Tag: Masker

  • De rol die ik speel, dat ben ik echt

    Gerard Reve in de Vondelkerk

    Na het ontvangen van de P.C. Hooft-prijs in 1968, uit handen van minister Marga Klompé, spreekt Gerard Reve zijn dankwoord uit in de Vondelkerk. Het is geen ingetogen moment. Reve doet wat hij altijd doet: hij speelt zijn rol. Overdreven, ironisch, op het randje van het groteske. Hij noemt zichzelf een clown, een acteur, iemand die poseert.

    In mijn herinnering, in een uitzending die ik decennia geleden zag:

    Ja, ik ben een clown. Ik ben een acteur. Maar ik ben er van overtuigd: dat de rol die ik speel, dat ben ik echt.

    Het is een uitspraak die gemakkelijk kan worden afgedaan als paradox of als pose. Maar wie haar serieus neemt, hoort iets anders: een afwijzing van het idee dat waarheid schuilgaat achter vorm, en dat echtheid begint waar het spel ophoudt. Reve suggereert het tegendeel. Dat waarheid zich juist toont in vorm. Dat een rol geen leugen hoeft te zijn, maar een noodzakelijke voorwaarde om waarachtig te kunnen zijn.


    Authenticiteit en de mythe van het verborgen zelf

    Wat Reve zegt, botst frontaal met een hardnekkige moderne overtuiging. Veel mensen, en opvallend vaak pubers en adolescenten, geloven dat zij diep van binnen iemand anders zijn dan wat zij tonen. Dat hun ware zelf onzichtbaar blijft voor de buitenwereld, omdat omstandigheden, verwachtingen of rollen hen dwingen iets te spelen wat zij niet werkelijk zijn. Alsof echtheid pas begint waar vorm ophoudt. Jongeren uiten vaak hun frustratie over het idee dat de buitenwereld ze niet beoordeelt op wie ze zijn maar op wat ze laten zien. Naarmate mensen ouder worden maakt verzet hiertegen vaak plaats voor berusting.

    Die gedachte klinkt intuïtief aantrekkelijk, maar zij berust naar mijn overtuiging op een misvatting. Wie je bent, bestaat niet los van hoe je verschijnt. Wat zich niet toont, kan niet worden herkend, niet worden aangesproken, misschien zelfs niet worden gevormd. Een zelf dat nooit gestalte krijgt, blijft niet zuiver, maar leeg.

    Dat betekent niet dat iedere rol automatisch waarachtig is. Rollen kunnen vluchtwegen zijn, camouflage, zelfs bedrog. Maar daaruit volgt niet dat rol en waarheid elkaars tegenpolen zijn. Integendeel: wie weigert een rol te kiezen, weigert ook verantwoordelijkheid te nemen voor wie hij wil zijn. Vormloosheid is geen diepte, maar uitstel.

    In dat licht krijgt Reve’s uitspraak haar scherpte. Hij verdedigt niet het doen-alsof, maar het gekozen masker. De rol die hij speelt is geen toevallig theater, maar een bewuste vorm waarin hij zichzelf kan dragen. Authentiek is hier niet wat spontaan opwelt, maar wat met overtuiging wordt aangenomen.

    Authenticiteit is geen archeologische zoektocht naar een verborgen kern. Zij is een daad. Een keuze. En die keuze vraagt vorm.

    Maskers vóór de moderniteit

    Het wantrouwen tegen rollen en maskers is geen tijdloos gegeven. Integendeel, in veel culturen vóór de moderniteit gold juist het omgekeerde. Het masker was geen middel om iets te verbergen, maar een manier om iets te laten verschijnen. Wie een masker opzette, werd niet minder zichzelf, maar méér dan zichzelf. Niet in de zin van fictie, maar van presentie.

    In de Griekse tragedie droegen acteurs maskers niet om hun identiteit te verhullen, maar om haar te overstijgen. Het masker maakte het mogelijk dat een mens iets droeg wat groter was dan hijzelf: een god, een held, een schuld, een lotsbestemming. Zonder masker was er geen tragedie, maar ook geen waarheid. Het gelaat was te klein voor wat getoond moest worden.

