De narratieve aap
In mijn eerdere stukken over PacMan gebruikte ik een gedachte-experiment dat ik hier opnieuw nodig heb. Stel je een PacMan voor die zich niet bewust is van de hardware waarop hij draait. Hij kent geen CPU, geen geheugen, geen elektriciteit, geen programmeur. Voor ons is zijn wereld een raster van pixels en regels code. Voor hem is het de enige werkelijkheid die bestaat: een doolhof met muren, gangen, vijanden, voedsel, dreiging en doel. Dat die wereld voor ons slechts een afbeelding is, maakt haar voor hem niet minder echt.
Die PacMan leeft, voor zover een gedachte-experiment dat toelaat, in een gesloten universum. Alles wat hij kan waarnemen, alles wat hij kan zijn, alles wat hij kan vrezen of hopen, speelt zich af binnen de semantiek van dat doolhof. Buiten die betekenisruimte is voor hem niets. Hij kan niet “boven” zijn wereld uitstijgen om haar te bekijken zoals wij dat doen. Hij is zijn wereld.
Stel je nu iets radicalers voor: een Pac-Man die zijn wereld kan veranderen. Niet door de hardware te manipuleren, want hardware bestaat voor hem niet, maar door verhalen te vertellen. Door betekenis toe te kennen. Door nieuwe verbanden te leggen. Door te zeggen: “dit is een vijand”, “dit is een veilige plek”, “dit is een doel”, “dit is een belofte”. In zo’n wereld is het vertellen van een verhaal geen beschrijving achteraf, maar een scheppende daad. Wat geen plaats heeft in het verhaal, bestaat eenvoudigweg niet. Wat wél wordt verteld, krijgt werkelijkheid.
Dat is geen sciencefiction. Dat is precies hoe menselijke werkelijkheid functioneert.
Daniel Dennett en Yuval Harari noemen de mens de narrative animal: een wezen dat zichzelf en zijn wereld niet ervaart als een verzameling fysische toestanden, maar als een doorlopende vertelling. Wij leven niet in een kale ruimte van objecten, maar in een landschap van betekenissen. Vriend. Vijand. Schuld. Liefde. Verantwoordelijkheid. Hoop. Ze bestaan niet als natuurfeiten, maar als elementen van een verhaal dat wij met elkaar blijven vertellen.
Identiteit is daarom geen ding dat je bezit, maar een narratief proces. Ik ben het verhaal dat ik over mezelf kan blijven voortzetten: wie ik was, wie ik ben, wie ik denk te worden. Wanneer dat verhaal breekt, door ziekte, trauma of dementie, breekt niet alleen het geheugen, maar de persoon zelf. En wanneer iemand sterft, verdwijnt niet meteen alles wat hij was: hij leeft voort in de verhalen die anderen over hem blijven dragen, in de beloftes die hij heeft achtergelaten, in de sporen die hij in andere levens heeft getrokken.
Wij zijn, net als die denkbeeldige PacMan, opgesloten in een wereld die voor ons volledig werkelijk is, maar die alleen bestaat bij de gratie van betekenis. Wij kennen de “hardware” van de werkelijkheid niet. Wij kennen alleen de verhalen waarin zij zich aan ons toont. En binnen die verhalen, niet daarbuiten, worden dingen werkelijk, belangrijk, heilig of verwerpelijk.
Als dat zo is, dan krijgt een oude theologische vraag ineens een nieuwe scherpte:
wat betekent het eigenlijk om te zeggen dat een mens een ziel heeft?
De ziel als informatiedrager
Vrijwel alle grote religieuze tradities kennen een onderscheid tussen wat een mens lijkt te zijn en wat hij werkelijk is. In het christendom heet dat onderscheid lichaam en ziel. In hindoeïsme en boeddhisme spreken we over ātman en samsara, over een innerlijk zelf dat door reeksen van levens heen reist. In allerlei vormen van reïncarnatiegeloof is het lichaam een tijdelijk voertuig, terwijl de ziel de ware drager van identiteit is. Het lichaam komt en gaat; het zelf blijft.
