Tag: Narratieve Aap

  • PacMan en de Logos

    PacMan’s onbeantwoorde vraag

    Eerder besprak ik de wereld van de mens met PacMan als beeld. PacMan die leeft in een wereld die niet “bestaat” zoals wij gewend zijn over bestaan te denken. De wereld van PacMan is die van een empirist die goed heeft opgelet toen Descartes zei dat hij slechts van één zekerheid kan uitgaan: cogito ergo sum.

    De empirist heeft een heldere epistemologische visie. Alle kennis komt voort uit zintuigelijke waarneming. Hoewel maar weinig mensen deze filosofie tot in haar uiterste doordrijven is het wel min of meer de manier waarop men in ons deel van de wereld naar de werkelijkheid kijkt. Wat we waarnemen bestaat en wat bestaat kunnen we waarnemen. Voor de agnost bestaat er nog enige nuancering, zoals verwoord door Kant in zijn Kritiek van de zuivere rede. Kant formuleert het negatief als hij van de klassieke metafysica zegt dat deze feitelijk irrelevant is omdat alles wat niet waargenomen kan worden ofwel niet bestaat ofwel voor ons geen betekenis heeft en alles wat wel betekenis voor ons heeft direct of indirect waarneembaar moet zijn. Het is een manier van denken die goed past bij een modern, atheïstisch, “wetenschappelijk” wereldbeeld. Dat het op het niveau van de quantum mechanica soms wat lastig valt vol te houden mag de pret niet drukken, Schrödingers kat ligt er niet wakker van, of die nu leeft of dood is.

    Descartes constateert een tamelijk evident punt. Onze zintuigen bedriegen ons. Maar als dat zo is, waar blijf je dan als empirist? Descartes concludeert dat de werkelijkheid niet bewijsbaar bestaat als we alleen van waarneming mogen uitgaan. Er is slechts een zekerheid en dat is het bestaan van degene die zich afvraagt of er wel iets bestaat. Descartes zegt dus: uit het feit dat ik nadenk over het bestaan (cogito) volgt logischerwijs (ergo) dat degene die zich die vraag stelt bestaat (sum).

    Hoe past PacMan en zijn wereld hier in? Enerzijds is de werkelijkheid van PacMan dat wat hij kan waarnemen. Een doolhof, spookjes, eetbare punten. In zoverre is PacMan een empirist, dat wat je kan waarnemen bestaat kennelijk. Maar de wereld van PacMan wordt pas zinvol als je tegelijk onderkent dat niets in de wereld van PacMan, inclusief PacMan zelf, bestaat op de manier waarop wij bestaan herkennen. PacMan is voor ons slechts een afbeelding op een beeldscherm immers. Om de wereld van PacMan compleet te maken voor PacMan zelf zal je empirisme en een vorm van cartiaans dualisme met elkaar moeten verbinden. Ongeschikt voor de moderne natuurkundige, maar wel nodig om de narratieve aap te begrijpen.

    Het cartesiaanse dualisme raakt hierbij scherp aan de vraag hoe PacMan zijn wereld kan programmeren zonder een flauw benul te hebben van de hardware waarop zijn wereld is geprogrammeerd. Descarte stelt dat we enerzijds een denkende geest zijn, de res cogitans, en anderzijds een materieel lichaam, de res extensa. Voor PacMan betekent dat ongeveer dat het gele happertje dat we zien, maar ook de hele wereld die tot de empirische werkelijkheid van PacMan behoort te vinden is in de dimensie van de res extensa. De wereld van de programmeur, degene die de hardware laat doen wat die doet, vinden we dan in de res cogitans. Waar Descartes niet zo helder over is, en wat voor nogal wat kritiek heeft gezorgd, is de vraag hoe die werelden met elkaar communiceren. En dat is ook precies het vraagstuk van PacMan. Leuk dat PacMan zijn eigen wereld kan programmeren, maar hoe dan?

    Ik zal vanaf nu PacMan los laten. Het beeld heeft zijn werk wel gedaan. Het moet niet langer over het beeld gaan, maar over de mens zelf. De narratieve aap.

    Johannes: het woord als mechaniek

    Het Johannes Evangelie begint, anders dan de andere drie Evangeliën niet met Jezus in de wereld, maar met de schepping. De proloog van Johannes is in zekere zin het echte scheppingsverhaal. Waar Genesis vertelt wat bij de schepping gebeurd zou zijn, beschrijft Johannes hoe scheppen eigenlijk werkt.

