Tag: Metafysica

  • Onsterfelijk als verhaal

    De narratieve aap

    In mijn eerdere stukken over PacMan gebruikte ik een gedachte-experiment dat ik hier opnieuw nodig heb. Stel je een PacMan voor die zich niet bewust is van de hardware waarop hij draait. Hij kent geen CPU, geen geheugen, geen elektriciteit, geen programmeur. Voor ons is zijn wereld een raster van pixels en regels code. Voor hem is het de enige werkelijkheid die bestaat: een doolhof met muren, gangen, vijanden, voedsel, dreiging en doel. Dat die wereld voor ons slechts een afbeelding is, maakt haar voor hem niet minder echt.

    Die PacMan leeft, voor zover een gedachte-experiment dat toelaat, in een gesloten universum. Alles wat hij kan waarnemen, alles wat hij kan zijn, alles wat hij kan vrezen of hopen, speelt zich af binnen de semantiek van dat doolhof. Buiten die betekenisruimte is voor hem niets. Hij kan niet “boven” zijn wereld uitstijgen om haar te bekijken zoals wij dat doen. Hij is zijn wereld.

    Stel je nu iets radicalers voor: een Pac-Man die zijn wereld kan veranderen. Niet door de hardware te manipuleren, want hardware bestaat voor hem niet, maar door verhalen te vertellen. Door betekenis toe te kennen. Door nieuwe verbanden te leggen. Door te zeggen: “dit is een vijand”, “dit is een veilige plek”, “dit is een doel”, “dit is een belofte”. In zo’n wereld is het vertellen van een verhaal geen beschrijving achteraf, maar een scheppende daad. Wat geen plaats heeft in het verhaal, bestaat eenvoudigweg niet. Wat wél wordt verteld, krijgt werkelijkheid.

    Dat is geen sciencefiction. Dat is precies hoe menselijke werkelijkheid functioneert.

    Daniel Dennett en Yuval Harari noemen de mens de narrative animal: een wezen dat zichzelf en zijn wereld niet ervaart als een verzameling fysische toestanden, maar als een doorlopende vertelling. Wij leven niet in een kale ruimte van objecten, maar in een landschap van betekenissen. Vriend. Vijand. Schuld. Liefde. Verantwoordelijkheid. Hoop. Ze bestaan niet als natuurfeiten, maar als elementen van een verhaal dat wij met elkaar blijven vertellen.

    Identiteit is daarom geen ding dat je bezit, maar een narratief proces. Ik ben het verhaal dat ik over mezelf kan blijven voortzetten: wie ik was, wie ik ben, wie ik denk te worden. Wanneer dat verhaal breekt, door ziekte, trauma of dementie, breekt niet alleen het geheugen, maar de persoon zelf. En wanneer iemand sterft, verdwijnt niet meteen alles wat hij was: hij leeft voort in de verhalen die anderen over hem blijven dragen, in de beloftes die hij heeft achtergelaten, in de sporen die hij in andere levens heeft getrokken.

    Wij zijn, net als die denkbeeldige PacMan, opgesloten in een wereld die voor ons volledig werkelijk is, maar die alleen bestaat bij de gratie van betekenis. Wij kennen de “hardware” van de werkelijkheid niet. Wij kennen alleen de verhalen waarin zij zich aan ons toont. En binnen die verhalen, niet daarbuiten, worden dingen werkelijk, belangrijk, heilig of verwerpelijk.

    Als dat zo is, dan krijgt een oude theologische vraag ineens een nieuwe scherpte:

    wat betekent het eigenlijk om te zeggen dat een mens een ziel heeft?

    De ziel als informatiedrager

    Vrijwel alle grote religieuze tradities kennen een onderscheid tussen wat een mens lijkt te zijn en wat hij werkelijk is. In het christendom heet dat onderscheid lichaam en ziel. In hindoeïsme en boeddhisme spreken we over ātman en samsara, over een innerlijk zelf dat door reeksen van levens heen reist. In allerlei vormen van reïncarnatiegeloof is het lichaam een tijdelijk voertuig, terwijl de ziel de ware drager van identiteit is. Het lichaam komt en gaat; het zelf blijft.

    Wat al deze tradities delen, is een intuïtie: wie ik ben, valt niet samen met mijn huidige fysieke verschijning. Er is iets dat mij tot mij maakt, en dat iets kan blijkbaar in principe los van dit lichaam gedacht worden.

    Maar zodra we die intuïtie proberen te concretiseren, lopen we vast. Wat is die ziel dan? Is zij een onstoffelijk object? Een geestelijke substantie? Een soort kosmische reiziger die lichamen betreedt en verlaat? Dat beeld voelt vertrouwd, maar het verklaart niets. Het schuift het probleem alleen op: wat is zo’n ding, en hoe draagt het een identiteit?

    De moderne wetenschap heeft het probleem alleen maar scherper gemaakt. Persoonlijkheid, herinneringen, karaktertrekken, zelfs morele intuïties blijken sterk verbonden met de werking van het brein. Beschadig een bepaald stukje hersenweefsel en iemand wordt letterlijk een ander mens. Dat is geen ontkenning van de ziel, maar het maakt wel duidelijk dat identiteit geen los zwevend object is dat toevallig informatie in het brein opslaat. Het brein is het dragende systeem van die informatie.

    Daarmee wordt een andere beschrijving van de ziel steeds plausibeler: niet als een ding, maar als een hoogwaardig informatieverwerkend systeem. De ziel is dan niet een extra laag bovenop het lichaam, maar het patroon van geheugen, betekenis, intentie en zelfverwijzing dat een mens tot persoon maakt. Zij is niet waar de informatie ligt, maar hoe zij wordt georganiseerd, verbonden en geïnterpreteerd.

    Dat is precies waarom Thomas van Aquino, eeuwen vóór de neurowetenschap, al weigerde de ziel als een zelfstandig object te beschouwen. In de Summa Theologiae schrijft hij:

    “Anima non est hoc aliquid.”
    De ziel is geen ‘dit-ding’. (ST I, q. 75, a. 2)

    En even kernachtig:

    “Anima est forma corporis.”
    De ziel is de vorm van het lichaam. (ST I, q. 76, a. 1)

    De ziel is voor Thomas geen spook in de machine, maar het organiserende principe dat maakt dat deze materie een levende, menselijke persoon is. Daarom noemt hij het voortbestaan van de ziel na de dood ook een gebrekkige toestand: een mens hoort niet een losse ziel te zijn, maar een belichaamde eenheid.

    In moderne termen zouden we zeggen: de ziel is geen bestand dat je kunt kopiëren, maar het lopende proces dat informatie tot identiteit maakt. Het narratief dat zichzelf blijft bijwerken. Trauma, dementie en hersenbeschadiging zijn daarom geen randverschijnselen, maar existentiële verstoringen: ze tasten het informatiesysteem aan dat iemand tot zichzelf maakt.

    De ziel is dus geen onsterfelijke kern die ergens veilig buiten de wereld staat. Zij is een fragiele, maar rijke vorm van organisatie: een patroon dat alleen bestaat zolang het verteld, herinnerd en gedragen wordt. Dat geldt voor het individuele leven, maar ook voor grotere verbanden. Families, culturen, religies, kerken, het zijn geen dingen, maar narratieve systemen die zichzelf doorgeven in de tijd.

    En daarmee wordt de vraag naar onsterfelijkheid fundamenteel anders. Niet: welk stukje van mij ontsnapt aan de dood?

    Maar: in welk groter informatiesysteem kan mijn verhaal opgenomen blijven?

    Daarmee is het mensbeeld nu scherp genoeg om iets te durven zeggen over God; niet als een wezen tussen andere wezens, maar als iets wat zich tot betekenis verhoudt zoals de ziel zich tot het lichaam verhoudt.

    Dat is het punt waarop Johannes 1 binnenstapt.

    Het woord

    “In den beginne was het Woord.”

    De proloog van het Johannesevangelie is een van de meest geciteerde en tegelijk minst serieus genomen teksten uit het christendom. Meestal wordt hij gelezen als poëzie, als mystiek, als een soort verheven voorwoord. Maar Johannes schrijft hier geen sfeertekst. Hij doet iets radicaals: hij definieert wat God is.

    Het Griekse woord dat hier staat is Λόγος, Logos in Latijns schrift. Dat betekent niet alleen “woord”, maar ook “rede”, “betekenis”, “structuur”, “dat wat samenhang geeft”. In de wereld van Johannes was de Logos datgene waardoor de kosmos geen chaos was, maar een begrijpelijke, ordelijke werkelijkheid. Niet een ding in de wereld, maar het principe waardoor de wereld überhaupt iets kan betekenen.

    Johannes schrijft:

    In den beginne was de Logos,
    en de Logos was bij God,
    en de Logos was God.
    (Johannes 1:1)

    Dat is een merkwaardige zin. De Logos is niet iets dat God heeft. Het is God. Dat betekent dat God in deze tekst niet wordt opgevat als een superwezen met macht en eigenschappen, maar als datgene wat werkelijkheid tot betekenis maakt. God is niet een object in het universum, maar de grond waarop betekenis mogelijk is.

    De grote kerkvaders lazen dit precies zo. Augustinus schrijft in De Trinitate:

    “Verbum Dei est ratio et sapientia Dei.”
    Het Woord van God is Gods verstand en wijsheid.

    Met andere woorden: het Woord is niet een geluid, maar het innerlijke betekenissysteem van God zelf. Athanasius zegt in De Incarnatione dat door de Logos de wereld begrijpelijk en samenhangend is. En paus Benedictus XVI vatte dat in zijn beroemde Regensburglezing kernachtig samen:

    Niet handelen volgens de rede is in strijd met Gods natuur.

    God is dus geen willekeurige macht, geen blinde wil, geen mythisch wezen. God is Logos: rede, betekenis, samenhang. Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige secties zagen. De ziel is geen ding, maar een patroon van betekenis. De mens is een narratief wezen. Werkelijkheid is voor ons niet primair fysisch, maar semantisch.

    Johannes gaat nog verder. Hij schrijft:

    En het Woord is vlees geworden.
    (Johannes 1:14)

    Dat is misschien wel de meest radicale zin in de christelijke traditie. Niet: God gebruikte een mens. Niet: God verscheen als een mens. Maar: betekenis werd lichaam. De Logos, dat wat de wereld tot wereld maakt, nam de vorm aan van een concrete, historische, kwetsbare menselijke levensloop.

    Incarnatie is dus niet een bovennatuurlijk spektakel, maar een ontologische uitspraak: dat wat de wereld draagt als betekenis, heeft zich laten kennen binnen een menselijk verhaal.

    En hier sluit alles wat we eerder hebben opgebouwd op elkaar aan. Als de ziel een informatiesysteem is dat een leven tot een verhaal maakt, en als God de Logos is, het veld van betekenis waarin alle verhalen kunnen bestaan, dan is de verhouding tussen God en mens niet die van twee objecten, maar die van verhaal en context, van betekenis en drager.

    God is niet het grootste ding in het universum.

    God is het geheel waarin alle dingen betekenis krijgen.