Wat al deze tradities delen, is een intuïtie: wie ik ben, valt niet samen met mijn huidige fysieke verschijning. Er is iets dat mij tot mij maakt, en dat iets kan blijkbaar in principe los van dit lichaam gedacht worden.
Maar zodra we die intuïtie proberen te concretiseren, lopen we vast. Wat is die ziel dan? Is zij een onstoffelijk object? Een geestelijke substantie? Een soort kosmische reiziger die lichamen betreedt en verlaat? Dat beeld voelt vertrouwd, maar het verklaart niets. Het schuift het probleem alleen op: wat is zo’n ding, en hoe draagt het een identiteit?
De moderne wetenschap heeft het probleem alleen maar scherper gemaakt. Persoonlijkheid, herinneringen, karaktertrekken, zelfs morele intuïties blijken sterk verbonden met de werking van het brein. Beschadig een bepaald stukje hersenweefsel en iemand wordt letterlijk een ander mens. Dat is geen ontkenning van de ziel, maar het maakt wel duidelijk dat identiteit geen los zwevend object is dat toevallig informatie in het brein opslaat. Het brein is het dragende systeem van die informatie.
Daarmee wordt een andere beschrijving van de ziel steeds plausibeler: niet als een ding, maar als een hoogwaardig informatieverwerkend systeem. De ziel is dan niet een extra laag bovenop het lichaam, maar het patroon van geheugen, betekenis, intentie en zelfverwijzing dat een mens tot persoon maakt. Zij is niet waar de informatie ligt, maar hoe zij wordt georganiseerd, verbonden en geïnterpreteerd.
Dat is precies waarom Thomas van Aquino, eeuwen vóór de neurowetenschap, al weigerde de ziel als een zelfstandig object te beschouwen. In de Summa Theologiae schrijft hij:
“Anima non est hoc aliquid.”
De ziel is geen ‘dit-ding’. (ST I, q. 75, a. 2)
En even kernachtig:
“Anima est forma corporis.”
De ziel is de vorm van het lichaam. (ST I, q. 76, a. 1)
De ziel is voor Thomas geen spook in de machine, maar het organiserende principe dat maakt dat deze materie een levende, menselijke persoon is. Daarom noemt hij het voortbestaan van de ziel na de dood ook een gebrekkige toestand: een mens hoort niet een losse ziel te zijn, maar een belichaamde eenheid.
In moderne termen zouden we zeggen: de ziel is geen bestand dat je kunt kopiëren, maar het lopende proces dat informatie tot identiteit maakt. Het narratief dat zichzelf blijft bijwerken. Trauma, dementie en hersenbeschadiging zijn daarom geen randverschijnselen, maar existentiële verstoringen: ze tasten het informatiesysteem aan dat iemand tot zichzelf maakt.
De ziel is dus geen onsterfelijke kern die ergens veilig buiten de wereld staat. Zij is een fragiele, maar rijke vorm van organisatie: een patroon dat alleen bestaat zolang het verteld, herinnerd en gedragen wordt. Dat geldt voor het individuele leven, maar ook voor grotere verbanden. Families, culturen, religies, kerken, het zijn geen dingen, maar narratieve systemen die zichzelf doorgeven in de tijd.
En daarmee wordt de vraag naar onsterfelijkheid fundamenteel anders. Niet: welk stukje van mij ontsnapt aan de dood?
Maar: in welk groter informatiesysteem kan mijn verhaal opgenomen blijven?
Daarmee is het mensbeeld nu scherp genoeg om iets te durven zeggen over God; niet als een wezen tussen andere wezens, maar als iets wat zich tot betekenis verhoudt zoals de ziel zich tot het lichaam verhoudt.
Dat is het punt waarop Johannes 1 binnenstapt.
Het woord
“In den beginne was het Woord.”