    In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.

    (Johannes 1;1-3)

    of in de Vulgaat:


    In principio erat Verbum, et Verbum erat apud Deum, et Deus erat Verbum. Hoc erat in principio apud Deum. Omnia per ipsum facta sunt, et sine ipso factum est nihil, quod factum est;

    De Vulgaat-vertaling is van belang. In de grondtekst, in Koine Grieks, staat λόγος, een mannelijk woord. In de Vulgaat is gekozen voor Verbum, wat onzijdig is. Waar het hier om gaat is dat het per ipsum in de Willibrord-vertaling vertaald is als “door Hem”, en daarmee automatisch christologisch geduid is. Dat we in de Nederlandse vertaling een hoofdletter zien versterkt dat effect. Maar de Vulgaat is hier dus nadrukkelijk niet, en de grondtekst is niet nadrukkelijk, christologisch. Een vertaling zonder die christologische duiding had kunnen zijn:

    In het begin was het woord en het woord was bij God en het woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door het woord geworden en zonder het woord is niets geworden van wat geworden is.

    Het is onorthodox om Johannes te ontdoen van een christologische interpretatie, maar het is wel grammaticaal correct vertalen. En het laat ineens iets heel interessants zien. Johannes beschrijft hier niet zozeer wie de werkelijkheid geschapen heeft, maar hoe dat is gebeurd.

    Het lost meteen een detail op dat ik persoonlijk altijd wat onbegrijpelijk heb gevonden in het credo van Nicea. Het gaat om dit zinnetje:

    en door wie alles geschapen is

    Dit verwijst in het credo zonder enige twijfel naar Jezus. Maar hoe werkt dat eigenlijk, iets scheppen “door Jezus”?

    ook hier is het Latijn weer boeiend. Dan lezen we

    per quem omnia facta sunt

    Let op: per quem (mannelijk, door hem), en dus niet per ipsum (onzijdig, door het). Het credo neemt dus de woorden van Johannes, maar maakt ze mannelijk in plaats van onzijdig. Het credo maakt de tekst dus christologisch, en dat is precies wat je van een credo mag verwachten. Het geeft een gelovige duiding, credo betekent letterlijk “ik geloof”. Maar die duiding komt dus niet van Johannes en Johannes is daarmee dan ook meteen een stuk minder mystiek of religieus dan het op het eerste gezicht lijkt.

    Johannes schrijft in feite:

    1. Er is woord. Taal.
    2. Woord, taal is bij God. Woord is God.
    3. Schepping vindt plaats door middel van woord. Taal.
    4. Ergo, taal is het instrument waarmee de werkelijkheid gemaakt wordt.

    Nota bene, ik beweer niet dat hieraan enig gezag kan worden ontleent. Het is niet waar omdat Johannes het schrijft. Ik beweer wel dat Johannes het schrijft omdat het waar is.

    Wittgenstein: de grenzen die niet begrenzen

    Ludwig Wittgenstein had een radicaal project. In zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1922) wilde hij een definitieve grens trekken tussen zinvolle en zinloze taal. Zinvolle taal spreekt over feiten, over wat het geval is in de wereld. Metafysica, denken over God, het goede, het schone, de zin van het bestaan, valt buiten die grens. Het is niet vals, maar letterlijk betekenisloos. Onzin. Wittgenstein wilde de filosofie zuiveren door haar te laten zwijgen over alles waarover we niet helder kunnen spreken.

    Maar dan komt de beroemde ladder-metafoor. In propositie 6.54 schrijft Wittgenstein: “Mijn stellingen verduidelijken doordat hij die mij verstaat ze uiteindelijk als onzinnig herkent, wanneer hij door middel van die stellingen erop, erover heen, is geklommen. (Hij moet de ladder wegwerpen, nadat hij erop is geklommen.)” Het is een verbijsterende zet. Wittgenstein zegt: alles wat ik net schreef is strikt genomen zelf ook onzin. Gebruik mijn boek als ladder, klim erop, en gooi het dan weg.