    Iets vergelijkbaars zien we in rituele culturen die wij gemakshalve “primitief” noemen. Het masker is daar geen spelobject en geen decoratie, maar een instrument. Het stelt iets present wat anders afwezig blijft: een voorouder, een geest, een macht. Degene die het masker draagt, doet niet alsof hij iemand anders is; hij neemt verantwoordelijkheid voor wat hij oproept. Het masker verplicht. Het vraagt discipline, voorbereiding, soms zelfs morele zuivering. Juist daarom is het geen vrijblijvend toneel.

    Dat perspectief staat haaks op de moderne gedachte dat echtheid samenvalt met het afleggen van alle vormen. Voor wie zo denkt, is het masker per definitie verdacht: een laag die ertussen zit, een obstakel tussen het innerlijke en het uiterlijke. Maar historisch gezien was het masker juist de brug tussen die twee. Het maakte zichtbaar wat anders ongezegd, ongezien of ondraaglijk zou blijven.

    Wie dat begrijpt, ziet ook waarom de moderne afkeer van rollen zo vaak uitloopt op leegte. Als alle vormen verdacht zijn, rest slechts een vaag beroep op een innerlijk dat zich nooit hoeft te tonen. Het masker verdwijnt, maar wat ervoor in de plaats komt is geen diepte, slechts stilte.

    Camille Paglia en de personae

    Waar Gerard Reve dit inzicht literair en existentieel formuleert, heeft Camille Paglia het systematisch uitgewerkt. Paglia is een Amerikaanse cultuurcriticus, kunsthistoricus en essayist, bekend om haar polemische stijl en haar weigering om zich te voegen naar academische of ideologische orthodoxie. Ze noemt zichzelf feministe, maar wordt door veel feministen verafschuwd. Juist dat spanningsveld maakt haar hier interessant.

    Paglia’s bekendste werk, Sexual Personae, is geen pamflet en geen moreel betoog, maar een cultuurgeschiedenis. Daarin onderzoekt zij hoe westerse kunst en literatuur doordrenkt zijn van seksualiteit, macht en stijl. Haar centrale stelling is ontluisterend eenvoudig: cultuur ontstaat niet ondanks eros, maar door eros. Niet door het temmen van lichamelijkheid, maar door haar vorm te geven.

    Daarmee keert Paglia zich tegen een modern feminisme dat seksualiteit vooral benadert in termen van onderdrukking, slachtofferschap en machtsmisbruik. Niet omdat die aspecten niet bestaan, maar omdat zij volgens haar niet het hele verhaal zijn. Eros is voor Paglia een natuurkracht: ambivalent, gevaarlijk, creatief. Wie haar wil neutraliseren, verliest niet alleen risico, maar ook schoonheid, stijl en betekenis.

    Precies hier introduceert Paglia het begrip persona. De persona is geen masker om iets te verhullen, maar een culturele vorm waarin rauwe driften hanteerbaar worden. Stijl, pose, ritueel en zelfs overdrijving zijn geen oppervlakkige franje, maar noodzakelijke middelen om menselijke intensiteit dragelijk te maken. Zonder persona geen kunst, geen cultuur en uiteindelijk ook geen vrijheid.

    Paglia’s feminisme bestaat dan ook niet uit het afwerpen van rollen, maar uit het bewust kiezen ervan. Zij verdedigt het recht van mensen, en in het bijzonder vrouwen, om zich te presenteren, te verleiden, te overdrijven en zich een vorm aan te meten, zonder dat dit automatisch als zelfverloochening of onderwerping wordt geduid. Wie vorm kiest, capituleert niet maar neemt positie in.

    In die zin sluit Paglia naadloos aan bij wat Reve intuïtief formuleerde. Ook zij verzet zich tegen het idee dat waarheid pas verschijnt wanneer alle maskers zijn afgelegd. Integendeel, zonder persona verdampt het zelf tot iets vaags en ongrijpbaars. Authenticiteit is bij haar geen natuurlijke toestand, maar een culturele prestatie.

    Dat maakt haar omstreden. Niet omdat zij geen oog zou hebben voor machtsverhoudingen, maar omdat zij weigert menselijke expressie te reduceren tot moraal. Zij neemt eros, stijl en vorm serieus en dat is voor veel moderne lezers ongemakkelijk. Maar precies daarin ligt haar waarde voor dit betoog: zij laat zien dat het masker niet het probleem is, maar de voorwaarde.