De proloog van het Johannesevangelie is een van de meest geciteerde en tegelijk minst serieus genomen teksten uit het christendom. Meestal wordt hij gelezen als poëzie, als mystiek, als een soort verheven voorwoord. Maar Johannes schrijft hier geen sfeertekst. Hij doet iets radicaals: hij definieert wat God is.
Het Griekse woord dat hier staat is Λόγος, Logos in Latijns schrift. Dat betekent niet alleen “woord”, maar ook “rede”, “betekenis”, “structuur”, “dat wat samenhang geeft”. In de wereld van Johannes was de Logos datgene waardoor de kosmos geen chaos was, maar een begrijpelijke, ordelijke werkelijkheid. Niet een ding in de wereld, maar het principe waardoor de wereld überhaupt iets kan betekenen.
Johannes schrijft:
In den beginne was de Logos,
en de Logos was bij God,
en de Logos was God.
(Johannes 1:1)
Dat is een merkwaardige zin. De Logos is niet iets dat God heeft. Het is God. Dat betekent dat God in deze tekst niet wordt opgevat als een superwezen met macht en eigenschappen, maar als datgene wat werkelijkheid tot betekenis maakt. God is niet een object in het universum, maar de grond waarop betekenis mogelijk is.
De grote kerkvaders lazen dit precies zo. Augustinus schrijft in De Trinitate:
“Verbum Dei est ratio et sapientia Dei.”
Het Woord van God is Gods verstand en wijsheid.
Met andere woorden: het Woord is niet een geluid, maar het innerlijke betekenissysteem van God zelf. Athanasius zegt in De Incarnatione dat door de Logos de wereld begrijpelijk en samenhangend is. En paus Benedictus XVI vatte dat in zijn beroemde Regensburglezing kernachtig samen:
Niet handelen volgens de rede is in strijd met Gods natuur.
God is dus geen willekeurige macht, geen blinde wil, geen mythisch wezen. God is Logos: rede, betekenis, samenhang. Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige secties zagen. De ziel is geen ding, maar een patroon van betekenis. De mens is een narratief wezen. Werkelijkheid is voor ons niet primair fysisch, maar semantisch.
Johannes gaat nog verder. Hij schrijft:
En het Woord is vlees geworden.
(Johannes 1:14)
Dat is misschien wel de meest radicale zin in de christelijke traditie. Niet: God gebruikte een mens. Niet: God verscheen als een mens. Maar: betekenis werd lichaam. De Logos, dat wat de wereld tot wereld maakt, nam de vorm aan van een concrete, historische, kwetsbare menselijke levensloop.
Incarnatie is dus niet een bovennatuurlijk spektakel, maar een ontologische uitspraak: dat wat de wereld draagt als betekenis, heeft zich laten kennen binnen een menselijk verhaal.
En hier sluit alles wat we eerder hebben opgebouwd op elkaar aan. Als de ziel een informatiesysteem is dat een leven tot een verhaal maakt, en als God de Logos is, het veld van betekenis waarin alle verhalen kunnen bestaan, dan is de verhouding tussen God en mens niet die van twee objecten, maar die van verhaal en context, van betekenis en drager.
God is niet het grootste ding in het universum.
God is het geheel waarin alle dingen betekenis krijgen.
Maar dan rijst onmiddellijk de vraag:
als God Logos is, als God betekenis en verhaal is, wat betekent dat dan voor zijn “bestaan”?
Dat is waar Mozes bij de brandende struik plotseling zijn gewicht krijgt.
“Ik ben”
Wanneer Mozes bij de brandende struik vraagt wie het is die hem zendt, krijgt hij geen naam in de gewone zin. God zegt niet: “Ik ben dit” of “Ik ben dat”. Hij zegt:
Ehyeh asher ehyeh — Ik ben die Ik ben.
(Exodus 3:14)
Dat is geen ontologische definitie zoals een filosoof die zou geven. Het is ook geen beschrijving van een eigenschap. Het is een weigering om zich als een ding te laten vastleggen. God zegt niet dat Hij bestaat zoals een berg bestaat, of een mens bestaat, of een geest bestaat. Hij zegt alleen: Ik ben.