    Maar dan rijst onmiddellijk de vraag:

    als God Logos is, als God betekenis en verhaal is, wat betekent dat dan voor zijn “bestaan”?

    Dat is waar Mozes bij de brandende struik plotseling zijn gewicht krijgt.

    “Ik ben”

    Wanneer Mozes bij de brandende struik vraagt wie het is die hem zendt, krijgt hij geen naam in de gewone zin. God zegt niet: “Ik ben dit” of “Ik ben dat”. Hij zegt:

    Ehyeh asher ehyeh — Ik ben die Ik ben.
    (Exodus 3:14)

    Dat is geen ontologische definitie zoals een filosoof die zou geven. Het is ook geen beschrijving van een eigenschap. Het is een weigering om zich als een ding te laten vastleggen. God zegt niet dat Hij bestaat zoals een berg bestaat, of een mens bestaat, of een geest bestaat. Hij zegt alleen: Ik ben.

    In het Hebreeuws is dat nog radicaler dan in vertaling. Ehyeh is een werkwoordsvorm: zijn als beweging, als aanwezigheid, als voortdurende actualiteit. God definieert zichzelf niet als een zijnde, maar als zijn zelf. Dat is waarom de klassieke theologie later zou spreken over God als actus purus: geen object in de wereld, maar het gebeuren van zijn zelf.

    Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige sectie zagen over de Logos. Als God geen ding is, maar Logos, betekenis, samenhang, verstaanbaarheid, dan kan Hij ook niet bestaan zoals dingen bestaan. Een verhaal bestaat niet zoals een steen bestaat. Het is er. Het werkt. Het vormt werkelijkheden. Maar je kunt het niet aanwijzen als object. Het is een zijnswijze, geen entiteit.

    In die zin is “God als verhaal” geen poëtische metafoor, maar een precieze ontologische uitspraak. God is dat wat is in de vorm van betekenis. Niet een actor in het verhaal, maar het veld waarin verhalen kunnen zijn. Dat is waarom Hij zich kan openbaren in woorden, beloften, geboden en geschiedenissen zonder ooit tot een object gereduceerd te worden.

    Wanneer Johannes zegt dat de Logos God is, en wanneer Exodus laat zien dat God “Ik ben” is, dan wijzen die twee teksten in dezelfde richting: God is geen iets. God is dat het iets kan betekenen. Het dragende weefsel van verstaanbaarheid zelf.

    Dat is ook waarom incarnatie zo vreemd en zo centraal is. “Het Woord is vlees geworden” betekent niet dat een bovennatuurlijk wezen een lichaam aantrok. Het betekent dat betekenis zich heeft laten kennen binnen een concrete, eindige levensloop. Dat het verhaal een lichaam heeft gekregen. Niet om op te houden God te zijn, maar om als God in de wereld leesbaar te worden.

    God als Logos.

    God als “Ik ben”.

    God als het verhaal dat werkelijkheden mogelijk maakt.

    En als dat zo is, dan wordt de vraag naar onsterfelijkheid opnieuw onontkoombaar: niet als het voortbestaan van een ziel-ding, maar als het voortbestaan van betekenis.

    Onsterfelijk als verhaal

    Wanneer onsterfelijkheid wordt voorgesteld als het eindeloze voortbestaan van een ziel-ding, roept dat bijna vanzelf het beeld op van een individu dat ergens blijft rondzweven: dezelfde persoon, met dezelfde herinneringen, losgemaakt van tijd en lichaam. Maar wie de vorige stappen serieus neemt, kan dat beeld niet meer vasthouden. De ziel is geen object. Zij is een patroon, een narratief informatiesysteem. En wat geen ding is, kan ook niet op de manier van dingen bestaan.

    De vraag is dus niet: waar ben ik na mijn dood?

    De vraag is: in welk verhaal blijf ik bestaan?

    Dat klinkt misschien vaag, maar het is in feite uiterst concreet. Ieder mens leeft al tijdens zijn leven in verhalen die groter zijn dan hijzelf: familiegeschiedenissen, vriendschappen, gemeenschappen, tradities, instituties. Wie wij zijn, wordt voortdurend mede gevormd door die grotere narratieven. En wanneer wij sterven, verdwijnen wij niet uit de werkelijkheid. Wij leven voort in herinneringen, in beloften die wij hebben gedaan en die nog gelden, in wonden die wij hebben geslagen, in liefde die nog werkt. Dat is geen symbolisch voortbestaan. Dat is hoe betekenis in de tijd functioneert.

    Voor mij is dat grotere verhaal, waarin mijn leven is ingebed, heel concreet: het verhaal van de Kerk. Niet de Kerk als organisatie, maar de Kerk als levend narratief dat teruggaat op een kleine groep mensen rond Jezus van Nazaret en zich sindsdien, door tweeduizend jaar geschiedenis heen, heeft voortgezet. Een verhaal van verkondiging, verraad, heiligheid, mislukking, bekering en trouw. Een verhaal dat mensen heeft voortgebracht, gevormd, gebroken en opnieuw samengebracht.

    Wanneer Jezus in het Matteüsevangelie zegt dat de poorten van de hel zijn Kerk niet zullen overweldigen (Matteüs 16:18), belooft hij geen onfeilbare organisatie. Hij belooft de duurzaamheid van een verhaal. Dat wat in hem begonnen is, de Logos die vlees werd, zal niet uit de wereld verdwijnen. Het zal blijven worden verteld, gevierd, bevochten en gedragen.

    De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt in de eschatologie opvallend voorzichtig over tijd. Wij wachten niet op een eindtijd die ergens in de toekomst begint, maar leven al in de laatste tijden. De nieuwe schepping is begonnen, maar nog niet voltooid. De geschiedenis van de wereld en de geschiedenis van het heil zijn niet twee gescheiden lijnen, maar één doorlopende beweging van betekenis.

    Onsterfelijkheid ligt in dat licht niet in een privé-bestaan na de dood, maar in de opname van mijn leven in dat grotere, blijvende verhaal. Ik ben onsterfelijk voor zover wat ik was en deed en liefhad, opgenomen blijft in de Logos die de Kerk draagt. Niet omdat ik als individu oneindig blijf, maar omdat mijn verhaal niet uit het verhaal van God kan vallen.

    Dat is geen verarming van de christelijke hoop. Het is haar radicale verdieping. Want wat hier wordt beloofd, is niet dat ik mezelf voor eeuwig behoud, maar dat niets wat werkelijk betekenis had ooit verloren gaat.

    Geen ketterij

    Wat hier is gezegd over God, ziel en onsterfelijkheid klinkt voor veel oren ongewoon. Maar de vraag is niet of het vertrouwd klinkt. De vraag is of het botst met wat de Kerk werkelijk leert.

    Om dat te toetsen, moeten we niet naar populaire beelden kijken, maar naar de Catechismus. Ik gebruik de Engelse versie, omdat het Vaticaan geen Nederlandse versie op haar website heeft gezet.

    1. God is geen ding

    De Catechismus is hier opvallend helder:

    “God is one, but not solitary.” (CCC 254)

    Dat klinkt triviaal, maar het zegt iets fundamenteels: God is geen individu in de rij van andere individuen. Hij is geen zijnde naast andere zijnden. En nog explicieter:

    “God transcends all creatures. We must therefore continually purify our language of everything in it that is limited, image-bound or imperfect.” (CCC 42)

    God is dus niet te vangen in categorieën die we op dingen toepassen. Dat sluit naadloos aan bij Exodus 3:14: Ik ben. Geen object. Geen soort. Geen plaats in een ontologische inventaris.

    Dat betekent dat wanneer we God aanduiden als Logos, als betekenis, rede, samenhang, we Hem niet reduceren tot een metafoor, maar juist wegblijven van een valse objectificatie.


    2. Christus: het Woord werd vlees

    De Catechismus verwoordt Johannes 1 letterlijk:

    “The Word became flesh to make us ‘partakers of the divine nature.’” (CCC 460)

    En ook:

    “The Son of God… worked with human hands; he thought with a human mind, acted with a human will, and loved with a human heart.” (CCC 470)

    Hier staat geen idee van een goddelijk ding dat een menselijk ding bestuurt. Hier staat: de Logos zelf, Gods wijze van zijn, heeft zich volledig uitgedrukt in een menselijk leven.

    Christus is dus niet God plus mens, maar God als menselijk verteld leven. Precies wat Johannes bedoelt met “het Woord is vlees geworden”.


    3. De Drie-eenheid is geen drie dingen

    De Catechismus verzet zich expliciet tegen het idee dat Vader, Zoon en Geest drie afzonderlijke “objecten” zouden zijn:

    “The divine persons do not share the one divinity among themselves but each of them is God whole and entire.”(CCC 253)

    Dat betekent: de Drie-eenheid is geen verzameling personen in menselijke zin, maar één goddelijke werkelijkheid in drie wijzen van bestaan.

    Binnen mijn denkkader

    • de Vader als bron van betekenis
    • de Zoon als uitgesproken betekenis
    • de Geest als werkzame betekenis in de tijd

    is dat geen afzwakking, maar een verheldering.


    4. De ziel is geen zelfstandig object

    De Catechismus sluit hier aan bij Thomas:

    “The human person, created in the image of God, is a being at once corporeal and spiritual.” (CCC 362)

    En:

    “The soul is the spiritual principle in man.” (CCC 363)

    Let op wat hier níét staat dat de ziel een zelfstandig ding is dat naast het lichaam bestaat. Zij is een principe, een vorm van organisatie en betekenis. Dat past exact bij mijn omschrijving als hoogwaardig informatiesysteem.


    5. Verrijzenis is geen biologisch herstel

    De Catechismus is hier expliciet:

    “What is ‘rising’? In death, the separation of the soul from the body, the human body decays… ” (CCC 997)

    En:

    “[This body will be changed into] a glorified body.” (CCC 999)

    Niet hersteld. Niet gerepareerd. Veranderd van zijnswijze.

    Dat is precies wat mijn these stelt: geen voortzetting van een fysisch object, maar een nieuwe vorm van bestaan binnen God.


    6. Eschatologie is geen toekomstmoment

    De Catechismus zegt:

    “Christ’s kingdom already manifests its presence through the miraculous signs that attend its proclamation by the Church” (CCC 670)

    En:

    “Since the Ascension God’s plan has entered into its fulfilment.” (CCC 670)

    We wachten niet op een latere tijd waarin alles begint. We leven al in de eschatologische werkelijkheid. Dat betekent: onsterfelijkheid is geen toekomstig evenement, maar een andere dimensie van het huidige zijn.


    Wat blijft er dan over?

    Alles.

    • God is geen ding → maar Logos
    • Christus is geen gemaskerde God → maar vleesgeworden betekenis
    • De ziel is geen object → maar een narratief informatiesysteem
    • De verrijzenis is geen sciencefiction → maar transformatie in God
    • De eindtijd is geen datum → maar de huidige diepte van de werkelijkheid

    Dat is niet buiten de katholieke leer.

    Het is de katholieke leer, de Bijbel volgend en zonder heilige huisjes uit de menselijke geschiedenis als beperking.

