorspelt is bruikbaar totdat het door falsificatie niet meer blijkt te kloppen en verfijning of verwerping nodig heeft.

    De waarom vraag is voor mensen natuurlijk wel interessant, maar het antwoord behoort tot het domein van de filosofie en de theologie. Twee disciplines die weliswaar gebruik kunnen maken van de wetenschappelijke methode, maar die ten ene male het middel van de falsificatie wat beperkt kunnen gebruiken.

    De Kopenhaagse interpretatie ontstond overigens vanuit een simpel klinkende vraag, die in veel wetenschappelijke disciplines in meer of mindere mate aan de orde is: wat is de invloed van het meten op de meting? Je kan dat nog uitbreiden met de vraag: wat zegt hetgeen je meet over dat wat je wil weten?

    In de quantummechanica doet zich het intuïtief bizarre verschijnsel voor dat een quantumeffect zich pas voordoet op het moment van de meting. Hoe bizar dat is liet Erwin Schrödinger zien met zijn gedachte-experiment met een kat in een doos. Zolang de doos gesloten blijft is de kat zowel dood als levend. Het is niet zo dat de kat al dood of levend is en we het alleen nog niet weten. Nee, de kat is daadwerkelijk zowel dood als levend en “kiest” pas uitsluitend dood of uitsluitend levend te zijn op het moment van waarneming. Overigens, dit staat allemaal ook weer ter discussie, een van de leuke dingen van wetenschap is dat je nooit klaar bent immers.

    Kwaliteit

    In de accountancy, met name in de audit waar ik me hier verder op focus, is al jaren een beweging gaande die streeft naar verbetering van de kwaliteit. Het verhaal is dat de kwaliteit rond de jaren ’80 en zeker de jaren ’90 van de vorige eeuw achteruit holde, gedreven door de wens van accountantskantoren om meer winst te maken. Deze beweging zorgde onder andere voor steeds grotere kantoren. De grootste kantoren, de Big 8, Arthur Andersen, Arthur Young, Coopers & Lybrand, Deloitte Haskins & Sells, Ernst & Whinney, Peat Marwick Mitchell, Price Waterhouse en Touche Ross vormden internationale netwerken, fuseerden verder, totdat de huidige Big 4 ontstonden: Deloitte, EY, KPMG en PwC. Maar ook andere kantoren vormden grote netwerken, en het concept van one stop shop werd populair. De positieve uitleg is dat accountants hun klanten op alle noodzakelijke manieren wilden bedienen, de wat cynischer insteek is dat accountants vooral op zoek waren naar iedere mogelijke manier om geld te verdienen.

    Op zichzelf zegt dat nog niets over kwaliteit. Immers, in heel veel markten is streven naar winstmaximalisatie allerminst strijdig met het leveren van kwaliteit. Een automerk als Toyota is bijvoorbeeld niet bepaald groot geworden door uitzonderlijke luxe of uitzonderlijk design, maar door een uitzonderlijke focus op kwaliteit.

    Het grote probleem van de audit is dat het geleverde product in feite een dubbele laag heeft, die volstrekt oncontroleerbaar is. Vergelijk het met de airbag uit de eerder genoemde Toyota. Daar zitten twee kwaliteitsniveaus aan:

    1. Is de airbag technisch goed? Deze vraag betreft ontwerp en constructie van de airbag die getest zal moeten worden. Maar dan nog is de airbag die in jouw auto zit nooit getest. Een airbag wordt immers waardeloos na gebruik en dus is testen onmogelijk. De kwaliteit zal gegarandeerd moeten worden door het ontwerp van de airbag zelf, het ontwerp van het productieproces en de gecontroleerde naleving van dat proces.
    2. Vertrouw je de airbag? Dit lijkt wellicht een vanzelfsprekendheid. Immers, de kwaliteit wordt gegarandeerd door at hiervoor beschreven is. Maar zo simpel werkt het helaas niet. De kwaliteit van de airbag bestaat ook uit het vertrouwen dat gebruikers van de airbag hebben in de werking in geval van nood. Hoe goed de airbag ook is, zolang gebruikers die niet vertrouwen wordt het doel niet bereikt. Dat doel is namelijk niet, of niet alleen, het opvangen van de klap bij een aanrijding. Het is óók het bevorderen van een gevoel van veiligheid waardoor de bestuurder durft deel te nemen aan het verkeer. Feitelijk is de kwaliteit van de eerste soort en de kwaliteit van de tweede soort nauwelijks met elkaar causaal verbonden.