    Maar waar sta je dan? Als de ladder weg is, als alle metafysica onzin is, als alle filosofie die over de grenzen van de taal probeert te spreken zelf buiten die grenzen valt, wat blijft er dan over? Wittgenstein wilde een grens trekken, maar laat daarmee juist zien dat er niks aan de andere kant van die grens ligt. Er ís geen buitenkant van de taal. De grens die hij trekt, begrenst niks omdat alles wat er is, binnen de taal ligt.

    De beroemdste zin uit de Tractatus is propositie 7, de allerlaatste regel: “Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.” Het klinkt als een gebod, als een grens. Maar het is geen verbod om over bepaalde dingen te praten. Het is de constatering dat er letterlijk niks is om over te praten buiten de taal. Er bestaat geen werkelijkheid waarover we niet kunnen spreken, want wat buiten de taal ligt, bestaat voor ons niet.

    En hier wordt Wittgensteins project absurd. Als we alleen zinvol kunnen spreken over empirisch verifieerbare feiten, en alles wat daarbuiten valt onzin is, dan zouden we vrijwel volledig moeten zwijgen. Over waarden, over betekenis, over intenties, over relaties, over alles wat een mensenleven vormgeeft kunnen we niet helder spreken in Wittgensteins strikte zin. Wetenschap zou onmogelijk worden. Elke hypothese, elke theorie begint als speculatie die nog niet empirisch geverifieerd is. Laten we daar ook nog eens Descartes op los, dan valt zelfs over de empirische “feiten” niet meer te spreken.

    Zelfs denken zelf zou ophouden, want we denken in taal, en taal leren we door te communiceren. Als we moesten zwijgen zoals Wittgenstein voorschrijft, zouden we functioneel doof-blind worden.

    Maar we zwijgen niet. We kunnen niet zwijgen. En daarmee bewijst Wittgenstein onbedoeld precies wat Johannes al zei: er is geen werkelijkheid buiten het woord. Taal begrenst niet. Taal constitueert.

    Derrida: betekenis zonder anker

    Jacques Derrida pakt de draad op waar Wittgenstein hem liet vallen. Waar Wittgenstein wilde begrenzen en uiteindelijk moest erkennen dat begrenzing zinloos is, maakt Derrida van die zinloosheid juist een systeem. In zijn werk over taal en betekenis, met name in De la grammatologie (1967), stelt hij iets radicalers: er bestaat geen vast ankerpunt waaraan betekenis kan worden opgehangen. Geen “transcendentaal significant”, geen fundament buiten de taal dat bepaalt wat woorden werkelijk betekenen.

    Derrida’s centrale begrip is différance, een kunstmatig woord dat hij schept door “différence” (verschil) en “différer” (uitstellen) samen te voegen. Betekenis ontstaat door verschil; “boom” betekent iets omdat het niet “boon” is, niet “droom”, niet “zoon”. En betekenis is altijd uitgesteld. Als je vraagt wat “boom” betekent, verwijs je naar andere woorden (“plant”, “hout”, “bladeren”), die op hun beurt weer verwijzen naar andere woorden. Je komt nooit bij een definitieve, taalloze werkelijkheid aan. Betekenis is een eindeloos spel van verwijzingen, zonder eindpunt.

    Dat klinkt als relativisme. Als elke tekst oneindig herinterpreteerd kan worden, als er geen vaste betekenis is, lijkt Derrida te zeggen dat alles maar interpretatie is, dat waarheid niet bestaat. Maar dat is een misverstand. Derrida zegt niet dat betekenis willekeurig is. Hij zegt dat betekenis gemaakt wordt, niet gevonden. Er is geen werkelijkheid buiten de taal die we kunnen opzoeken om te checken of onze woorden kloppen. Taal verwijst niet naar iets dat al bestaat, taal brengt voort.

    En hier komt Derrida terug bij Descartes en Johannes. Descartes liet zien dat we zelfs over de empirische werkelijkheid niet met zekerheid kunnen spreken. We kunnen niet uit onze waarneming stappen om te controleren of die waarneming klopt. We zitten opgesloten in onze eigen res cogitans, ons eigen denken. En denken is taal.

    Wittgenstein opent een frontale aanval op de taal, maar met als enige wapen de taal is die aanval op voorhand kansloos. Wittgenstein maakt op geniale wijze de filosofie betekenisloos en de taal zinloos, maar ondergraaft daarmee uiteindelijk slechts zijn eigen aanval.