In het Hebreeuws is dat nog radicaler dan in vertaling. Ehyeh is een werkwoordsvorm: zijn als beweging, als aanwezigheid, als voortdurende actualiteit. God definieert zichzelf niet als een zijnde, maar als zijn zelf. Dat is waarom de klassieke theologie later zou spreken over God als actus purus: geen object in de wereld, maar het gebeuren van zijn zelf.
Dat sluit naadloos aan bij wat we in de vorige sectie zagen over de Logos. Als God geen ding is, maar Logos, betekenis, samenhang, verstaanbaarheid, dan kan Hij ook niet bestaan zoals dingen bestaan. Een verhaal bestaat niet zoals een steen bestaat. Het is er. Het werkt. Het vormt werkelijkheden. Maar je kunt het niet aanwijzen als object. Het is een zijnswijze, geen entiteit.
In die zin is “God als verhaal” geen poëtische metafoor, maar een precieze ontologische uitspraak. God is dat wat is in de vorm van betekenis. Niet een actor in het verhaal, maar het veld waarin verhalen kunnen zijn. Dat is waarom Hij zich kan openbaren in woorden, beloften, geboden en geschiedenissen zonder ooit tot een object gereduceerd te worden.
Wanneer Johannes zegt dat de Logos God is, en wanneer Exodus laat zien dat God “Ik ben” is, dan wijzen die twee teksten in dezelfde richting: God is geen iets. God is dat het iets kan betekenen. Het dragende weefsel van verstaanbaarheid zelf.
Dat is ook waarom incarnatie zo vreemd en zo centraal is. “Het Woord is vlees geworden” betekent niet dat een bovennatuurlijk wezen een lichaam aantrok. Het betekent dat betekenis zich heeft laten kennen binnen een concrete, eindige levensloop. Dat het verhaal een lichaam heeft gekregen. Niet om op te houden God te zijn, maar om als God in de wereld leesbaar te worden.
God als Logos.
God als “Ik ben”.
God als het verhaal dat werkelijkheden mogelijk maakt.
En als dat zo is, dan wordt de vraag naar onsterfelijkheid opnieuw onontkoombaar: niet als het voortbestaan van een ziel-ding, maar als het voortbestaan van betekenis.
Onsterfelijk als verhaal
Wanneer onsterfelijkheid wordt voorgesteld als het eindeloze voortbestaan van een ziel-ding, roept dat bijna vanzelf het beeld op van een individu dat ergens blijft rondzweven: dezelfde persoon, met dezelfde herinneringen, losgemaakt van tijd en lichaam. Maar wie de vorige stappen serieus neemt, kan dat beeld niet meer vasthouden. De ziel is geen object. Zij is een patroon, een narratief informatiesysteem. En wat geen ding is, kan ook niet op de manier van dingen bestaan.
De vraag is dus niet: waar ben ik na mijn dood?
De vraag is: in welk verhaal blijf ik bestaan?
Dat klinkt misschien vaag, maar het is in feite uiterst concreet. Ieder mens leeft al tijdens zijn leven in verhalen die groter zijn dan hijzelf: familiegeschiedenissen, vriendschappen, gemeenschappen, tradities, instituties. Wie wij zijn, wordt voortdurend mede gevormd door die grotere narratieven. En wanneer wij sterven, verdwijnen wij niet uit de werkelijkheid. Wij leven voort in herinneringen, in beloften die wij hebben gedaan en die nog gelden, in wonden die wij hebben geslagen, in liefde die nog werkt. Dat is geen symbolisch voortbestaan. Dat is hoe betekenis in de tijd functioneert.
Voor mij is dat grotere verhaal, waarin mijn leven is ingebed, heel concreet: het verhaal van de Kerk. Niet de Kerk als organisatie, maar de Kerk als levend narratief dat teruggaat op een kleine groep mensen rond Jezus van Nazaret en zich sindsdien, door tweeduizend jaar geschiedenis heen, heeft voortgezet. Een verhaal van verkondiging, verraad, heiligheid, mislukking, bekering en trouw. Een verhaal dat mensen heeft voortgebracht, gevormd, gebroken en opnieuw samengebracht.