    Als op enig moment wantrouwen ontstaat jegens de kwaliteit van de tweede soort, dan is herstel van dat vertrouwen via de eerste soort nogal een Herakliaanse opgave, om niet te zeggen een Sisyphos-arbeid.

    Immers, ongelukken met auto’s gebeuren betrekkelijk weinig, maar als ze gebeuren zal zelfs de beste airbag niet altijd voldoende zijn om ernstig letsel te voorkomen. Hoezeer die kans ook wordt verkleind door te werken aan de kwaliteit van de eerste soort, de kwaliteit van de tweede soort op die manier bevorderen is vrijwel kansloos. Iedere gebeurtenis met ernstig letsel zal immers de kwaliteit van de tweede soort, de kwaliteitsperceptie in feite, eroderen en negative percepties versterken. Dat de kwaliteit van de eerste soort intussen meer dan op orde is doet daar niets aan af.

    In een wilde bui zou ik kunnen zeggen dat zoals licht een golf-deeltje-dualiteit kent kwaliteit een feit-perceptie-dualiteit kent. De gebruikers van accountantsverklaringen hebben nauwelijks toegang tot inzicht in de eerste soort kwaliteit en zijn dus goeddeels afhankelijk van waarnemingen van falen van die eerste soort kwaliteit om zo de tweede soort te bepalen. Dit proces is, zoals ik denk duidelijk te hebben gemaakt, een vrijwel kansloze exercitie. Immers, ongelukken zijn veel te zeldzaam om een goede basis te geven om überhaupt enig oordeel te vormen. Maar de ongelukken die er zijn, zijn dan weer nauwelijks verantwoord te koppelen aan de eerste soort kwaliteit van de accountantsverklaring.

    Waaruit bestaan ongelukken? Niet uit falende airbags, maar bijvoorbeeld uit botsende auto’s. Niet uit falende accountantsverklaringen, maar bijvoorbeeld uit faillerende bedrijven. De natuur van het beschermingsmiddel, de accountantsverklaring, en van het proces waarmee dit tot stand komt, brengt met zich mee dat volledig uitsluiten van fouten onmogelijk is. Dat betekent dat een eerste soort kwalitatief uitstekende accountantsverklaring toch ten onrechte goedkeurend kan zijn en zo, bijvoorbeeld, een naderend faillissement uit beeld kan houden als de betreffende onderneming zelf geen openheid van zaken geeft. Maar voor wie al twijfelt aan de kwaliteit van accountantsverklaringen in het algemeen, een lage kwaliteitsperceptie dus, en daarmee een tweede soort kwalitatief slechte accountantsverklaring ziet, zal zich direct bevestigd zien.

    Een oplossing: de AFM

    Wetgevers in de hele wereld, ook in Nederland, en vrijwel gelijktijdig in de Europese Unie, (NB: verwijzingen naar de regelgeving van 2006, 2007!!), zagen een belangrijke oplossing van dit probleem in het instellen van onafhankelijk toezicht. De basisgedachte hierbij is dat de toezichthouder de eerste soort kwaliteit vaststelt, en doordat gebruikers van verklaringen de toezichthouder vertrouwen zal de tweede soort kwaliteit toenemen voor zover de toezichthouder constateert dat de eerste orde kwaliteit op orde is.

    Ik beperk me hierna tot de situatie zoals die in Nederland sindsdien geldt, ongeacht of deze consistent is met de vereisten van de EU.

    Het Nederlandse stelsel wijst de Autoriteit Financiële Markten aan als toezichthouder op accountantsorganisaties, zijnde instellingen met een vergunning wettelijke controles uit te voeren. Het toezicht op accountants is de facto toegewezen aan die accountants-organisaties, evenals het toezicht op de individuele audits. Dit werkt via de route van het kwaliteitsstelsel waarover iedere accountantsorganisatie dient te beschikken. Kort gezegd: de accountantsorganisatie bewaakt de kwaliteit van de accountantswerkzaamheden en dus van de accountantsverklaring, de AFM bewaakt de kwaliteit van die bewaking. Daartoe kan de AFM overigens ook onderzoek doen naar individuele controles en controledossiers. Maar de AFM is niet bevoegd daar op te handhaven. De AFM kan bestuursrechtelijk handhaven jegens accountantsorganisaties, en de AFM kan desgewenst individuele accountants en hun werk aanleveren bij de tuchtrechter, de Accountantskamer en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