    Johannes zei het al: “In het begin was het woord.” Niet: in het begin was er een werkelijkheid die vervolgens benoemd werd. Nee, het woord was er eerst. En “alles is door het woord geworden.” Schepping gebeurt niet vóór de taal, maar door de taal.

    Derrida’s deconstructie lijkt op het eerste gezicht een aanval op die gedachte. Hij laat zien dat geschreven taal los staat van een spreker, dat teksten betekenissen krijgen die hun auteur nooit bedoeld heeft, dat interpretatie nooit stopt. Maar juist daardoor bevestigt hij wat Johannes beschrijft. Geschreven taal is inderdaad in zichzelf betekenisloos maar precies daarom is het het ultieme scheppende gereedschap. Omdat taal geen vaste betekenis heeft, kan taal de werkelijkheid eindeloos herscheppen. Elke lezing, elke interpretatie, elk gebruik van woorden brengt nieuwe werkelijkheid voort.

    Wittgenstein wilde de taal begrenzen en ontdekte dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde de taal deconstrueren en ontdekte dat taal juist daarom alles schept. Beide filosofen probeerden de metafysica te ontmaskeren. Beide bevestigden per ongeluk wat Johannes duizend jaar eerder al schreef: het woord is geen beschrijving van de werkelijkheid. Het woord is de werkelijkheid.

    Demystificatie wordt mystiek

    Wittgenstein en Derrida waren geen mystici. Ze waren filosofen met een scherp, analytisch project: de illusie doorprikken dat er een verborgen werkelijkheid bestaat achter de taal, achter de verschijnselen. Ze wilden de metafysica ontmaskeren, laten zien dat er geen transcendente waarheid is die we kunnen ontdekken als we maar diep genoeg graven. Hun werk was demystificatie.

    Maar wat ze ontdekten, is precies wat mystici door de eeuwen heen al zeiden.

    Mystiek wordt vaak begrepen als iets religieus, als een ervaring van het goddelijke, van eenwording met iets groters. Maar dat is te eng. Mystiek is fundamenteler: het is de ervaring of het inzicht waarin de scheiding tussen subject en object verdwijnt, waarin kenner en gekende samenvallen, waarin er geen “buiten” meer is. De mysticus zegt niet dat er een verborgen werkelijkheid bestaat die we moeten bereiken. De mysticus zegt: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen dit.

    Meister Eckhart, de middeleeuwse dominicaan, schreef: “Het oog waarmee ik God zie is hetzelfde oog waarmee God mij ziet.” Er is geen afstand tussen subject en object, tussen ziener en geziene. Ze zijn hetzelfde. Shankara, de grote Indiase filosoof van de achtste eeuw, leerde Advaita Vedanta: non-dualiteit. De werkelijkheid is niet verdeeld in ik en wereld, in geest en materie. Die scheiding is illusie, maya. Wat overblijft is Brahman, het ene dat alles is. Rumi, de Perzische mysticus, dichtte: “Jij bent niet een druppel in de oceaan. Jij bent de hele oceaan in een druppel.” Er is geen grens tussen het zelf en het geheel.

    Dit is geen religieuze doctrine. Het is een constatering over hoe werkelijkheid werkt. En het is precies wat Wittgenstein en Derrida, zonder het te willen, bewezen. Er is geen werkelijkheid buiten de taal om naar te verwijzen. Er is geen transcendentaal significant, geen fundament dat betekenis verankert. Er is geen “buiten” waar we naartoe kunnen stappen om te checken of onze woorden kloppen. Taal is niet een gereedschap dat we gebruiken om een bestaande werkelijkheid te beschrijven. Taal is de werkelijkheid.

    Dit lost het probleem van Descartes op. Het cartesiaanse dualisme, de scheiding tussen res cogitans en res extensa, tussen denkende geest en uitgebreide materie, leek een onoverbrugbare kloof. Hoe communiceert de geest met het lichaam? Hoe beïnvloedt denken de wereld? PacMan’s probleem was hetzelfde: hoe programmeert hij zijn wereld zonder weet te hebben van de hardware?

    Het antwoord is: er is geen kloof. Res cogitans en res extensa zijn geen gescheiden werelden die met elkaar moeten communiceren. Ze zijn beide taal. Het woord overstijgt die scheiding niet, het woord is die overstijging. Denken en zijn vallen samen in het spreken. PacMan programmeert niet vanuit een externe positie. Hij programmeert door te spreken, door betekenis te geven aan wat hij ervaart.