    En precies daarin kan een mens onsterfelijk zijn:

    niet als los ik,

    maar als blijvende betekenis

    in het verhaal dat God zelf is.

    Nagekomen gedachten

    Herlezend realiseer ik me dat mijn idee een paar vragen onbeantwoord laat. In ieder geval de vraag hoe het zit met het katholieke idee van een oordeel bij je dood. Mijn antwoord daarop is dat het particuliere oordeel igeen juridisch moment is waarin God een vonnis uitspreekt. Het is het moment waarop ik, opgenomen in de Logos, eindelijk mijn eigen verhaal zie zoals het altijd al was. Loutering is niet straf, maar het pijnlijke wegvallen van alle valse zelfbeelden. Wat waar was blijft. Wat leugen was, kan niet bestaan in Gods aanwezigheid

    Een andere nogal relevante vraag ziet op het katholieke idee van een persoonlijke God, een God waarmee je een relatie hebt. Of niet, natuurlijk. Een God ook die liefde is. Daarop is mijn antwoord dat binnen dit denkkader liefde geen extern gebeuren is tussen twee objecten, maar de fundamentele wijze waarop God bestaat. De Vader kent de Zoon niet als een ander ding, maar in volledige zelfgave. De Logos is niet informatie over God, maar Gods eigen zelfkennis. Wanneer ik besta in de Logos, word ik gekend zoals de Zoon door de Vader wordt gekend: niet als object, maar als geliefde die wordt gedragen in het innerlijk leven van God zelf.

    Een derde vraag betreft de incarnatie zelf en de wonderen die in de evangeliën worden beschreven. Als God geen interventionistische macht is die van buitenaf ingrijpt, hoe werd het Woord dan vlees? En wat betekenen wonderen in dit kader?

    Mijn antwoord: incarnatie is geen interventie, maar manifestatie. God wordt niet iets anders in Jezus. De Logos blijft Logos. Maar in deze ene menselijke levensloop wordt zichtbaar wat altijd al het geval was: dat menselijk bestaan narratief bestaan is, en dat verhalen hun werkelijkheid ontlenen aan de Logos. Jezus is niet God-die-zich-vermomde-als-mens, maar de mens waarin volledig transparant werd wat God is: betekenis die vlees wordt, verhaal dat zich incarneert.

    De wonderen zijn dan geen doorbreking van natuurwetten, maar herordening van betekenis. Water wordt wijn: niet als chemisch proces, maar als liturgisch gebeuren waarin de betekenis van een maaltijd wordt getransformeerd. Lazarus wordt opgewekt: niet als biologische reanimatie, maar als narratieve omkering, het verhaal dat eindigde in dood wordt voortgezet. De vraag ‘gebeurde dit fysiek?’ is hierbij minder relevant dan de vraag: veranderde dit de werkelijkheid? En het antwoord op die laatste vraag is: ja. Want werkelijkheid is wat betekenis heeft, niet wat fysisch meetbaar is.

    Dit vraagt wel dat historiciteit op twee niveaus wordt begrepen. Niet: gebeurde dit exact zoals beschreven in causaal-fysische zin? Maar: gebeurde hier iets dat verhalen en dus werkelijkheden fundamenteel veranderde? Het eerste weten we niet en kunnen we niet weten. Het tweede is precies wat het evangelie claimt: na Jezus was de wereld anders, niet omdat de fysica veranderde, maar omdat betekenis anders werd verdeeld.

    Hetzelfde geldt voor de maagdelijke geboorte en de onbevlekte ontvangenis van Maria. Beide dogma’s klinken in moderne oren als biologische abnormaliteiten, als doorbreking van natuurlijke voortplanting. Maar dat is een mislezing.

    De maagdelijke geboorte zegt niet: God manipuleerde chromosomen. Het zegt: wat hier begon, kwam niet voort uit menselijke intentie, begeerte of macht. Dit verhaal heeft geen menselijke auteur. Het is Logos zelf die vlees wordt. Niet als biologisch feit dat je kunt verifiëren, maar als theologische uitspraak: hier begint iets dat niet uit de wereld voortkomt, maar aan de wereld wordt gegeven.

    De onbevlekte ontvangenis van Maria zegt evenmin iets over haar DNA of over een genetische schoonmaak. Het zegt: in haar wordt zichtbaar dat een mens volledig vrij kan zijn van de dwangmatige patronen die wij ‘erfzonde’ noemen. Niet omdat God ingreep in haar biologie, maar omdat zij volledig open stond voor de Logos. Erfzonde is geen genetische vloek, maar de narratieve gevangenis waarin mensen zichzelf en elkaar blijven vastzetten. Maria is de eerste die daaruit vrij was, niet door natuurlijke onmogelijkheid maar door genadige mogelijkheid.

    Ook hier geldt: de vraag ‘gebeurde dit fysiek precies zo?’ is minder relevant dan de vraag ‘wat maakt dit dogma waar?’ Het antwoord: dat God niet afhankelijk is van menselijke macht, en dat mensen niet gevangen hoeven blijven in destructieve verhalen.

    Eén van mijn favoriete ‘wonderen’ is een hagiografisch verhaal over Bernardus van Clairvaux: hij zou in stromende regen een brief hebben geschreven op perkament met inkt, iets dat fysisch onmogelijk is. Het wonder is kneuterig, alledaags, bijna lachwekkend als je het fysisch probeert te reconstrueren. Maar het verhaal heeft de eeuwen doorstaan. Niet omdat het de natuurkunde trotseerde, maar omdat het iets vertelt over toewijding, over wat werkelijk belangrijk is, over een mens die zo gedreven was dat zelfs regen hem niet tegenhield. Het wonder zit in de betekenis, niet in de meteorologie.

  • PacMan en de Logos

    PacMan’s onbeantwoorde vraag

    Eerder besprak ik de wereld van de mens met PacMan als beeld. PacMan die leeft in een wereld die niet “bestaat” zoals wij gewend zijn over bestaan te denken. De wereld van PacMan is die van een empirist die goed heeft opgelet toen Descartes zei dat hij slechts van één zekerheid kan uitgaan: cogito ergo sum.

    De empirist heeft een heldere epistemologische visie. Alle kennis komt voort uit zintuigelijke waarneming. Hoewel maar weinig mensen deze filosofie tot in haar uiterste doordrijven is het wel min of meer de manier waarop men in ons deel van de wereld naar de werkelijkheid kijkt. Wat we waarnemen bestaat en wat bestaat kunnen we waarnemen. Voor de agnost bestaat er nog enige nuancering, zoals verwoord door Kant in zijn Kritiek van de zuivere rede. Kant formuleert het negatief als hij van de klassieke metafysica zegt dat deze feitelijk irrelevant is omdat alles wat niet waargenomen kan worden ofwel niet bestaat ofwel voor ons geen betekenis heeft en alles wat wel betekenis voor ons heeft direct of indirect waarneembaar moet zijn. Het is een manier van denken die goed past bij een modern, atheïstisch, “wetenschappelijk” wereldbeeld. Dat het op het niveau van de quantum mechanica soms wat lastig valt vol te houden mag de pret niet drukken, Schrödingers kat ligt er niet wakker van, of die nu leeft of dood is.

    Descartes constateert een tamelijk evident punt. Onze zintuigen bedriegen ons. Maar als dat zo is, waar blijf je dan als empirist? Descartes concludeert dat de werkelijkheid niet bewijsbaar bestaat als we alleen van waarneming mogen uitgaan. Er is slechts een zekerheid en dat is het bestaan van degene die zich afvraagt of er wel iets bestaat. Descartes zegt dus: uit het feit dat ik nadenk over het bestaan (cogito) volgt logischerwijs (ergo) dat degene die zich die vraag stelt bestaat (sum).

    Hoe past PacMan en zijn wereld hier in? Enerzijds is de werkelijkheid van PacMan dat wat hij kan waarnemen. Een doolhof, spookjes, eetbare punten. In zoverre is PacMan een empirist, dat wat je kan waarnemen bestaat kennelijk. Maar de wereld van PacMan wordt pas zinvol als je tegelijk onderkent dat niets in de wereld van PacMan, inclusief PacMan zelf, bestaat op de manier waarop wij bestaan herkennen. PacMan is voor ons slechts een afbeelding op een beeldscherm immers. Om de wereld van PacMan compleet te maken voor PacMan zelf zal je empirisme en een vorm van cartiaans dualisme met elkaar moeten verbinden. Ongeschikt voor de moderne natuurkundige, maar wel nodig om de narratieve aap te begrijpen.

    Het cartesiaanse dualisme raakt hierbij scherp aan de vraag hoe PacMan zijn wereld kan programmeren zonder een flauw benul te hebben van de hardware waarop zijn wereld is geprogrammeerd. Descarte stelt dat we enerzijds een denkende geest zijn, de res cogitans, en anderzijds een materieel lichaam, de res extensa. Voor PacMan betekent dat ongeveer dat het gele happertje dat we zien, maar ook de hele wereld die tot de empirische werkelijkheid van PacMan behoort te vinden is in de dimensie van de res extensa. De wereld van de programmeur, degene die de hardware laat doen wat die doet, vinden we dan in de res cogitans. Waar Descartes niet zo helder over is, en wat voor nogal wat kritiek heeft gezorgd, is de vraag hoe die werelden met elkaar communiceren. En dat is ook precies het vraagstuk van PacMan. Leuk dat PacMan zijn eigen wereld kan programmeren, maar hoe dan?

    Ik zal vanaf nu PacMan los laten. Het beeld heeft zijn werk wel gedaan. Het moet niet langer over het beeld gaan, maar over de mens zelf. De narratieve aap.

    Johannes: het woord als mechaniek

    Het Johannes Evangelie begint, anders dan de andere drie Evangeliën niet met Jezus in de wereld, maar met de schepping. De proloog van Johannes is in zekere zin het echte scheppingsverhaal. Waar Genesis vertelt wat bij de schepping gebeurd zou zijn, beschrijft Johannes hoe scheppen eigenlijk werkt.

    In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.

    (Johannes 1;1-3)

    of in de Vulgaat:


    In principio erat Verbum, et Verbum erat apud Deum, et Deus erat Verbum. Hoc erat in principio apud Deum. Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso factum est nihil, quod factum est;

    De Vulgaat-vertaling is van belang. In de grondtekst, in Koine Grieks, staat λόγος, een mannelijk woord. In de Vulgaat is gekozen voor Verbum, wat onzijdig is. Waar het hier om gaat is dat het per ipsum in de Willibrord-vertaling vertaald is als “door Hem”, en daarmee automatisch christologisch geduid is. Dat we in de Nederlandse vertaling een hoofdletter zien versterkt dat effect. Maar de Vulgaat is hier dus nadrukkelijk niet, en de grondtekst is niet nadrukkelijk, christologisch. Een vertaling zonder die christologische duiding had kunnen zijn:

    In het begin was het woord en het woord was bij God en het woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door het woord geworden en zonder het woord is niets geworden van wat geworden is.

    Het is onorthodox om Johannes te ontdoen van een christologische interpretatie, maar het is wel grammaticaal correct vertalen. En het laat ineens iets heel interessants zien. Johannes beschrijft hier niet zozeer wie de werkelijkheid geschapen heeft, maar hoe dat is gebeurd.