    De AFM toetst dus de werking en de kwaliteit van kwaliteitsstelsels van accountantsorganisaties. Maar waaraan toetst de AFM? Anders dan in andere toezichtdomeinen heeft de AFM nauwelijks normen gepubliceerd terzake. Op zichzelf is de AFM geen regelgever, maar door het formuleren van beleidsregels kan toch een heldere norm worden geformuleerd, waarbij de AFM nadere invulling geeft aan de nogal open normen die bij of krachtens de wet, in Wta en Bta, zijn geformuleerd.

    De AFM verwijst in rapportages, in klachten voor de tuchtrechter, en in boetebesluiten, opmerkelijk vaak naar normen uit de NV COS en het verschijnsel voldoende en geschikte controle informatie. Dat is problematisch omdat dit normen zijn die niet primair zien op de kwaliteit van opzet en werking van kwaliteitsstelsels maar zien op de kwaliteit waarop die kwaliteitsstelsels toezien. Wat de AFM dan ook regelmatig heeft gesteld in verschillende formuleringen is “als een dossier onvoldoende is, heeft dus het kwaliteitsstelsel gefaald”. De rechter in eerste en tweede aanleg heeft daar in rechtszaken aangespannen door zowel EY als PwC terecht de vloer mee aangeveegd. Opmerkelijk is dat sindsdien door de AFM fors gas is teruggenomen in de handhaving, wel zaken naar de tuchtrechter zijn gebracht zoals het hoort, maar intussen aan de minister is gevraagd de wet zodanig aan te passen dat de AFM alsnog kan handhaven op individuele dossiers. Hiermee negeert de AFM de kernboodschap van de rechter en van de wetgever: de AFM moet toezicht houden op kwaliteitsstelsels, accountantsorganisaties moeten toezicht houden op accountants en accountantsverklaringen. Overigens zien we de AFM verder wel degelijk de juiste kant op bewegen met een sterkere focus op de accountantsorganisatie in plaats van op controledossiers als object van toezicht. Maar nog steeds ontwikkelt de AFM nauwelijks zichtbare normen waaraan de kwaliteit van kwaliteitsstelsels getoetst kunnen worden.

    De NBA op het toneel

    De reden dat de AFM dergelijke normen niet ontwikkelt zou gelegen kunnen zijn in het feit dat een andere publiekrechtelijke instelling, de NBA, ingesteld bij wet, zich onder veel meer bezig houdt met het ontwerpen of vertalen van dergelijke normen. De NBA is daartoe bevoegd op basis van artikel 19 lid 2 onder b van de Wab.

    Daarbij doet zich wel een wat vreemd verschijnsel voor. NIVRA en NOvAA, de directe voorlopers van de NBA waren wettelijk helemaal niet bevoegd dergelijke normen te stellen. De oplossing die het NIVRA daarvoor jaar en dag hanteerde was haar regelgeving formeel te richten op accountants, waartoe zij in beginsel wel bevoegd was, en dan de eisen aan de accountantsorganisatie voorwaardelijk te maken voor het mogen werken voor een dergelijke organisatie. Deze vorm hanteert de NBA nog steeds. Dit levert formuleringen op als “Een accountant kan niet werkzaam zijn bij of verbonden zijn aan een kantoor, indien …” (artikel 4 lid 3 Nadere Voorschriften Kwaliteitsmanagement in consultatie).

    Of dit juridisch erg zuiver is, is een kwestie van opinie, feit is dat de NBA ruimschoots buiten de wettelijke taak “bevorderen van een goede beroepsuitoefening door accountants,” (uit artikel 3 WAB, onder a) treedt en dus niet alleen accountants normeert maar ook accountantsorganisaties.

    De samenhang tussen de AFM die normen zou moeten stellen en handhaven maar nauwelijks normen stelt en de NBA die wettelijk beperkt normen mag stellen aan accountantsorganisaties maar dat wel doet is ietwat ongemakkelijk. Dat neemt niet weg dat dit het bouwwerk is dat in Nederland zowel de eerste soort kwaliteit, als de tweede soort kwaliteit zou moeten bewaken, direct of indirect via de accountantsorganisaties en ondersteunt door de tuchtrechter en het bestuursrecht.