    Mystiek is geen vlucht uit de werkelijkheid, maar de erkenning dat er nergens naartoe te vluchten valt. Het is de ervaring dat alles wat is, hier is, in dit moment, in deze taal, in dit bewustzijn. Wittgenstein wilde de grens trekken en ontdekte dat er niks te begrenzen valt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en ontdekte dat betekenis juist daarom alles schept. Mystici zeggen hetzelfde, maar zonder de omweg van de filosofie: er is geen tweede werkelijkheid. Er is alleen het woord dat vlees wordt, steeds opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid

    We zijn nu aangekomen bij een conclusie die tegelijk simpel en ongemakkelijk is. Johannes schreef dat het woord de werkelijkheid schept. Wittgenstein wilde taal begrenzen en bewees dat er niks buiten de taal ligt. Derrida wilde betekenis deconstrueren en liet zien dat taal juist daarom constitutief is. Mystici door de eeuwen heen zeiden: er is geen tweede werkelijkheid, geen “buiten”.

    Dat alles leidt tot één inzicht: taal beschrijft de werkelijkheid niet. Taal is de werkelijkheid. Het woord schept wat het benoemt. PacMan programmeert zijn wereld door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware.

    Maar zodra je dat hardop zegt, komen de bezwaren. En die bezwaren zijn legitiem. Ze moeten serieus genomen worden, want anders wordt dit verhaal een vorm van magisch denken waarin alles mogelijk is als je maar hard genoeg wenst.


    Is het dan niet allemaal willekeur?

    Het eerste bezwaar klinkt ongeveer zo: als taal de werkelijkheid schept, is dan niet alles maar interpretatie? Kan iedereen zomaar zijn eigen werkelijkheid bedenken? Is waarheid dan niet gewoon wat de meeste mensen geloven? En als ik hard genoeg roep dat ik kan vliegen, kan ik dan vliegen?

    Nee. En het antwoord waarom niet zit in het woord “gezamenlijk”, in het verhaal.

    Neem democratie. Het concept bestond niet voordat de Grieken het bedachten. Er was geen natuurwet die zei dat mensen gelijk geboren werden, dat stemmen eerlijk was, dat macht gedeeld moest worden. Democratie is een verhaal, een constructie, een product van taal. Maar zodra genoeg mensen dat verhaal gingen delen, instituties eromheen bouwden, wetten schreven, rechters aanstelden, werd het echt. Niet omdat het altijd al bestond, maar omdat het nu bestaat.

    Of neem geld. Een briefje van vijftig euro is objectief gezien waardeloos. Het is papier met inkt. Maar omdat we gezamenlijk geloven dat het waarde heeft, heeft het waarde. Je kunt ermee betalen, ermee sparen, ermee investeren. Het bestaat niet buiten onze taal, maar het bestaat wel degelijk. Probeer maar eens zonder.

    Eigendom werkt hetzelfde. Voor de Verlichting bestond “privébezit” niet zoals wij dat kennen. Land behoorde toe aan de koning, aan God, aan de gemeenschap. Maar Locke en andere denkers schreven erover, formuleerden het recht op bezit, en langzaam werd het werkelijkheid. Nu lijkt het vanzelfsprekend dat een stuk grond “van jou” kan zijn. Maar het is een verhaal. Een machtig verhaal, omdat miljoenen het delen.

    Mensenrechten zijn misschien het duidelijkste voorbeeld. In 1789 schreef de Franse Nationale Vergadering de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger. Artikel 1: “Alle mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren.” Maar dat was niet waar. Mensen werden geboren in slavernij, in armoede, in onderdrukking. De verklaring beschreef geen bestaande werkelijkheid. Het schiep een nieuwe. En niet omdat het papier magisch was, maar omdat genoeg mensen begonnen te geloven dat het waar was en er naar gingen handelen.

    Dit is geen willekeur. Je kunt niet zomaar in je eentje besluiten dat jij kunt vliegen en dan van een gebouw springen. Dat werkt niet. Niet omdat de fysica buiten de taal staat, ook de fysica is taal, zoals we zo meteen zullen zien, maar omdat jij alleen staat. Werkelijkheid ontstaat in gedeelde taal, in collectieve verhalen, in instituties die verhalen verankeren. Eén stem schept niks. Miljoenen stemmen vormen een verhaal en verhalen scheppen werelden.