Wanneer Jezus in het Matteüsevangelie zegt dat de poorten van de hel zijn Kerk niet zullen overweldigen (Matteüs 16:18), belooft hij geen onfeilbare organisatie. Hij belooft de duurzaamheid van een verhaal. Dat wat in hem begonnen is, de Logos die vlees werd, zal niet uit de wereld verdwijnen. Het zal blijven worden verteld, gevierd, bevochten en gedragen.
De Catechismus van de Katholieke Kerk spreekt in de eschatologie opvallend voorzichtig over tijd. Wij wachten niet op een eindtijd die ergens in de toekomst begint, maar leven al in de laatste tijden. De nieuwe schepping is begonnen, maar nog niet voltooid. De geschiedenis van de wereld en de geschiedenis van het heil zijn niet twee gescheiden lijnen, maar één doorlopende beweging van betekenis.
Onsterfelijkheid ligt in dat licht niet in een privé-bestaan na de dood, maar in de opname van mijn leven in dat grotere, blijvende verhaal. Ik ben onsterfelijk voor zover wat ik was en deed en liefhad, opgenomen blijft in de Logos die de Kerk draagt. Niet omdat ik als individu oneindig blijf, maar omdat mijn verhaal niet uit het verhaal van God kan vallen.
Dat is geen verarming van de christelijke hoop. Het is haar radicale verdieping. Want wat hier wordt beloofd, is niet dat ik mezelf voor eeuwig behoud, maar dat niets wat werkelijk betekenis had ooit verloren gaat.
Geen ketterij
Wat hier is gezegd over God, ziel en onsterfelijkheid klinkt voor veel oren ongewoon. Maar de vraag is niet of het vertrouwd klinkt. De vraag is of het botst met wat de Kerk werkelijk leert.
Om dat te toetsen, moeten we niet naar populaire beelden kijken, maar naar de Catechismus. Ik gebruik de Engelse versie, omdat het Vaticaan geen Nederlandse versie op haar website heeft gezet.
1. God is geen ding
De Catechismus is hier opvallend helder:
“God is one, but not solitary.” (CCC 254)
Dat klinkt triviaal, maar het zegt iets fundamenteels: God is geen individu in de rij van andere individuen. Hij is geen zijnde naast andere zijnden. En nog explicieter:
“God transcends all creatures. We must therefore continually purify our language of everything in it that is limited, image-bound or imperfect.” (CCC 42)
God is dus niet te vangen in categorieën die we op dingen toepassen. Dat sluit naadloos aan bij Exodus 3:14: Ik ben. Geen object. Geen soort. Geen plaats in een ontologische inventaris.
Dat betekent dat wanneer we God aanduiden als Logos, als betekenis, rede, samenhang, we Hem niet reduceren tot een metafoor, maar juist wegblijven van een valse objectificatie.
2. Christus: het Woord werd vlees
De Catechismus verwoordt Johannes 1 letterlijk:
“The Word became flesh to make us ‘partakers of the divine nature.’” (CCC 460)
En ook:
“The Son of God… worked with human hands; he thought with a human mind, acted with a human will, and loved with a human heart.” (CCC 470)
Hier staat geen idee van een goddelijk ding dat een menselijk ding bestuurt. Hier staat: de Logos zelf, Gods wijze van zijn, heeft zich volledig uitgedrukt in een menselijk leven.
Christus is dus niet God plus mens, maar God als menselijk verteld leven. Precies wat Johannes bedoelt met “het Woord is vlees geworden”.
3. De Drie-eenheid is geen drie dingen
De Catechismus verzet zich expliciet tegen het idee dat Vader, Zoon en Geest drie afzonderlijke “objecten” zouden zijn:
“The divine persons do not share the one divinity among themselves but each of them is God whole and entire.”(CCC 253)
Dat betekent: de Drie-eenheid is geen verzameling personen in menselijke zin, maar één goddelijke werkelijkheid in drie wijzen van bestaan.