    Het lost meteen een detail op dat ik persoonlijk altijd wat onbegrijpelijk heb gevonden in het credo van Nicea. Het gaat om dit zinnetje:

    en door wie alles geschapen is

    Dit verwijst in het credo zonder enige twijfel naar Jezus. Maar hoe werkt dat eigenlijk, iets scheppen “door Jezus”?

    ook hier is het Latijn weer boeiend. Dan lezen we

    per quem omnia facta sunt

    Let op: per quem (mannelijk, door hem), en dus niet per ipsum (onzijdig, door het). Het credo neemt dus de woorden van Johannes, maar maakt ze mannelijk in plaats van onzijdig. Het credo maakt de tekst dus christologisch, en dat is precies wat je van een credo mag verwachten. Het geeft een gelovige duiding, credo betekent letterlijk “ik geloof”. Maar die duiding komt dus niet van Johannes en Johannes is daarmee dan ook meteen een stuk minder mystiek of religieus dan het op het eerste gezicht lijkt.

    Johannes schrijft in feite:

    1. Er is woord. Taal.
    2. Woord, taal is bij God. Woord is God.
    3. Schepping vindt plaats door middel van woord. Taal.
    4. Ergo, taal is het instrument waarmee de werkelijkheid gemaakt wordt.

    Nota bene, ik beweer niet dat hieraan enig gezag kan worden ontleent. Het is niet waar omdat Johannes het schrijft. Ik beweer wel dat Johannes het schrijft omdat het waar is.

    Wittgenstein: de grenzen die niet begrenzen

    Ludwig Wittgenstein had een radicaal project. In zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1922) wilde hij een definitieve grens trekken tussen zinvolle en zinloze taal. Zinvolle taal spreekt over feiten, over wat het geval is in de wereld. Metafysica, denken over God, het goede, het schone, de zin van het bestaan, valt buiten die grens. Het is niet vals, maar letterlijk betekenisloos. Onzin. Wittgenstein wilde de filosofie zuiveren door haar te laten zwijgen over alles waarover we niet helder kunnen spreken.

    Maar dan komt de beroemde ladder-metafoor. In propositie 6.54 schrijft Wittgenstein: “Mijn stellingen verduidelijken doordat hij die mij verstaat ze uiteindelijk als onzinnig herkent, wanneer hij door middel van die stellingen erop, erover heen, is geklommen. (Hij moet de ladder wegwerpen, nadat hij erop is geklommen.)” Het is een verbijsterende zet. Wittgenstein zegt: alles wat ik net schreef is strikt genomen zelf ook onzin. Gebruik mijn boek als ladder, klim erop, en gooi het dan weg.

    Maar waar sta je dan? Als de ladder weg is, als alle metafysica onzin is, als alle filosofie die over de grenzen van de taal probeert te spreken zelf buiten die grenzen valt, wat blijft er dan over? Wittgenstein wilde een grens trekken, maar laat daarmee juist zien dat er niks aan de andere kant van die grens ligt. Er ís geen buitenkant van de taal. De grens die hij trekt, begrenst niks omdat alles wat er is, binnen de taal ligt.

    De beroemdste zin uit de Tractatus is propositie 7, de allerlaatste regel: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Het klinkt als een gebod, als een grens. Maar het is geen verbod om over bepaalde dingen te praten. Het is de constatering dat er letterlijk niks is om over te praten buiten de taal. Er bestaat geen werkelijkheid waarover we niet kunnen spreken, want wat buiten de taal ligt, bestaat voor ons niet.

    En hier wordt Wittgensteins project absurd. Als we alleen zinvol kunnen spreken over empirisch verifieerbare feiten, en alles wat daarbuiten valt onzin is, dan zouden we vrijwel volledig moeten zwijgen. Over waarden, over betekenis, over intenties, over relaties, over alles wat een mensenleven vormgeeft kunnen we niet helder spreken in Wittgensteins strikte zin. Wetenschap zou onmogelijk worden. Elke hypothese, elke theorie begint als speculatie die nog niet empirisch geverifieerd is. Laten we daar ook nog eens Descartes op los, dan valt zelfs over de empirische “feiten” niet meer te spreken.

    Zelfs denken zelf zou ophouden, want we denken in taal, en taal leren we door te communiceren. Als we moesten zwijgen zoals Wittgenstein voorschrijft, zouden we functioneel doof-blind worden.

    Maar we zwijgen niet. We kunnen niet zwijgen. En daarmee bewijst Wittgenstein onbedoeld precies wat Johannes al zei: er is geen werkelijkheid buiten het woord. Taal begrenst niet. Taal constitueert.

    Derrida: betekenis zonder anker

    Jacques Derrida pakt de draad op waar Wittgenstein hem liet vallen. Waar Wittgenstein wilde begrenzen en uiteindelijk moest erkennen dat begrenzing zinloos is, maakt Derrida van die zinloosheid juist een systeem. In zijn werk over taal en betekenis, met name in De la grammatologie (1967), stelt hij iets radicalers: er bestaat geen vast ankerpunt waaraan betekenis kan worden opgehangen. Geen “transcendentaal significant”, geen fundament buiten de taal dat bepaalt wat woorden werkelijk betekenen.

    Derrida’s centrale begrip is différance, een kunstmatig woord dat hij schept door “différence” (verschil) en “différer” (uitstellen) samen te voegen. Betekenis ontstaat door verschil; “boom” betekent iets omdat het niet “boon” is, niet “droom”, niet “zoon”. En betekenis is altijd uitgesteld. Als je vraagt wat “boom” betekent, verwijs je naar andere woorden (“plant”, “hout”, “bladeren”), die op hun beurt weer verwijzen naar andere woorden. Je komt nooit bij een definitieve, taalloze werkelijkheid aan. Betekenis is een eindeloos spel van verwijzingen, zonder eindpunt.

    Dat klinkt als relativisme. Als elke tekst oneindig herinterpreteerd kan worden, als er geen vaste betekenis is, lijkt Derrida te zeggen dat alles maar interpretatie is, dat waarheid niet bestaat. Maar dat is een misverstand. Derrida zegt niet dat betekenis willekeurig is. Hij zegt dat betekenis gemaakt wordt, niet gevonden. Er is geen werkelijkheid buiten de taal die we kunnen opzoeken om te checken of onze woorden kloppen. Taal verwijst niet naar iets dat al bestaat, taal brengt voort.

    En hier komt Derrida terug bij Descartes en Johannes. Descartes liet zien dat we zelfs over de empirische werkelijkheid niet met zekerheid kunnen spreken. We kunnen niet uit onze waarneming stappen om te controleren of die waarneming klopt. We zitten opgesloten in onze eigen res cogitans, ons eigen denken. En denken is taal.

    Wittgenstein opent een frontale aanval op de taal, maar met als enige wapen de taal is die aanval op voorhand kansloos. Wittgenstein maakt op geniale wijze de filosofie betekenisloos en de taal zinloos, maar ondergraaft daarmee uiteindelijk slechts zijn eigen aanval.

    Johannes zei het al: “In het begin was het woord.” Niet: in het begin was er een werkelijkheid die vervolgens benoemd werd. Nee, het woord was er eerst. En “alles is door het woord geworden.” Schepping gebeurt niet vóór de taal, maar door de taal.

    Derrida’s deconstructie lijkt op het eerste gezicht een aanval op die gedachte. Hij laat zien dat geschreven taal los staat van een spreker, dat teksten betekenissen krijgen die hun auteur nooit bedoeld heeft, dat interpretatie nooit stopt. Maar juist daardoor bevestigt hij wat Johannes beschrijft. Geschreven taal is inderdaad in zichzelf betekenisloos maar precies daarom is het het ultieme scheppende gereedschap. Omdat taal geen vaste betekenis heeft, kan taal de werkelijkheid eindeloos herscheppen. Elke lezing, elke interpretatie, elk gebruik van woorden brengt nieuwe werkelijkheid voort.

    Wittgenstein wilde de taal begrenzen en ontdekte dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde de taal deconstrueren en ontdekte dat taal juist daarom alles schept. Beide filosofen probeerden de metafysica te ontmaskeren. Beide bevestigden per ongeluk wat Johannes duizend jaar eerder al schreef: het woord is geen beschrijving van de werkelijkheid. Het woord is de werkelijkheid.

    Demystificatie wordt mystiek

    Wittgenstein en Derrida waren geen mystici. Ze waren filosofen met een scherp, analytisch project: de illusie doorprikken dat er een verborgen werkelijkheid bestaat achter de taal, achter de verschijnselen. Ze wilden de metafysica ontmaskeren, laten zien dat er geen transcendente waarheid is die we kunnen ontdekken als we maar diep genoeg graven. Hun werk was demystificatie.

    Maar wat ze ontdekten, is precies wat mystici door de eeuwen heen al zeiden.

    Mystiek wordt vaak begrepen als iets religieus, als een ervaring van het goddelijke, van eenwording met iets groters. Maar dat is te eng. Mystiek is fundamenteler: het is de ervaring of het inzicht waarin de scheiding tussen subject en object verdwijnt, waarin kenner en gekende samenvallen, waarin er geen “buiten” meer is. De mysticus zegt niet dat er een verborgen werkelijkheid bestaat die we moeten bereiken. De mysticus zegt: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen dit.

    Meister Eckhart, de middeleeuwse dominicaan, schreef: “Het oog waarmee ik God zie is hetzelfde oog waarmee God mij ziet.” Er is geen afstand tussen subject en object, tussen ziener en geziene. Ze zijn hetzelfde. Shankara, de grote Indiase filosoof van de achtste eeuw, leerde Advaita Vedanta: non-dualiteit. De werkelijkheid is niet verdeeld in ik en wereld, in geest en materie. Die scheiding is illusie, maya. Wat overblijft is Brahman, het ene dat alles is. Rumi, de Perzische mysticus, dichtte: “Jij bent niet een druppel in de oceaan. Jij bent de hele oceaan in een druppel.” Er is geen grens tussen het zelf en het geheel.

    Dit is geen religieuze doctrine. Het is een constatering over hoe werkelijkheid werkt. En het is precies wat Wittgenstein en Derrida, zonder het te willen, bewezen. Er is geen werkelijkheid buiten de taal om naar te verwijzen. Er is geen transcendentaal significant, geen fundament dat betekenis verankert. Er is geen “buiten” waar we naartoe kunnen stappen om te checken of onze woorden kloppen. Taal is niet een gereedschap dat we gebruiken om een bestaande werkelijkheid te beschrijven. Taal is de werkelijkheid.

    Dit lost het probleem van Descartes op. Het cartesiaanse dualisme, de scheiding tussen res cogitans en res extensa, tussen denkende geest en uitgebreide materie, leek een onoverbrugbare kloof. Hoe communiceert de geest met het lichaam? Hoe beïnvloedt denken de wereld? PacMan’s probleem was hetzelfde: hoe programmeert hij zijn wereld zonder weet te hebben van de hardware?