    Maar muren zijn toch gewoon hard?

    Het tweede bezwaar is materialistisch: prima, mensenrechten en geld zijn verhalen, maar een steen is een steen. Als ik tegen een muur loop, doet het pijn. De werkelijkheid dringt zichzelf aan me op, ongeacht mijn taal. Wetenschap ontdekt feiten, het verzint ze niet.

    Dit bezwaar klinkt overtuigend. Maar kijk eens naar hoe wetenschap werkt.

    Democritus bedacht in de vijfde eeuw voor Christus het atoom. Niet door experimenten, niet door metingen, maar door na te denken. Hij stelde zich voor dat als je materie bleef delen, je uiteindelijk bij iets ondeelbaars moest uitkomen. Hij noemde dat atomos, ondeelbaar. Het was filosofie, taal, een verhaal over hoe de wereld in elkaar zou kunnen zitten.

    Tweeduizend jaar later “ontdekten” wetenschappers het atoom. Maar wat betekent “ontdekken” hier eigenlijk? Ze maakten het meetbaar. Ze gaven het eigenschappen, formules, een plaats in de systematiek. Ze maakten het benoembaar, calculeerbaar, voorspelbaar. En daarmee maakten ze het echt. Het electron bestaat niet los van de taal waarin we het beschrijven. We kunnen het niet zien, niet aanraken, niet direct waarnemen. Het bestaat in de wiskundige taal van de kwantummechanica, in de experimenten die we ontwerpen om het te meten, in de theorieën die voorspellen hoe het zich gedraagt.

    Of neem de hartslag. Voor William Harvey in 1628 de bloedsomloop beschreef, voelden mensen hun hartslag niet bewust. Natuurlijk klopte hun hart. Maar ze hadden er geen woord voor, geen concept, geen reden om erop te letten. Harvey gaf het een naam, een functie, een mechanisme. En plotseling werd het iets dat mensen ervoeren, iets dat artsen konden meten, iets dat ziek kon zijn. Het was er altijd geweest, maar het bestond pas toen we het benoemden.

    De kwantummechanica laat dit nog scherper zien. Volgens de standaardinterpretatie bestaat een deeltje niet op één plek tot je het meet. Het is een golffunctie, een wolk van mogelijkheden. Pas als je meet, en meten is altijd taalmatig geïnterpreteerd, het is afgelezen, genoteerd, geduid, stort de golffunctie in en krijg je een resultaat. De waarneming schept, letterlijk, de werkelijkheid. Niet omdat de waarnemer magisch is, maar omdat waarneming en taal niet te scheiden zijn.

    Dit betekent niet dat muren niet hard zijn. Het betekent dat “hard”, “muur”, “pijn”, concepten zijn waarmee we de wereld ordenen. De ervaring is echt. Maar de ervaring wordt pas werkelijkheid in de taal die hem benoembaar maakt. Wetenschap ontdekt niet zozeer feiten als wel dat ze feiten construeert, en die constructies werken, ze zijn voorspelbaar, ze zijn deelbaar. Daarom zijn ze echt.


    Verschillende talen, verschillende werelden?

    Het derde bezwaar gaat over de diversiteit van talen. Als taal de werkelijkheid schept, betekent dat dan dat mensen die verschillende talen spreken in verschillende werelden leven? Zien Engelsen de werkelijkheid anders dan Chinezen? En is er dan nog zoiets als een gedeelde werkelijkheid?

    Het antwoord is genuanceerd. Taal vormt hoe we de wereld ervaren, maar niet deterministisch. Het is geen gevangenis, maar een lens.

    Neem de Guugu Yimithirr, een Australische aboriginaltaal. In die taal bestaan geen woorden voor “links”, “rechts”, “voor” of “achter”. In plaats daarvan gebruiken sprekers altijd absolute richtingen: noord, zuid, oost, west. Als je zegt “de mok staat rechts van je”, zeg je in Guugu Yimithirr: “de mok staat ten westen van je” en dat klopt alleen als je naar het noorden kijkt. Dit dwingt sprekers om constant hun oriëntatie in de ruimte bij te houden. En het resultaat? Ze zijn aantoonbaar beter in navigatie dan sprekers van talen die relatieve richtingen gebruiken. Hun taal vormt letterlijk hoe ze ruimte ervaren.