Binnen mijn denkkader
- de Vader als bron van betekenis
- de Zoon als uitgesproken betekenis
- de Geest als werkzame betekenis in de tijd
is dat geen afzwakking, maar een verheldering.
4. De ziel is geen zelfstandig object
De Catechismus sluit hier aan bij Thomas:
“The human person, created in the image of God, is a being at once corporeal and spiritual.” (CCC 362)
En:
“The soul is the spiritual principle in man.” (CCC 363)
Let op wat hier níét staat dat de ziel een zelfstandig ding is dat naast het lichaam bestaat. Zij is een principe, een vorm van organisatie en betekenis. Dat past exact bij mijn omschrijving als hoogwaardig informatiesysteem.
5. Verrijzenis is geen biologisch herstel
De Catechismus is hier expliciet:
“What is ‘rising’? In death, the separation of the soul from the body, the human body decays… ” (CCC 997)
En:
“[This body will be changed into] a glorified body.” (CCC 999)
Niet hersteld. Niet gerepareerd. Veranderd van zijnswijze.
Dat is precies wat mijn these stelt: geen voortzetting van een fysisch object, maar een nieuwe vorm van bestaan binnen God.
6. Eschatologie is geen toekomstmoment
De Catechismus zegt:
“Christ’s kingdom already manifests its presence through the miraculous signs that attend its proclamation by the Church” (CCC 670)
En:
“Since the Ascension God’s plan has entered into its fulfilment.” (CCC 670)
We wachten niet op een latere tijd waarin alles begint. We leven al in de eschatologische werkelijkheid. Dat betekent: onsterfelijkheid is geen toekomstig evenement, maar een andere dimensie van het huidige zijn.
Wat blijft er dan over?
Alles.
- God is geen ding → maar Logos
- Christus is geen gemaskerde God → maar vleesgeworden betekenis
- De ziel is geen object → maar een narratief informatiesysteem
- De verrijzenis is geen sciencefiction → maar transformatie in God
- De eindtijd is geen datum → maar de huidige diepte van de werkelijkheid
Dat is niet buiten de katholieke leer.
Het is de katholieke leer, de Bijbel volgend en zonder heilige huisjes uit de menselijke geschiedenis als beperking.
En precies daarin kan een mens onsterfelijk zijn:
niet als los ik,
maar als blijvende betekenis
in het verhaal dat God zelf is.
Nagekomen gedachten
Herlezend realiseer ik me dat mijn idee een paar vragen onbeantwoord laat. In ieder geval de vraag hoe het zit met het katholieke idee van een oordeel bij je dood. Mijn antwoord daarop is dat het particuliere oordeel igeen juridisch moment is waarin God een vonnis uitspreekt. Het is het moment waarop ik, opgenomen in de Logos, eindelijk mijn eigen verhaal zie zoals het altijd al was. Loutering is niet straf, maar het pijnlijke wegvallen van alle valse zelfbeelden. Wat waar was blijft. Wat leugen was, kan niet bestaan in Gods aanwezigheid
Een andere nogal relevante vraag ziet op het katholieke idee van een persoonlijke God, een God waarmee je een relatie hebt. Of niet, natuurlijk. Een God ook die liefde is. Daarop is mijn antwoord dat binnen dit denkkader liefde geen extern gebeuren is tussen twee objecten, maar de fundamentele wijze waarop God bestaat. De Vader kent de Zoon niet als een ander ding, maar in volledige zelfgave. De Logos is niet informatie over God, maar Gods eigen zelfkennis. Wanneer ik besta in de Logos, word ik gekend zoals de Zoon door de Vader wordt gekend: niet als object, maar als geliefde die wordt gedragen in het innerlijk leven van God zelf.
Een derde vraag betreft de incarnatie zelf en de wonderen die in de evangeliën worden beschreven. Als God geen interventionistische macht is die van buitenaf ingrijpt, hoe werd het Woord dan vlees? En wat betekenen wonderen in dit kader?