    Het antwoord is: er is geen kloof. Res cogitans en res extensa zijn geen gescheiden werelden die met elkaar moeten communiceren. Ze zijn beide taal. Het woord overstijgt die scheiding niet, het woord is die overstijging. Denken en zijn vallen samen in het spreken. PacMan programmeert niet vanuit een externe positie. Hij programmeert door te spreken, door betekenis te geven aan wat hij ervaart.

    Mystiek is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar de erkenning dat er nergens naartoe te vluchten valt. Het is de ervaring dat alles wat is, hier is, in dit moment, in deze taal, in dit bewustzijn. Wittgenstein wilde de grens trekken en ontdekte dat er niks te begrenzen valt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en ontdekte dat betekenis juist daarom alles schept. Mystici zeggen hetzelfde, maar zonder de omweg van de filosofie: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen het woord dat vlees wordt, steeds opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid

    We zijn nu aangekomen bij een conclusie die tegelijk simpel en ongemakkelijk is. Johannes schreef dat het woord de werkelijkheid schept. Wittgenstein wilde taal begrenzen en bewees dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en liet zien dat taal juist daarom constitutief is. Mystici door de eeuwen heen zeiden: er is geen tweede werkelijkheid, geen “buiten”.

    Dat alles leidt tot één inzicht: taal beschrijft de werkelijkheid niet. Taal is de werkelijkheid. Het woord schept wat het benoemt. PacMan programmeert zijn wereld door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware.

    Maar zodra je dat hardop zegt, komen de bezwaren. En die bezwaren zijn legitiem. Ze moeten serieus genomen worden, want anders wordt dit verhaal een vorm van magisch denken waarin alles mogelijk is als je maar hard genoeg wenst.


    Is het dan niet allemaal willekeur?

    Het eerste bezwaar klinkt ongeveer zo: als taal de werkelijkheid schept, is dan niet alles maar interpretatie? Kan iedereen zomaar zijn eigen werkelijkheid bedenken? Is waarheid dan niet gewoon wat de meeste mensen geloven? En als ik hard genoeg roep dat ik kan vliegen, kan ik dan vliegen?

    Nee. En het antwoord waarom niet zit in het woord “gezamenlijk”, in het verhaal.

    Neem democratie. Het concept bestond niet voordat de Grieken het bedachten. Er was geen natuurwet die zei dat mensen gelijk geboren werden, dat stemmen eerlijk was, dat macht gedeeld moest worden. Democratie is een verhaal, een constructie, een product van taal. Maar zodra genoeg mensen dat verhaal gingen delen, instituties eromheen bouwden, wetten schreven, rechters aanstelden, werd het echt. Niet omdat het altijd al bestond, maar omdat het nu bestaat.

    Of neem geld. Een briefje van vijftig euro is objectief gezien waardeloos. Het is papier met inkt. Maar omdat we gezamenlijk geloven dat het waarde heeft, heeft het waarde. Je kunt ermee betalen, ermee sparen, ermee investeren. Het bestaat niet buiten onze taal, maar het bestaat wel degelijk. Probeer maar eens zonder.

    Eigendom werkt hetzelfde. Voor de Verlichting bestond “privébezit” niet zoals wij dat kennen. Land behoorde toe aan de koning, aan God, aan de gemeenschap. Maar Locke en andere denkers schreven erover, formuleerden het recht op bezit, en langzaam werd het werkelijkheid. Nu lijkt het vanzelfsprekend dat een stuk grond “van jou” kan zijn. Maar het is een verhaal. Een machtig verhaal, omdat miljoenen het delen.

    Mensenrechten zijn misschien het duidelijkste voorbeeld. In 1789 schreef de Franse Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Artikel 1: “Alle mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren.” Maar dat was niet waar. Mensen werden geboren in slavernij, in armoede, in onderdrukking. De verklaring beschreef geen bestaande werkelijkheid. Het schiep een nieuwe. En niet omdat het papier magisch was, maar omdat genoeg mensen begonnen te geloven dat het waar was en er naar gingen handelen.

    Dit is geen willekeur. Je kunt niet zomaar in je eentje besluiten dat jij kunt vliegen en dan van een gebouw springen. Dat werkt niet. Niet omdat de fysica buiten de taal staat, ook de fysica is taal, zoals we zo meteen zullen zien, maar omdat jij alleen staat. Werkelijkheid ontstaat in gedeelde taal, in collectieve verhalen, in instituties die verhalen verankeren. Eén stem schept niks. Miljoenen stemmen vormen een verhaal en verhalen scheppen werelden.


    Maar muren zijn toch gewoon hard?

    Het tweede bezwaar is materialistisch: prima, mensenrechten en geld zijn verhalen, maar een steen is een steen. Als ik tegen een muur loop, doet het pijn. De werkelijkheid dringt zichzelf aan me op, ongeacht mijn taal. Wetenschap ontdekt feiten, het verzint ze niet.

    Dit bezwaar klinkt overtuigend. Maar kijk eens naar hoe wetenschap werkt.

    Democritus bedacht in de vijfde eeuw voor Christus het atoom. Niet door experimenten, niet door metingen, maar door na te denken. Hij stelde zich voor dat als je materie bleef delen, je uiteindelijk bij iets ondeelbaars moest uitkomen. Hij noemde dat atomos, ondeelbaar. Het was filosofie, taal, een verhaal over hoe de wereld in elkaar zou kunnen zitten.

    Tweeduizend jaar later “ontdekten” wetenschappers het atoom. Maar wat betekent “ontdekken” hier eigenlijk? Ze maakten het meetbaar. Ze gaven het eigenschappen, formules, een plaats in de systematiek. Ze maakten het benoembaar, calculeerbaar, voorspelbaar. En daarmee maakten ze het echt. Het electron bestaat niet los van de taal waarin we het beschrijven. We kunnen het niet zien, niet aanraken, niet direct waarnemen. Het bestaat in de wiskundige taal van de kwantummechanica, in de experimenten die we ontwerpen om het te meten, in de theorieën die voorspellen hoe het zich gedraagt.

    Of neem de hartslag. Voor William Harvey in 1628 de bloedsomloop beschreef, voelden mensen hun hartslag niet bewust. Natuurlijk klopte hun hart. Maar ze hadden er geen woord voor, geen concept, geen reden om erop te letten. Harvey gaf het een naam, een functie, een mechanisme. En plotseling werd het iets dat mensen ervoeren, iets dat artsen konden meten, iets dat ziek kon zijn. Het was er altijd geweest, maar het bestond pas toen we het benoemden.

    De kwantummechanica laat dit nog scherper zien. Volgens de standaardinterpretatie bestaat een deeltje niet op één plek tot je het meet. Het is een golffunctie, een wolk van mogelijkheden. Pas als je meet, en meten is altijd taalmatig geïnterpreteerd, het is afgelezen, genoteerd, geduid, stort de golffunctie in en krijg je een resultaat. De waarneming schept, letterlijk, de werkelijkheid. Niet omdat de waarnemer magisch is, maar omdat waarneming en taal niet te scheiden zijn.

    Dit betekent niet dat muren niet hard zijn. Het betekent dat “hard”, “muur”, “pijn”, concepten zijn waarmee we de wereld ordenen. De ervaring is echt. Maar de ervaring wordt pas werkelijkheid in de taal die hem benoembaar maakt. Wetenschap ontdekt niet zozeer feiten als wel dat ze feiten construeert, en die constructies werken, ze zijn voorspelbaar, ze zijn deelbaar. Daarom zijn ze echt.


    Verschillende talen, verschillende werelden?

    Het derde bezwaar gaat over de diversiteit van talen. Als taal de werkelijkheid schept, betekent dat dan dat mensen die verschillende talen spreken in verschillende werelden leven? Zien Engelsen de werkelijkheid anders dan Chinezen? En is er dan nog zoiets als een gedeelde werkelijkheid?

    Het antwoord is genuanceerd. Taal vormt hoe we de wereld ervaren, maar niet deterministisch. Het is geen gevangenis, maar een lens.

    Neem de Guugu Yimithirr, een Australische aboriginaltaal. In die taal bestaan geen woorden voor “links”, “rechts”, “voor” of “achter”. In plaats daarvan gebruiken sprekers altijd absolute richtingen: noord, zuid, oost, west. Als je zegt “de mok staat rechts van je”, zeg je in Guugu Yimithirr: “de mok staat ten westen van je” en dat klopt alleen als je naar het noorden kijkt. Dit dwingt sprekers om constant hun oriëntatie in de ruimte bij te houden. En het resultaat? Ze zijn aantoonbaar beter in navigatie dan sprekers van talen die relatieve richtingen gebruiken. Hun taal vormt letterlijk hoe ze ruimte ervaren.

    Of neem toekomende tijd. Sommige talen, zoals het Mandarijn, hebben geen grammaticale toekomende tijd. Je zegt niet “Ik zal morgen werken”, maar “Ik morgen werken”. Economen hebben aangetoond dat sprekers van zulke talen significant meer sparen en gezonder leven, omdat de toekomst voor hen linguïstisch dichter bij het heden aanvoelt. Hun taal vormt hun gevoel voor tijd.

    En dan is er kleur. Homerus beschrijft in de Ilias en de Odyssee de zee als “wijnrood“. Eeuwenlang dachten geleerden dat dit poëzie was. Maar linguïsten ontdekten dat het oude Grieks simpelweg geen woord had voor blauw zoals wij dat kennen. Blauw en groen vielen onder dezelfde categorie. Pas later in de geschiedenis ontstonden aparte woorden. En wat gebeurde er toen? Mensen begonnen de kleuren te zien zoals wij ze zien. Niet omdat hun ogen veranderden, maar omdat hun taal hen dwong het onderscheid te maken.

    Dit betekent niet dat iedereen in een volstrekt eigen werkelijkheid leeft. Er is overlap, er is vertaalbaarheid, er is een gedeelde materiële basis. Maar taal is niet neutraal. Het vormt wat we waarnemen, wat we relevant vinden, hoe we ordenen. En dus schept het verschillende werkelijkheden. Waar verschillende talen dat toelaten vertellen we wel dezelfde verhalen en delen we dezelfde werkelijkheid.


    De narratieve aap

    We zijn nu terug bij waar we begonnen: bij de mens als verhalen vertellende soort. De narratieve aap.

    Ik gebruikte het beeld van PacMan die zijn wereld programmeerde door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware. Wij doen precies dat. We leven in een wereld die we zelf, gezamenlijk, door taal hebben geschapen in verhalen. Democratie, geld, eigendom, mensenrechten, ze bestaan omdat we ze benoemen, omdat we eromheen handelen, omdat we ze institutionaliseren. Het electron, de hartslag, de golffunctie, ze bestaan omdat we ze meetbaar, benoembaar, voorspelbaar maken. Ruimte, tijd, kleur, we ervaren ze zoals onze taal ons leert ze te ervaren.

    Dit is geen relativisme. Het is geen “alles mag”. Het is de erkenning dat werkelijkheid niet iets is dat buiten ons ligt en dat we passief waarnemen. Werkelijkheid is iets dat we actief, gezamenlijk, door taal scheppen in verhalen. En juist omdat het gezamenlijk is, juist omdat het institutioneel verankerd wordt, juist omdat het in machtsstructuren en tradities verhardt, kunnen we het niet zomaar individueel veranderen.