    Of neem toekomende tijd. Sommige talen, zoals het Mandarijn, hebben geen grammaticale toekomende tijd. Je zegt niet “Ik zal morgen werken”, maar “Ik morgen werken”. Economen hebben aangetoond dat sprekers van zulke talen significant meer sparen en gezonder leven, omdat de toekomst voor hen linguïstisch dichter bij het heden aanvoelt. Hun taal vormt hun gevoel voor tijd.

    En dan is er kleur. Homerus beschrijft in de Ilias en de Odyssee de zee als “wijnrood“. Eeuwenlang dachten geleerden dat dit poëzie was. Maar linguïsten ontdekten dat het oude Grieks simpelweg geen woord had voor blauw zoals wij dat kennen. Blauw en groen vielen onder dezelfde categorie. Pas later in de geschiedenis ontstonden aparte woorden. En wat gebeurde er toen? Mensen begonnen de kleuren te zien zoals wij ze zien. Niet omdat hun ogen veranderden, maar omdat hun taal hen dwong het onderscheid te maken.

    Dit betekent niet dat iedereen in een volstrekt eigen werkelijkheid leeft. Er is overlap, er is vertaalbaarheid, er is een gedeelde materiële basis. Maar taal is niet neutraal. Het vormt wat we waarnemen, wat we relevant vinden, hoe we ordenen. En dus schept het verschillende werkelijkheden. Waar verschillende talen dat toelaten vertellen we wel dezelfde verhalen en delen we dezelfde werkelijkheid.


    De narratieve aap

    We zijn nu terug bij waar we begonnen: bij de mens als verhalen vertellende soort. De narratieve aap.

    Ik gebruikte het beeld van PacMan die zijn wereld programmeerde door te spreken, zonder weet te hebben van de hardware. Wij doen precies dat. We leven in een wereld die we zelf, gezamenlijk, door taal hebben geschapen in verhalen. Democratie, geld, eigendom, mensenrechten, ze bestaan omdat we ze benoemen, omdat we eromheen handelen, omdat we ze institutionaliseren. Het electron, de hartslag, de golffunctie, ze bestaan omdat we ze meetbaar, benoembaar, voorspelbaar maken. Ruimte, tijd, kleur, we ervaren ze zoals onze taal ons leert ze te ervaren.

    Dit is geen relativisme. Het is geen “alles mag”. Het is de erkenning dat werkelijkheid niet iets is dat buiten ons ligt en dat we passief waarnemen. Werkelijkheid is iets dat we actief, gezamenlijk, door taal scheppen in verhalen. En juist omdat het gezamenlijk is, juist omdat het institutioneel verankerd wordt, juist omdat het in machtsstructuren en tradities verhardt, kunnen we het niet zomaar individueel veranderen.

    Maar we kunnen het wel veranderen. Langzaam, collectief, door nieuwe verhalen te vertellen die geloofwaardiger, rechtvaardiger, werkbaarder zijn dan de oude. Dat is wat de Verlichting deed. Dat is wat elke revolutie doet. Dat is wat wetenschappelijke paradigmaverschuivingen doen. Ze scheppen niet uit het niets, maar ze herscheppen. Ze programmeren de werkelijkheid opnieuw.

    Het woord is de werkelijkheid. Wij zijn de narratieve aap. We leven niet van brood alleen, maar van de verhalen die we elkaar vertellen. En die verhalen zijn niet fantasie. Ze zijn de werkelijkheid waarin we leven, de enige werkelijkheid die we hebben.

    Positiekeuze

    Dit alles vraagt om één eerlijkheid. De stap die hier gezet wordt, van taal als beschrijving naar taal als constitutie van werkelijkheid, is geen conclusie die je uit de natuur kunt aflezen. Het is een ontologische keuze. Maar elke filosofie maakt zo’n keuze, of ze dat nu toegeeft of niet. Er bestaat geen positie buiten de taal van waaruit we kunnen controleren of onze taal klopt. Er bestaat geen fundament dat niet zelf al een verhaal is. Wie dat accepteert, kan blijven doen alsof hij alleen analyseert. Of hij kan erkennen dat hij, al denkend en schrijvend, een wereld bewoont en tegelijk helpt scheppen. Dit stuk kiest voor het laatste.