Mijn antwoord: incarnatie is geen interventie, maar manifestatie. God wordt niet iets anders in Jezus. De Logos blijft Logos. Maar in deze ene menselijke levensloop wordt zichtbaar wat altijd al het geval was: dat menselijk bestaan narratief bestaan is, en dat verhalen hun werkelijkheid ontlenen aan de Logos. Jezus is niet God-die-zich-vermomde-als-mens, maar de mens waarin volledig transparant werd wat God is: betekenis die vlees wordt, verhaal dat zich incarneert.
De wonderen zijn dan geen doorbreking van natuurwetten, maar herordening van betekenis. Water wordt wijn: niet als chemisch proces, maar als liturgisch gebeuren waarin de betekenis van een maaltijd wordt getransformeerd. Lazarus wordt opgewekt: niet als biologische reanimatie, maar als narratieve omkering, het verhaal dat eindigde in dood wordt voortgezet. De vraag ‘gebeurde dit fysiek?’ is hierbij minder relevant dan de vraag: veranderde dit de werkelijkheid? En het antwoord op die laatste vraag is: ja. Want werkelijkheid is wat betekenis heeft, niet wat fysisch meetbaar is.
Dit vraagt wel dat historiciteit op twee niveaus wordt begrepen. Niet: gebeurde dit exact zoals beschreven in causaal-fysische zin? Maar: gebeurde hier iets dat verhalen en dus werkelijkheden fundamenteel veranderde? Het eerste weten we niet en kunnen we niet weten. Het tweede is precies wat het evangelie claimt: na Jezus was de wereld anders, niet omdat de fysica veranderde, maar omdat betekenis anders werd verdeeld.
Hetzelfde geldt voor de maagdelijke geboorte en de onbevlekte ontvangenis van Maria. Beide dogma’s klinken in moderne oren als biologische abnormaliteiten, als doorbreking van natuurlijke voortplanting. Maar dat is een mislezing.
De maagdelijke geboorte zegt niet: God manipuleerde chromosomen. Het zegt: wat hier begon, kwam niet voort uit menselijke intentie, begeerte of macht. Dit verhaal heeft geen menselijke auteur. Het is Logos zelf die vlees wordt. Niet als biologisch feit dat je kunt verifiëren, maar als theologische uitspraak: hier begint iets dat niet uit de wereld voortkomt, maar aan de wereld wordt gegeven.
De onbevlekte ontvangenis van Maria zegt evenmin iets over haar DNA of over een genetische schoonmaak. Het zegt: in haar wordt zichtbaar dat een mens volledig vrij kan zijn van de dwangmatige patronen die wij ‘erfzonde’ noemen. Niet omdat God ingreep in haar biologie, maar omdat zij volledig open stond voor de Logos. Erfzonde is geen genetische vloek, maar de narratieve gevangenis waarin mensen zichzelf en elkaar blijven vastzetten. Maria is de eerste die daaruit vrij was, niet door natuurlijke onmogelijkheid maar door genadige mogelijkheid.
Ook hier geldt: de vraag ‘gebeurde dit fysiek precies zo?’ is minder relevant dan de vraag ‘wat maakt dit dogma waar?’ Het antwoord: dat God niet afhankelijk is van menselijke macht, en dat mensen niet gevangen hoeven blijven in destructieve verhalen.
Eén van mijn favoriete ‘wonderen’ is een hagiografisch verhaal over Bernardus van Clairvaux: hij zou in stromende regen een brief hebben geschreven op perkament met inkt, iets dat fysisch onmogelijk is. Het wonder is kneuterig, alledaags, bijna lachwekkend als je het fysisch probeert te reconstrueren. Maar het verhaal heeft de eeuwen doorstaan. Niet omdat het de natuurkunde trotseerde, maar omdat het iets vertelt over toewijding, over wat werkelijk belangrijk is, over een mens die zo gedreven was dat zelfs regen hem niet tegenhield. Het wonder zit in de betekenis, niet in de meteorologie.