    Maar we kunnen het wel veranderen. Langzaam, collectief, door nieuwe verhalen te vertellen die geloofwaardiger, rechtvaardiger, werkbaarder zijn dan de oude. Dat is wat de Verlichting deed. Dat is wat elke revolutie doet. Dat is wat wetenschappelijke paradigmaverschuivingen doen. Ze scheppen niet uit het niets, maar ze herscheppen. Ze programmeren de werkelijkheid opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid. Wij zijn de narratieve aap. We leven niet van brood alleen, maar van de verhalen die we elkaar vertellen. En die verhalen zijn niet fantasie. Ze zijn de werkelijkheid waarin we leven, de enige werkelijkheid die we hebben.

    Positiekeuze

    Dit alles vraagt om één eerlijkheid. De stap die hier gezet wordt, van taal als beschrijving naar taal als constitutie van werkelijkheid, is geen conclusie die je uit de natuur kunt aflezen. Het is een ontologische keuze. Maar elke filosofie maakt zo’n keuze, of ze dat nu toegeeft of niet. Er bestaat geen positie buiten de taal van waaruit we kunnen controleren of onze taal klopt. Er bestaat geen fundament dat niet zelf al een verhaal is. Wie dat accepteert, kan blijven doen alsof hij alleen analyseert. Of hij kan erkennen dat hij, al denkend en schrijvend, een wereld bewoont en tegelijk helpt scheppen. Dit stuk kiest voor het laatste.

  • Bestaat gerechtigheid?

    De Engelse schrijver Terry Pratchett schreef:

    Take the universe and grind it down to the finest powder and sieve it through the finest sieve and then show me one atom of justice, one molecule of mercy. and yet… and yet you act as if there is some ideal order in the world, as if there is some… some rightness in the universe by which it may be judged.

    De context van dit citaat is een bespreking van de vraag waarom mensen fantasie nodig hebben, waarom we in die fantasie geloven.

    Het roept een essentiële vraag op over wat “echt” is, wat “bestaat”. Immers, er zijn zaken waarvan we vrij snel zullen zeggen dat het bestaat en echt is, maar wat tegelijk geen fysieke vorm heeft. Gerechtigheid. Democratie. Liefde. Schoonheid. En natuurlijk ook hun tegenhangers als onrecht, dictatuur, haat, lelijkheid.

    Een aardige case study ontwikkelt zich op dit moment in de Verenigde Staten. Vele tientallen jaren was de democratie daar een feit. De hele staatsinrichting hing van de checks and balances aan elkaar, de drie machten waren keurig gescheiden en hielden elkaar in evenwicht. Het leek een staatsbestel dat deugde. Natuurlijk was er wel eens wat kritiek of verwondering vanuit mensen die bijvoorbeeld meenden dat de staten een soort provincies zijn en het dan vreemd vonden dat je president kan worden met een minderheid van de uitgebrachte stemmen, de popular vote. Het bestaan van een Electoral College, een evenredige vertegenwoordiging in het Huis, een vertegenwoordiging per staat in de Senaat, dat is allemaal prima te begrijpen voor een land dat recht wil doen aan de wil van het volk en aan de zelfstandigheid van de 50 staten. Voeg daar nog een Hooggerechtshof en een stevige Grondwet aan toe, en je hebt een behoorlijk perfecte democratische rechtsstaat.

    Maar is dat wel zo? Zeker de huidige president, Donald J. Trump, maakt heel zichtbaar dat dat systeem waarvan we lang dachten dat het echt bestond, dat het een soort onwankelbare waarheid was, slechts bestaat voor zover voldoende mensen er in geloven. Als je als president de leden van het Hooggerechtshof benoemt, je de betrekkelijk onafhankelijke positie van ministeries als het DOJ dienstbaar kan maken aan jezelf, maar vooral als je de beide huizen van het Congres kan veranderen van wetgever en controleur van de uitvoerende macht naar verlengstuk van je persoon, althans voor zover de leden lid zijn van je eigen partij, dan blijft er van die democratische rechtsstaat ineens heel wat minder over. Hoe zich dat in Amerika gaat ontwikkelen zullen we wel zien. Wat ik vooral interessant vind is te constateren dat de werking en zelfs het feitelijke bestaan van dat hele systeem niet afhankelijk is van zichzelf. Het is geen bouwwerk gefundeerd in een objectieve werkelijkheid. De Amerikaanse democratische rechtsstaat met liberty and justice for all is niet een feit dat in de pledge of allegiance wordt benoemd, het is het resultaat van die pledge of allegiance. Natuurlijk niet uitsluitend, maar wel heel zichtbaar. Als de overgrote meerderheid van de Amerikaanse kiesgerechtigde burgers is opgegroeid met het regelmatig reciteren van die pledge, dan heeft dat effect op het denken. De huidige pledge is sinds 1954:

    I pledge allegiance to the Flag of the United States of America, and to the Republic for which it stands, one nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.

    De tekst was daarvoor anders, maar al sinds 1892 worden vergelijkbare teksten gebruikt om Amerikaanse kinderen patriotisme bij te brengen. Aangevuld met krachtige symbolen, zoals de vlag, maar bijvoorbeeld ook het Vrijheidsbeeld, en met inhoudelijke opvoeding, scholing of zo je wil indoctrinatie, wordt aan Amerikaanse burgers een visie bijgebracht over de grootsheid van Amerika, maar ook over de grootsheid en de onaantastbaarheid van de politieke instituties.

    Die indoctrinatie is zo overweldigend sterk dat het voor Amerikanen kennelijk behoorlijk schokkend of zelfs ondenkbaar is, te reflecteren op de vraag of Amerika The Greatest Country in The World is. De video waar ik hier naar verwijs is natuurlijk bewust opgezet om die schok over te brengen, maar iedereen die wel eens online heeft meegelezen met discussies waarin Amerikanen deelnamen, zal het beeld herkennen. Amerika is gewoon het enige land met vrijheid, democratie, gerechtigheid, en ga zo maar door. Althans, als je naar al die amerikanen online luistert.

    Mijn punt is niet kritiek te leveren op die visie. Mijn punt is veeleer als zeer sterk vermoeden te formuleren dat wat voor niet-amerikanen wat neigt naar grootheidswaanzin en ietwat koddig aandoet, wel de basis is voor het bestaan van die democratische rechtsstaat waar ik het net over had. Zolang Amerikanen massaal geloofden in hun systeem, werkte het. Zodra Amerikanen massaal gaan twijfelen aan datzelfde systeem, stort het kaartenhuis in elkaar. Het is wat Benedict Anderson beschrijft als imagined communities:een natie is geen objectief bestaand iets dat bevolkt wordt door mensen. Het is een gemeenschap van mensen die samen in hetzelfde verhaal geloven. Het doet er daarbij niet toe dat die mensen elkaar nooit gezien hebben, enorm verschillend zijn, zelfs verschillende talen spreken. Zolang ze maar hetzelfde verhaal met elkaar delen over wie zij, als gemeenschap, zijn.

    En als die analyse klopt, dan kunnen we twee zaken constateren. Ten eerste, dat een werkelijk bestaand systeem, bestaat omdat mensen geloven dat het bestaat, omdat ze elkaar leren dat het bestaat, omdat ze elkaar keer op keer vertellen dat het bestaat, omdat ze elkaar keer op keer bevestigen dat het bestaat. En ten tweede, dat datzelfde systeem ophoudt te bestaan naarmate meer mensen niet meer geloven dat het bestaat.

    In Amerika zie je daarbij een buitengewoon boeiende en relevante ontwikkeling. Mensen die niet meer geloven dat het systeem bestaat, maar tegelijk hun opvoeding en indoctrinatie niet los kunnen laten. Wat je dan krijgt is het verhaal dat het systeem wel bestaat maar kapot is. The system is rigged. Het interessante van dat verhaal is dat het heel snel een self fulfilling prophecy wordt. De aanval op het systeem zorgt dat je verkozen wordt, en naarmate je succesvoller bent in het vernietigen van het systeem krijg je van je kiezers alleen maar meer gelijk. Relevant is daarbij dat het geen strijd tussen waarheid en onwaarheid, tussen goed en fout, tussen “bestaandheden” is, maar een strijd tussen twee verhalen.

    Ga maar na bij jezelf. Wat weet je echt over wat gaande is in Amerika? Als je er een mening over hebt, op welke zelf waargenomen, of zelf gecontroleerde objectieve feiten baseer je die? Je hebt een mening, of een overtuiging over wat de waarheid is, gebaseerd op verhalen die je hoort. En wat je ook doet om jezelf te vertellen dat het verhaal dat jij als waarheid ziet echt waar is, je ontkomt er niet aan dat het een verhaal is, onderbouwd met verhalen.

    De positie van Pratchett is daarmee relevant. Gerechtigheid zal je niet vinden in de atomen en moleculen van het universum. Als je meent dat “bestaan” daar van afhankelijk is, dan bestaat gerechtigheid niet. En de democratische rechtsstaat ook niet. Maar bijvoorbeeld dictatuur evenmin. Pratchett heeft gelijk, mensen doen alsof er een ideale orde in het universum is. Als mensen handelen we alsof er een waarheid, een werkelijkheid is, die de atomen en moleculen overstijgt. En het bijzondere is, dat die werkelijkheid er inderdaad is. Maar uitsluitend zolang en voor zover we daar massaal genoeg in geloven. Pratchett beweert dat mensen moeten fantaseren om te kunnen leven alsof die zaken waar zijn. Ik zou een stapje verder willen gaan. Die dingen zijn werkelijk waar, niet in onze fantasie, maar dankzij onze fantasie, onze verhalen.

    Durkheim, een van de grondleggers van de sociologie stelde dat normen, wetten en instituties geen persoonlijke meningen zijn, maar sociale feiten die ons gedrag beïnvloeden alsof ze objecten zijn. Ze bestaan niet in de natuur, maar ze werken als krachten in onze cultuur. Hij zegt daarover Les faits sociaux doivent être considérés comme des choses. Ofwel, sociale feiten moeten worden behandeld als dingen. Hij bedoelde daarmee: sociale feiten zoals gerechtigheid, wetgeving of democratie moeten worden beschouwd als objectieve realiteiten, niet omdat ze fysiek tastbaar zijn, maar omdat ze collectief worden geloofd, gedeeld, gehandhaafd. Niet in de natuur, maar in de cultuur. In het hoofd, maar met gevolgen in de wereld.

    Waar we spreken over de werkelijkheid, over het bestaande, het echte, dan gaat dat niet over iets dat buiten onszelf ligt maar over iets dat tussen ons leeft. Onze verhalen zijn geen weergaven van een al dan niet bedachte werkelijkheid, ze zijn onze werkelijkheid.