    Ambt, rol en presentie

    Ook binnen het katholicisme is het idee dat waarheid verschijnt in een rol, niet vreemd. Integendeel. Het kerkelijk ambt is van meet af aan opgevat als iets wat wordt aangenomen, gedragen en volgehouden. Diaken, priester en bisschop zijn geen beschrijvingen van een innerlijke gesteldheid, maar namen voor een positie die iemand bewust inneemt. Men is het niet vanzelf; men wordt het, en blijft het alleen door het te leven.

    Het ambt is daarbij geen toneelstuk. De diaken die dient, de priester die het Eucharistisch wonder voltrekt en de sacramenten bedient, de bisschop die leidt en onderwijst, doen niet alsof zij iets anders zijn dan zij zijn. Zij stellen iets, of nauwkeuriger Iemand, present. Niet zichzelf, maar een werkelijkheid die hen overstijgt. Dat vraagt om vorm, om ritueel, om vaste woorden en handelingen. Zonder die vorm zou het ambt niet dieper worden, maar onbestaanbaar worden.

    Opvallend is dat deze rollen niet worden gelegitimeerd door een beroep op innerlijke authenticiteit. Niemand wordt diaken omdat hij zich diep van binnen zo voelt. Niemand wordt priester omdat hij “zichzelf wil zijn”. Het tegenovergestelde is het geval. De rol wordt aangenomen, vaak met aarzeling, soms tegen de eigen voorkeur in. Juist daarin schuilt haar ernst. De vorm wordt niet gekozen om het eigen innerlijk te bevestigen, maar om het eigen leven in dienst te stellen van iets en Iemand die groter is.

    Dat maakt het ambt kwetsbaar en zwaar. Wie een rol draagt die meer is dan privé-expressie, kan zich niet verschuilen achter spontaniteit. De vorm verplicht. Zij legt een maat aan. De rol moet worden volgehouden, ook wanneer het gevoel achterblijft. Niet omdat gevoel onbelangrijk is, maar omdat waarheid niet samenvalt met stemming.

    In dat opzicht sluit het ambt naadloos aan bij wat eerder is beschreven. Ook hier is het masker geen bedrog, maar een verantwoordelijkheid. De rol is geen ontsnapping aan het zelf, maar een manier om het zelf te disciplineren, te richten en te laten verschijnen. Wat wordt getoond is niet “wie ik ben diep van binnen”, maar wie ik kies te zijn in relatie tot anderen.

    Wie dit begrijpt, ziet dat het katholieke wantrouwen tegen vormloosheid geen conservatieve reflex is, maar een antropologisch inzicht. Zonder rol geen presentie. Zonder vorm geen waarheid die gedeeld kan worden. En zonder keuze geen authenticiteit die standhoudt.

    Keuze, vorm en het moderne zelf

    Wat in het voorafgaande zichtbaar werd in literatuur, cultuur, ritueel en ambt, laat zich ook filosofisch doordenken. Niet als sluitstuk, maar als verduidelijking. Twee denkers zijn hier bijzonder behulpzaam: Friedrich Nietzsche en Charles Taylor. Beiden vertrekken vanuit de moderniteit, maar trekken daaruit tegengestelde conclusies. Juist in die spanning wordt duidelijk waar de verwarring rond authenticiteit vandaan komt.

    Nietzsche keert zich fel tegen het idee dat de mens een vaste, gegeven essentie bezit die slechts ontdekt hoeft te worden. Voor hem is het zelf geen kern, maar een opgave. De mens wordt wie hij is door keuzes, door stijl, door de manier waarop hij zijn leven vormgeeft. Niet toevallig speelt esthetiek bij Nietzsche zo’n grote rol. Vorm, houding en zelfinterpretatie zijn geen oppervlakkige toevoegingen, maar constitutief voor wie iemand is.

    Zijn beroemde aansporing word wie je bent is dan ook geen uitnodiging tot introspectie, maar tot schepping. Zij veronderstelt dat het zelf nog niet samenvalt met zichzelf. Authenticiteit betekent hier niet trouw blijven aan een innerlijke waarheid, maar verantwoordelijkheid nemen voor een gekozen vorm. Wie zichzelf serieus neemt, kan zich niet verschuilen achter spontaniteit of natuur. Vorm wordt plicht.