    Aan de NBA zit echter nog iets bijzonders. Uit het hiervoor al genoemde artikel 3 WAB volgt dat de NBA nog een andere hier relevante taak heeft: behartigen van de gemeenschappelijke belangen van accountants en zorg dragen voor de eer van de stand van de accountants.

    In de taakopvatting van de NBA moet dit nadrukkelijk niet gezien worden als individuele belangenbehartiging en evenmin als lobbywerk voor actoren in de sector. Nee, de NBA ziet het evident als haar taak het vertrouwen in accountants te bevorderen, dat is dus de tweede soort kwaliteit, door het bevorderen van de eerste soort kwaliteit.

    Zoals inmiddels hopelijk duidelijk is dat een lastige taak omdat het feitelijk de verkeerde oplossing hanteert voor het echte probleem, tenzij aantoonbaar sprake is van een gebrek aan kwaliteit van de eerste soort.

    De eerste paradox

    Hier zien we de eerste paradox duidelijk ontstaan. De taakopvatting van de NBA gaat er van uit dat de tweede soort kwaliteit bevordert wordt door te werken aan de eerste soort kwaliteit. Maar aan de eerste soort kwaliteit kan alleen verbetering worden gebracht als deze niet reeds voldoet. De NBA moet haar aanpak dus funderen in het tekortschieten van de eerste soort kwaliteit. Tegelijk voert de NBA campagne om aan gebruikers van accountantsproducten te vertellen dat deze voldoen aan de tweede soort kwaliteit en dus aan de eerste soort kwaliteit.

    Reductio ad absurdum (omdat ik Latijn nu eenmaal mooi vind) zou iets opleveren als “Nederland rekent op zijn accountants, maar ten onrechte”. Het behoeft geen toelichting dat dat niet werkt. Maar dat betekent ook dat je “Nederland rekent op zijn accountants” mag lezen als “en dat is terecht”. Kortom, de tweede soort kwaliteit wordt bevordert door te stellen dat de eerste soort kwaliteit op orde is.

    Maar tegelijk tracht de NBA het omgekeerde te doen. Door de tweede soort kwaliteit te bevorderen door de eerste soort kwaliteit te bevorderen communiceert de NBA, en moet zij logischerwijs wel communiceren, dat die eerste soort kwaliteit niet op orde is.

    Dit is de eerste paradox die de tweede paradox zichtbaar maakt.

    De tweede paradox

    Het probleem van kwaliteit ten opzicht van golf-deeltjes-duaal licht, is dat iedereen het eerste aanvoelt maar niet kan definiëren, terwijl niemand het tweede aanvoelt maar met voldoende kennis van quantummechanica wel prima kan definiëren.

    Anders gezegd, we voelen allemaal wel aan wat kwaliteit zou kunnen zijn, maar we weten feitelijk niet wat het is. Dat maakt onderzoek lastig. Zo valt niet te meten aan kwaliteit. Immers, als je niet weet wat je meet kan je het niet meten. Dat is op zichzelf wetenschappelijk geen onoverkomelijk probleem als je gebruik kan maken van proxy-variabelen. Het probleem daarvan is wel dat je dan moet valideren dat je proxy-variable voldoende zegt over datgene wat je eigenlijk wil meten.

    In onderzoek naar audit quality wordt bijvoorbeeld gemeten hoeveel foutherstel naar aanleiding van een audit heeft plaatsgevonden. Dat zegt iets, maar de meting wordt ernstig verstoord doordat je nauwelijks afdoende kan vaststellen hoeveel ongevonden fouten een jaarrekening bevat. Maar er is nagedacht over hele reeksen proxy’s, audit quality indicators. Toevallig of niet, maar ik ben uiterst nauw betrokken geweest bij de totstandkoming koning van deze AQI’s zoals voorgesteld door de Nederlandse wetgever en uit die ervaring kan ik wel stellen dat het minstens problematisch was overeenstemming te bereiken over wat kwaliteit nu precies is, en wat precies gemeten diende te worden. Hoewel ik meen dat de gevonden indicators verstandig zijn en bruikbaar zullen blijken, ontberen ze voldoende wetenschappelijke basis om al te absolute uitspraken over “de kwaliteit” van “de Nederlandse wettelijke controle” op te baseren.