    Yuval Noah Harari ziet het vertellen van verhalen in deze context als een evolutionaire stap die de mens in de strijd om het bestaan een voorsprong geeft op andere diersoorten. Hij duidt op het unieke gegeven dat wij via taal communiceren over het niet fysiek bestaande: The truly unique feature of our language is not its ability to transmit
    information about men and lions. Rather, it’s the ability to transmit information about things that do not exist at all. As far as we know, only Sapiens can talk about entire kinds of entities that they have never seen, touched or smelled.
    Hij stelt dan ook, met Pratchett, vast dat There are no gods in the universe, no nations, no money, no human rights, no laws, and no justice outside the common imagination of human beings.

    Dat lijkt oppervlakkig wellicht een zwakte, maar Harari stelt feitelijk vast dat dit een enorm evolutionair voordeel is. Hij zegt: het feit dat wij fictie kunnen verzinnen én geloven, stelde ons in staat om in grote groepen samen te werken. Dieren kunnen samenwerken in roedels van een paar dozijn. Mensen in staten van miljoenen. Waarom? Omdat we allemaal kunnen geloven in dingen die niet fysiek bestaan, zoals een vlag, een god, een grondwet, een merk of een munt.

    Het is wel aardig te constateren dat Daniel Dennett, die ook naar de mens keek vanuit een biologische, evolutionaire visie, het verband tussen de evolutie van ons brein en het vertellen van verhalen eveneens legt, maar het aanzienlijk kritischer beschouwt. Met name waar hij filosofeert over het fenomeen religie zegt hij in feite dat ons vermogen verhalen te vertellen, samen met ons vermogen tot patroonherkenning en onze behoefte aan het geven van betekenis aan op zichzelf betekenisloze verschijnselen, allemaal evolutionair nuttige vaardigheden zijn die samen wel tot het verschijnsel religie leiden. En religie beschouwt hij kritisch, en zeker niet als waarheid.

    Overigens is Harari ook kritisch, maar op een subtiel andere manier. Harari waarschuwt niet voor het geloven in iets dat niet waar is, hij erkent immers dat de waarheid ontstaat door het geloof in een verhaal, maar hij waarschuwt er wel voor dat wie het verhaal beheerst, de waarheid beheerst. En dat maakt de cirkel naar de VS onder Trump weer rond. De macht van Trump is voor een aanzienlijk deel gebaseerd op zijn vermogen het verhaal naar zijn hand te zetten.

  • Homo Sapiens Pacmanus

    PacMan dient natuurlijk slechts als een hulpmiddel om te denken over wat de mens is. Is het een erg goed model? Dat hangt er maar helemaal vanaf wat je precies wil modelleren. Het doel van een model kan vanalles zijn, in dit geval gaat het om een analoog model dat dient om iets over de mens te beschrijven dat op zichzelf al niet helemaal sluitend is. En dan druk ik me nog mild uit.

    Ik ben geen wetenschapper, geen filosoof en geen theoloog, psycholoog, socioloog of bioloog. Hooguit ben ik een amateur met interesse en een notie die ik probeer te verwoorden. Als iemand de moeite neemt me uit te leggen waar de gaten, inconsistenties of klinklare onzin in die notie dan ben ik daar dankbaar voor. Het is allerminst mijn doel enige waarheid te verkondigen of iemand ergens van te overtuigen.

    Met die disclaimer op zak, terug naar het model. De analogie tussen de mens en PacMan zit in een aantal zaken:

    • wij leven in een wereld, of universum, die/dat we ervaren als een gesloten systeem waarbinnen regels gelden die onveranderbaar zijn en waarbinnen objecten en materialen gemanipuleerd kunnen worden om die wereld vorm te geven.
    • wij ervaren een vrije wil, hoewel bewijsbaar is dat die ervaring op zichzelf het bestaan van een vrije wil niet aantoont.
    • onze waarneming van de werkelijkheid is volledig gebaseerd op de input van data. Het is theoretisch prima voorstelbaar dat onze waarneming zoals we die in ons brein registreren compleet los staat van enige werkelijkheid buiten ons.
    • als de data-input die wij registreren als waarneming van de werkelijkheid buiten ons afkomstig is van een bron die ons een niet bestaande werkelijkheid voorschotelt, bij PacMan “de computer”, dan hebben wij per definitie geen enkele mogelijkheid het bestaan van die bron waar te nemen.

    Dat laatste punt is een logische kwestie. Als onze waarneming van de wereld om ons heen, dat wat we de fysieke wereld noemen, gebaseerd is op iets anders dan de fysieke werkelijkheid dan is die bron zelf dus geen onderdeel van de fysieke wereld die wij waarnemen. Als iets geen deel is van de wereld die wij waarnemen, kunnen we die dus niet waarnemen. Konden we die immers wel waarnemen, dan was ze deel van de fysieke werkelijkheid. Voor een dergelijke bron hebben we wel een term: metafysica.

    De filosoof Immanuel Kant beargumenteert in zijn Kritik der eigen Vernunft, de kritiek van de zuiver rede, op nogal overtuigende wijze dat de metafysica zich bezig houdt met zaken die ofwel niet bestaan, ofwel niet relevant zijn. Hij doet dat zeer gedetailleerd en grondig, maar een vrij grof korte samenvatting komt ongeveer neer op: als een verschijnsel metafysisch is, en niet fysisch, dan kunnen wij het niet waarnemen. Alles wat enige invloed heeft op de fysische wereld kunnen wij waarnemen, al was het maar indirect door die invloed waar te nemen. Daaruit volgt dat een zuiver metafysisch verschijnsel ofwel niet bestaat, ofwel voor ons geen enkele relevantie heeft.

    Maar Kant doet nog meer. Hij brengt een filosofische scheiding aan tussen de werkelijkheid zoals die echt is, dat hij het Ding an sich noemt en de werkelijkheid zoals we die waarnemen, het Ding für mich. Het Ding an sich kunnen we nooit kennen omdat kennis over de wereld om ons heen via de zintuigen en de vooraf aanwezige categorieën in onze geest tot ons komt. Kant wijst metafysische werkelijkheden dus beargumenteerd af en stelt dat metafysische kennis over de werkelijkheid van fenomenen, dus kennis over het Ding an sich, onmogelijk is.

    Overigens komt dit denken niet uit de lucht vallen bij Kant. Zekere overeenkomsten zijn voor katholieken bijvoorbeeld te herkennen uit de leer van de transsubstantiatie waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de essentie van brood en vlees versus de accidenten van brood en vlees. In de leer van de transsubstantiatie wordt aangeduid hoe we kunnen begrijpen dat het brood in de Eucharistie verandert in het lichaam van Christus, en dus in vlees, terwijl we op geen enkele manier het verschil kunnen waarnemen. Thomas van Aquino zou dat uitleggen als dat de essentie verandert (de “brood-heid” verandert in “vlees-heid”) terwijl de accidenten (de brood-smaak, -geur, -textuur, etc) hetzelfde blijven. Kant, zou hij katholiek zijn geweest, had het wellicht uitgelegd als dat het Ding für mich wel hetzelfde blijft, maar het Ding an sich verandert.

    Valt hier aan te ontkomen? Kant weerspreken is zacht gezegd nogal pretentieus, zo lijkt het. Schopenhauer doet dat toch. Nu valt vrij probleemloos aan te tonen dat Schopenhauer pretentieuze trekjes had, maar dat mag de pret niet drukken. In Die Welt als Wille und Vorstellung, De wereld als wil en voorstelling, geeft Schopenhauer

    Schopenhauer volgt dus in beginsel de verdeling van Kant in de wereld der dingen zoals ze zijn en de wereld der dingen zoals wij ze waarnemen. Het Ding für mich komt bij Schopenhauer terecht in de Wereld als Voorstelling. Vervolgens maakt hij echter een fascinerende denksprong. De wereld van het Ding an sich, dus de wereld van de dingen zoals ze zijn, plaats hij in de Wereld van de Wil. Dat zou een taalspelletje kunnen zijn, als hij niet vervolgens aantoont dat we de Wil wel degelijk kunnen waarnemen. Het is de illusie van de vrije wil, die wij ervaren als we ons lichaam bewegen, die onze directe waarneming van de Wil oplevert. Vanuit dat startpunt vormt Schopenhauer een weg naar de kenbaarheid van de “echte” werkelijkheid.

    Schopenhauer heeft daar vervolgens overigens geen al te vrolijk verhaal bij. De Wil, waarvan we dus slechts een klein deeltje in onszelf waarnemen en die we ervaren alsof deze vrij is en als het ware ons eigendom, beheerst alles. Om de analogie met PacMan er weer bij te pakken: niet alleen is PacMan gebonden aan de wil van de speler, ook al ervaart PacMan wellicht een vrije wil. Nee, de hele wereld van PacMan is uiteindelijk onderworpen aan de wil van de speler, of zo van de speler en de programmeur wellicht. PacMan kan daar een vermoeden van hebben zodra hij zich realiseert dat hij zelf een Wil gehoorzaamt, op dezelfde wijze als mensen zich in het denken van Schopenhauer het bestaan van de Wil kunnen realiseren als ze zich realiseren dat hun lichaam een Wil gehoorzaamt.

    Waarom is het niet zo vrolijk? Schopenhauer ziet de Wil als iets dat blind is en richtingloos, en dat de mens daarom doet lijden. De analogie met PacMan is niet 100% maar laat zich wel raden.

    Hoewel Schopenhauer hiermee met een filosofie over de werkelijkheid komt die ons meer toegang geeft tot de wereld zoals deze is dan Kant, kan je daar nog steeds niet zoveel mee. Dat komt met de volgende stap die Schopenhauer zet in zijn denken: de kunst

    Schopenhauer betoogt dat we als mens kunnen ontsnappen aan de wereld zoals we die ervaren en directer toegang krijgen tot de wereld zoals die is. De argumentatie daarvoor is uitgebreid en zal ik niet trachten samen te vatten, maar wel moet nog op een specifieke kunstvorm worden gewezen.

    Schopenhauer ziet de waarde van kunst met name in de specifieke vorm van afbeelden die nadere toegang geeft tot de werkelijkheid zoals die echt is dan de directe waarneming van die werkelijkheid. Maar er is één kunstvorm die geen enkele afbeelding van enige werkelijkheid geeft, muziek.

    Juist doordat muziek geen afbeelding van de werkelijkheid is, geeft het volgens Schopenhauer de hoogste vorm van toegang tot de werkelijkheid zoals die is, tot de Wil.

  • PacMan programmeert PacMan

    Ik ben eerder ingegaan op een beeld van een werkelijkheid waarin PacMan, het gele happertje uit het Atari-spelletje van decennia geleden, zelfbewustzijn heeft. Het roept de vraag op wat “echt” is in de wereld van PacMan, maar ik ga liever eerst een nog wat vreemder kant op. Ik legde ook de gedachte voor dat PacMan op één of andere manier in staat zou zijn de computer te programmeren waarop het spel draait. Dit heeft een aantal vreemde implicaties. Immers, dat wat PacMan programmeert op “zijn” computer wordt daarmee werkelijkheid in “zijn” echte, reële wereld. Geprogrammeerd IS echt.