    Dat maakt Nietzsche ongemakkelijk. Zijn denken laat weinig ruimte voor slachtofferschap en nog minder voor onschuld. Wie zichzelf moet maken, draagt ook de last van mislukking. Juist daarom is zijn denken zo relevant voor dit betoog. Het ontneemt authenticiteit haar romantische onschuld en plaatst haar in het domein van keuze, discipline en stijl.

    Waar Nietzsche provoceert, analyseert Charles Taylor. In Sources of the Self beschrijft hij hoe het moderne zelf historisch is ontstaan. Taylor laat zien dat het idee van een innerlijk, authentiek zelf geen tijdloos gegeven is, maar het resultaat van morele verschuivingen, religieuze breuken en culturele heroriëntaties. Het zelf wordt in de moderniteit naar binnen verplaatst, maar blijft tegelijkertijd afhankelijk van betekeniskaders die het zelf niet zelf voortbrengt.

    Volgens Taylor kan niemand zichzelf begrijpen zonder een morele horizon: een kader van waarden, verhalen en idealen waarin keuzes betekenis krijgen. Authenticiteit is dan ook nooit louter individueel. Zij veronderstelt taal, traditie en gedeelde vormen. Zonder die vormen verwordt authenticiteit tot een leeg gebod: wees jezelf, zonder te zeggen wat dat betekent of waaraan dat te toetsen valt.

    Hier raakt Taylor precies aan de kern van de moderne misvatting. Wie authenticiteit loskoppelt van vorm en rol, denkt vrijheid te winnen, maar verliest juist richting. Het innerlijk wordt onaantastbaar, maar ook onzegbaar. Wat resteert is een zelf dat zich voortdurend miskend voelt, omdat het weigert zich te tonen in een vorm die aanspreekbaar is.

    Samen maken Nietzsche en Taylor duidelijk wat hiervoor al zichtbaar werd. Authenticiteit is geen toestand die men aantreft door lagen af te pellen, maar een verhouding die men aangaat. Zij ontstaat waar iemand positie kiest, vorm aanneemt en bereid is daarop aangesproken te worden. Niet het ontbreken van een masker maakt iemand echt, maar de moed om een masker te kiezen en dat te dragen.

    In dat licht bezien is de moderne afkeer van rollen geen bevrijding, maar een verarming. Zij verwart vormloosheid met diepte en vrijblijvendheid met waarheid. Wat zij mist, is precies wat Reve, Paglia, het ritueel en het ambt ieder op hun eigen wijze laten zien: dat het zelf pas werkelijk verschijnt waar het zich bindt aan vorm.

    Conclusie: authenticiteit herwonnen

    Wat al deze lijnen met elkaar verbindt, is een misverstand dat hardnekkiger is dan het lijkt. De gedachte dat authenticiteit begint waar rollen eindigen. Dat men pas echt wordt wanneer alle vormen zijn afgelegd. Dat wie speelt, zich verbergt, en wie zich toont, zich verraadt. Het is een aantrekkelijk idee, maar het houdt geen stand.

    Wie geen rol durft te kiezen, kiest niet voor waarheid, maar voor onzichtbaarheid. Wie zich verschuilt achter een innerlijk dat nooit gestalte krijgt, onttrekt zich aan aanspreekbaarheid. Niet het masker dient als schuilplaats, maar het innerlijk. Het masker is juist de vorm waarin men zich uit. Vormloosheid is geen diepte, maar uitstel. En vrijblijvendheid is geen vrijheid.

    Authenticiteit vraagt om keuze. Om het aannemen van een vorm die niet vanzelf spreekt, die discipline vraagt en verantwoordelijkheid oplegt. Het masker dat zo wordt gekozen, is geen leugen, maar een belofte. Het toont niet alleen wie iemand is, maar ook wie hij bereid is te zijn.

    Dat inzicht verschijnt steeds in hetzelfde patroon: waarheid wordt niet gevonden achter de vorm, maar in de vorm. Het masker is, zo bezien, dubbel authentiek. Het toont het zelf in vorm en het toont het zelf in de keuze voor die vorm.

    Wie dat eenmaal ziet, hoeft niet langer te kiezen tussen echtheid en rol. De rol die men speelt, dat is men echt. En precies daarin wordt authenticiteit herwonnen, niet als gevoel, maar als daad.