    Dat is niet noodzakelijk problematisch mits deze indicatoren wijs gebruikt worden. Het probleem dat ik hier bespreek gaat dan ook niet zozeer over de gebruikte proxy’s maar over de impliciet en expliciet gedane uitspraken.

    We hebben behoefte aan scherpe uitspraken over kwaliteit en we weten niet echt wat kwaliteit is. Dit is op zichzelf nog niet enorm paradoxaal, maar het roept een andere, veel sterkere paradox op.

    De derde paradox

    Juist omdat we nauwelijks weten wat kwaliteit exact is, en gebruikers nauwelijks inzicht hebben in de eerste soort kwaliteit, en ongelukken zeldzaam zijn terwijl fouten onmogelijk zijn te voorkomen, wordt de tweede soort kwaliteit niet bevordert door de eerste soort kwaliteit. De tweede soort kwaliteit kan wel afnemen door afnemende eerste soort kwaliteit en door de perceptie dat deze afneemt of onvoldoende is.

    Hoewel zowel de AFM als de NBA in een of andere vorm de opdracht hebben het vertrouwen in de accountantsverklaring te versterken, en dus de tweede soort kwaliteit te verhogen, kunnen zij dit slechts geloofwaardig doen als zij zichtbaar zijn in voldoende krachtig handhaven. Maar voldoende krachtig handhave is alleen mogelijk als de eerste soort kwaliteit onvoldoende is. AFM en NBA moeten dus de tweede soort kwaliteit bevorderen door haar via de eerste soort kwaliteit bij voortduring ter discussie te stellen.

    Ontsnapping uit deze paradox is slechts mogelijk als partijen deze herkennen en actief stoppen de eerste soort kwaliteit ter discussie te stellen. De AFM maakt deze beweging tenminste deels al enige tijd. de NBA voert hierin al jaren een schizofrene route, zoals hiervoor al benoemd.

    De vierde paradox

    Dan is er een vierde paradox die ik baseer op mijn persoonlijke waarneming en die enige wetenschappelijke basis ontbeert. Ik laat het graag over aan wetenschappers om mijn idee te bevestigen, te ontkrachten, of me gewoon uit te lachen om mijn gebrek aan wetenschappelijke kennis natuurlijk.

    Ik ben betrokken geweest bij het schrijven van de Wet toezicht accountantsorganisaties, nadat ik enkele jaren had gewerkt bij verschillende accountantsorganisaties. Als “senior toezichthouder” was ik eveneens betrokken bij het opzetten van het toezicht door de AFM. Vervolgens ben ik als medewerker van het NIVRA, rechtsvoorganger van de NBA en later als vrijwilliger, betrokken geweest bij tal van initiatieven van de NBA, met name rond regelgeving en kwaliteit. Verder ben ik ongeveer 20 jaar actief in diverse rollen voor verschillende accountantsorganisaties rond thema’s als kwaliteit en compliance. Waar wetenschappelijke data ontbreekt meen ik dat mijn eigen waarneming toch niet geheel zonder enige betekenis is.

    En wat is die waarneming? De grootste paradox van toezicht wat mij betreft. Onder invloed van de AFM, op basis van de Wta, heeft het accountantsberoep in Nederland twee ontwikkelingen gezien:

    1. De professioneel kritische houding, de diepgang, de maatschappelijke oriëntatie, grofweg “de kwaliteit” van individuele accountants is dramatisch toegenomen. Het belang van de AFM en de Wta voor de Nederlandse controlepraktijk kan nauwelijks overschat worden.
    2. De focus op dossiers in plaats van op controle, op legal compliance in plaats van op kwaliteitscultuur en lerend vermogen, op “cover your ass” in plaats van op moed, is even dramatisch toegenomen. Waar systeemgericht controleren op basis van werkelijk begrip van de huishouding de norm was, is nu de norm maximaal gegevensgericht en op basis van steekproeven een dossier vullen geworden. Hiermee zijn de toegevoegde waarde voor het maatschappelijk verkeer en de kwaliteit van controles duidelijk afgenomen.

    Hierbij merk ik op dat de NBA hierin helaas een voorzichtige rol speelt. Opmerkelijk genoeg is het vooral de AFM die zichtbaar inziet dat haar optreden een schaduwkant heeft en daar verbetering in zoekt.