    De vraag die natuurlijk gesteld moet worden is hoe PacMan de computer zou programmeren waarop het spel draait. Die vraagt valt te splitsen in twee delen. Enerzijds is dat de programmeertaal waarmee PacMan programmeert, ofwel de taal die de computer verstaat en vertaalt naar het spel. Anderzijds is van belang welke interface PacMan gebruikt. Hoe worden de gedachtes van onze gele vriend omgezet naar computer-instructies? Om dat beeld goed te laten werken zullen we met heel praktische zaken rekening moeten houden. Zoals het feit dat PacMan geen handen heeft en dus geen toetsenbord kan bedienen.

    De programmeertaal voor PacMan is probleemloos. We weten dat het spel PacMan oorspronkelijk werd geprogrammeerd op een Z80 processor, aangevuld met wat ondersteunende electronica. Dat betekent automatisch dat als PacMan zelf wil gaan programmeren, dat in de machinecode van de Z80 zal moeten. Het bekent echter niet dat PacMan zelf machinecode moet kunnen schrijven. Voor programmeurs is het gebruik van machinecode grotendeels volledig in onbruik geraakt. De moderne programmeur gebruikt een hogere programmeertaal, die door een programma, de compiler, wordt vertaald naar machinecode. Ook als je geen programmeur bent, is een eenvoudig programma in een dergelijke hogere taal nog redelijk te snappen, terwijl machinecode vrijwel kansloos zal zijn.

    Ter illustratie twee korte stukjes code, de ene in de programmeertaal Pascal en de andere in machinecode voor de Z80. Het verschil in begrijpelijkheid moge evident zijn.

    In Pascal:

    program SomVanTweeGetallen;

    uses crt;

    var
    getal1, getal2, som: Integer;

    begin
    clrscr;
    Write(‘Voer het eerste getal in: ‘);
    ReadLn(getal1);
    Write(‘Voer het tweede getal in: ‘);
    ReadLn(getal2);

    som := getal1 + getal2;

    WriteLn(‘De som van ‘, getal1, ‘ en ‘, getal2, ‘ is: ‘, som);
    ReadLn; // Wacht op invoer voor afsluiten
    end.

    In Z80 machinecode wordt dit:

    CD 52 52 CD 66 52 47 CD 52 52 CD 66 52 4F 78 81 FE 0A DA 70 52 21 78 52 CD 89 52 C3 7A 52 C6 30 CD 86 52 C3 7A 52 D6 30 C9 DB 00 DB 00 CB 7F 28 F9 E6 7F C9 5F 0E 02 CD 38 00 C9 7E FE 00 C8 CD 86 52 23 C3 93 52 53 6F 6D 20 3E 20 39 21 00 C3 A6 52

    Een programmeertaal als Pascal heeft een hoger abstractieniveau dan machinecode, en is ook expressiever. Abstractie slaat op het vermogen om met simpele taal-elementen complexe ideeën weer te geven en daardoor de complexiteit te verbergen, en expressiviteit zegt iets over het vermogen in een taal kort, helder en nauwkeurig ideeën uit te drukken.

    Zoals de meeste programmeurs zal ook PacMan waarschijnlijk weinig tot geen kennis hebben van de computer, van machinecode of van de compiler. Sterker, dit zijn allemaal elementen die geen deel uit maken van zijn werkelijkheid! Het neemt niet weg dat als PacMan zijn eigen computer kan programmeren, dat gebeurt via een programmeertaal, of korter gezegd, via taal.

    Dan is er nog het probleem van de interface. Hoe krijgt PacMan zijn ideeën omgezet in taal, en hoe wordt die taal weer omgezet in machinecode?

    Hier moet ik het vaag houden, om twee redenen. Ten eerste, omdat het voor dit moment niet geheel relevant is. Maar ten tweede, omdat het op het moment dat het wel relevant wordt een vraag is die alleen indirect te beantwoorden lijkt. De gedachtensprong die daarvoor nodig is ga ik pas maken als we PacMan achter ons hebben gelaten.

    Wel stel ik voor dit moment vast dat in het spel PacMan geen toetsenbord te vinden is, en PacMan geen handen heeft om een toetsenbord mee te bedienen. PacMan is niets meer dan een hoofd met een mond. Het lijkt me dan ook niet volledig onredelijk te veronderstellen dat PacMan programmeert door zich uit te spreken.

    Wat houden we nu over uit dit beeld over PacMan? Een levende, zelfbewuste entiteit die weliswaar geen eigen wil heeft vanuit onze optiek en al evenmin emoties, intelligentie of zelfbewustzijn, maar die dat zelf wel zo ervaart en die we daarom toch zo beschouwen voorlopig. Deze entiteit heeft geen begrip, nee zelfs geen weet van het feit dat hij slechts een virtueel wezen is in een virtuele wereld die geprogrammeerd is op een computer. Toch, zo nemen we even aan, is hij in staat die computer te programmeren. Hiertoe gebruikt hij taal, die voldoende abstractie kent en expressief genoeg is, om zijn ideeën over zijn wereld in uit te drukken. Hoe deze taal door een compiler wordt vertaald naar machinecode voor de computer waarin de wereld van PacMan bestaat weet PacMan niet, hij weet niet eens van het bestaan van die computer.

  • De wereld van PacMan

    Het is geen al te origineel beeld, maar probeer het toch even je in te leven: stel je voor dat jij PacMan bent. Je weet wel, dat gele figuurtje dat door een van de oudste computerspellen door een doolhof rent om punten te eten. Je wordt achtervolgd door vier spookjes en als ze bij je komen ben je dood. Maar als je een grote punt eet, worden de spookjes tijdelijk blauw en kan jij de spookjes eten. Mijn generatie speelde het spel in speelhallen, bij de frietboer, en op de Atari thuis.

    Maar laten we nu eens wat vragen stellen over jouw wereld, als PacMan. Zijn de spookjes “echt”? Ben jijzelf “echt”? En wat neem je precies waar van de computer waarin je bestaat? En van de speler die jou bestuurt? Ervaar je dat je bestuurt wordt, of voelt het als een vrije wil?

    Arthur Schopenhauer zou je kunnen uitleggen dat de ervaring van een vrije wil allerminst betekent dat je echt een vrije wil hebt. Omgekeerd kan je dan ook concluderen dat hoewel wij donders goed weten dat PacMan geen vrije wil heeft, hij doet immers gewoon wat de speler beslist, PacMan best kan ervaren dat hij een vrije wil heeft. Daarmee hebben we een vrij smalle, maar ook best rationeel houdbare, basis om te stellen dat la condition PacMaine en la condition humaine helemaal niet zoveel verschillen.

    Valt daar iets tegenin te brengen? Vanzelfsprekend. PacMan kan niet waarnemen, heeft geen zelfbewustzijn, mist intelligentie. En dat hebben mensen allemaal wel. Maar is dat wel zo? Wie het spel wel eens gespeeld heeft moet toch hebben gezien dat PacMan reageert op zijn omgeving, emoties zoals angst en verdriet toont, en inspeelt op de acties van de spookjes. Dat is behoorlijk menselijk. Ja, maar, dat is de speler! Dat is niet PacMan zelf!

    Fair punt. Net zo fair als het punt van Arthur Schopenhauer dat wij mensen niet doen wat we zelf willen, maar slechts handelen naar de onderliggende wereldwil. Je zou kunnen zeggen, de speler. En daarmee wordt het toch een beetje lastiger om te beweren dat PacMan en de mens elkaar enorm ontlopen.

    Je zou nu in de verleiding kunnen komen om allerlei parallellen te gaan benoemen. Is de speler in mijn beeld misschien God? En de spookjes, zijn zij de mensvijandige natuur? Leuk en aardig, maar niet zo interessant. Het gaat er niet om een model te verzinnen dat parallellen kan benoemen zonder iets te verklaren of met een nieuwe conclusie te komen.

    Nee, ik wil nog een stapje verder zetten. Probeer je eens voor te stellen dat we abstraheren van de speler. PacMan heeft geen weet van een speler, voor PacMan heeft de speler geen relevantie. En ook het bestaan van een computer, van een wereld buiten die computer, van het bestaan van wat wij materie zouden noemen zelfs, heeft PacMan geen weet.

    En stel je nu eens voor dat PacMan, op welke manier dan ook, leert programmeren. Het spel PacMan werd oorspronkelijk geschreven op een Z80 processor, een behoorlijk krachtige 8-bits processor. Het spel beschikte in de originele versie over een kleurenscherm, een vrij beperkt intern geheugen en wat aanvullende electronica. Dat betekent dat er restricties zijn aan wat je kan programmeren. Zo zou je het doolhof anders kunnen maken, de spookjes ander gedrag kunnen geven, maar ook een compleet nieuwe wereld kunnen programmeren voor PacMan.

    Maar je kan op de hardware die voor PacMan beschikbaar is niet zoiets maken als pakweg Fortnite. Een open wereld vol karakters met ieder een eigen speler, met vele NPC‘s, gebouwen, grondstoffen, bouwmogelijkheden en alles in 3D, dat kan de electronica van PacMan gewoon niet aan.

    Let op, wellicht ben je in je denken, al lezende, overgestapt naar denken over een programmeur, een mens, een speler desnoods. Maar wat ik zei was, stel je nu eens voor dat PacMan leert programmeren.

    Hoe zou een wereld voor PacMan er uit zien als hij zelf zou kunnen programmeren? Geen idee, want ik weet niet wat PacMan denkt. Maar het gaat me om het concept. Hoe programmeert PacMan? Daar kom ik nog op. Maar voor dit moment is het goed om een aantal zaken vast te stellen:

    1. Ook als programmeur is PacMan niet almachtig of onbeperkt in zijn mogelijkheden. De hardware waar hij op programmeert, de materiële wereld dus die voor PacMan zelf niet bestaat of niet van reële betekenis is, legt beperkingen op aan wat geprogrammeerd kan worden. Dat wat wij de fysieke wereld noemen is voor PacMan juist de wereld buiten zijn fysieke wereld. Je zou het de metafysica van PacMan kunnen noemen. Onbekend en onbereikbaar voor PacMan maar desalniettemin van fundamentele betekenis voor de mogelijkheden voor PacMan om zijn fysieke wereld te programmeren.
    2. Hoewel PacMan een vrije wil kan ervaren, heeft hij die niet. Zoals wij een onvrije wil hebben, naar de wijze van Schopenhauer, heeft PacMan een speler, die zijn wil vormt en hem stuurt.
    3. PacMan begint in een bestaande wereld die hem gegeven is, met een realiteit waarin grondstoffen schaars zijn en spoken zijn leven bedreigen. Hij heeft emoties en intelligentie in die wereld die hij vooral nodig heeft om zijn leven te redden. Het programmeren van die wereld zal onder die omstandigheden vooralsnog bijzaak zijn.

    Ik hoop dat dit beeld aanvaardbaar is. Het is mogelijk, en zelfs vrij eenvoudig, om gaten in dit beeld te schieten. Er is inderdaad van alles op aan te merken, maar dat is niet relevant. Ik poneer immers geen stelling, verkondig geen overtuiging en voer geen discussie. Het gaat er niet om of ik gelijk heb, het gaat er om een fundamentele gedachte te verwoorden die ik later zal uitwerken, als ik de vraag beantwoord hoe programmeert PacMan de wereld van PacMan?