Tag: Shakespeare

  • Van Agincourt naar Balaclava

    1. Inleiding

    Sommige gebeurtenissen blijven aan je trekken, ook als je eigenlijk allang verder zou moeten zijn met je leven. De Slag bij Agincourt op 25 oktober 1415, is voor mij zo’n gebeurtenis. De fascinatie begon toen ik rond mijn 15e Shakespeare’s Henry V zag, de uitvoering met Kenneth Branagh. Niet omdat ik een bijzondere liefde koester voor middeleeuwse ridders, vaandels of veldslagen, maar omdat Agincourt iets blootlegt wat zelden zo helder zichtbaar wordt: het moment waarop een wereldbeeld sterft.

    Agincourt wordt meestal verteld als een heldenverhaal. Engelse boogschutters, een kleine strijdmacht, een wonderlijke overwinning op een veel grotere Franse adel. Het soort geschiedenis dat graag wordt herhaald, omdat het goed past bij het idee dat moed, karakter en rechtvaardigheid uiteindelijk altijd winnen. Maar wie iets langer kijkt, ziet iets anders. Men ziet een sociale klasse, de ridderlijke elite van Europa, die met al haar eer, training en zelfbeeld een slagveld binnenloopt dat haar al lang niet meer toebehoort.

    Die fascinatie kreeg voor mij recent een onverwachte spiegel toen ik me verdiepte in een heel andere gebeurtenis: de Charge of the Light Brigade in de Krimoorlog, op 25 oktober 1854. Ook daar stormt een militaire elite vooruit, overtuigd van haar plicht, haar eer en haar rol in de geschiedenis. Ook daar eindigt dat in een bloedbad. En ook daar vertellen we het verhaal achteraf liever als een tragedie van heldendom dan als een voorbeeld van structureel falen.

    Wat deze twee veldslagen met elkaar verbindt, is niet hun tijdperk, hun wapens of hun politiek, ook niet de datum van 25 oktober. Het is iets fundamentelers: de botsing tussen een oud zelfbeeld en een nieuwe werkelijkheid. In beide gevallen rijdt of marcheert een elite letterlijk een ruimte binnen waar haar dood op haar wacht, een geometrie van geweld waarin moed geen uitweg biedt.

    Waarom zou iemand die normaal leest over organisaties, instituties, of cultuur hier aandacht aan moeten besteden? Omdat dit precies is hoe systemen falen. Niet omdat mensen slecht of dom zijn, maar omdat ze handelen binnen aannames die niet meer kloppen. Omdat ze vasthouden aan een beeld van zichzelf dat niet meer past bij de wereld waarin ze opereren.

    Agincourt en Balaclava zijn geen curiositeiten uit een ver verleden. Ze zijn twee extreem heldere momenten waarop dat mechanisme zichtbaar wordt. Daarom loont het om ze naast elkaar te leggen, niet om geschiedenis te hervertellen, maar om iets te begrijpen over hoe beschavingen, elites, maar ook organisaties, ten onder kunnen gaan terwijl ze denken dat ze hun plicht doen.

    2. Agincourt, de wereld vóór de klap

    In 1415 was Frankrijk het centrum van West-Europa. Het was rijk, cultureel dominant, en sociaal verfijnd. De grote hoven, de universiteiten, de literatuur, de mode; ze waren Frans. Wie ertoe deed, sprak Frans. Wie macht had, keek naar Parijs. Engeland daarentegen was nat, dunbevolkt en economisch afhankelijk van wol en landarbeid. Sinds de Normandische verovering in 1066 leefde het Engelse koningshuis met een permanente identiteitscrisis: hun adel was Frans, hun taal was Frans, hun cultuur was Frans, maar hun land was dat niet. De Engelse koning was in sociaal opzicht een Franse edelman die over een regenachtig eiland heerste.

    Die spanning zat diep. De Engelse aanspraken op Franse gebieden waren niet alleen territoriaal, maar existentieel. Het ging om erkenning: om het recht om bij die oude, rijke wereld te horen. Hendrik V’s veldtocht naar Frankrijk was daarom geen rationele veroveringsoorlog, maar een politieke gok. Hij had geld nodig, prestige, en vooral een overwinning die zijn positie thuis zou verankeren.

    Militair was het een riskante onderneming. Zijn leger bestond voor een groot deel uit boogschutters en voetknechten. Ze waren effectief, maar geen elite. De campagne verliep slecht. Ziekte, uitputting en vooral dysenterie teisterden het leger. Tegen de tijd dat Hendrik zich terugtrok richting de kust, richting een veilige overtocht naar Dover, was zijn leger letterlijk aan het leeglopen. Mannen stierven niet door Franse zwaarden, maar door hun eigen ingewanden.

    Aan Franse kant zag het er totaal anders uit. De Franse adel verzamelde zich niet in paniek, maar in een soort overmoedige zelfverzekerdheid. Hier kwam een uitgeput Engels leger langs, vermoeid, ziek en op de vlucht. In plaats van het te vernietigen, ontstond er iets veel menselijkers en veel gevaarlijkers, een strijd om eer. Wie zou de Engelse koning gevangen nemen? Wie zou de meeste edele gevangenen maken? Wie zou de roem oogsten van deze vrijwel zekere overwinning?

    De Fransen dachten niet in termen van slagorde of logistiek. Ze dachten in termen van status. De oorlog was voor hen een verlengstuk van de sociale hiërarchie. Gevangengenomen edelen konden worden vrijgekocht. Roem kon worden verzilverd. Een ridder bewees zijn waarde niet door efficiënt te doden, maar door zichtbaar en eervol te strijden.

    En precies dát wereldbeeld bepaalde ook waar de strijd zou plaatsvinden.

    Het Engelse leger kwam vast te zitten op een smalle strook land bij Agincourt, ingeklemd tussen twee bossen. Door weken van regen was de akker veranderd in een modderige massa waarin mens en paard nauwelijks vooruit konden. Het terrein vernauwde zich naar het Engelse front toe, een natuurlijke trechter. Wie van Franse zijde zou aanvallen, moest zich door die opening persen.

    Voor de Fransen leek dat geen probleem. Een charge door open veld was wat ridders deden. Dat was hun hele identiteit. Wat zij niet zagen, was dat het terrein hen zou dwingen om hun aantallen, hun paarden en hun harnassen tegen zichzelf te gebruiken. De ruimte waarin ze zich gingen bewegen was geen slagveld meer, maar een mechanische pers.

    De Engelsen hadden dat beter door, al was het misschien meer instinct dan inzicht. Hun boogschutters plaatsten hun palen, groeven zich in, en wachtten. Zij hadden geen eer te verdedigen, alleen een uitweg naar huis.

    Agincourt begon niet als een veldslag.

    Het begon als twee wereldbeelden die dezelfde ruimte anders lazen en waarvan er maar één gelijk zou krijgen.

    3. Balaclava, de wereld vóór de kill box

    In het midden van de negentiende eeuw was Groot-Brittannië wat Frankrijk in 1415 was geweest: het centrum van een wereld. Het Britse Rijk strekte zich uit over zeeën en continenten, Londen was het financiële hart van de planeet, en de Royal Navy beheerste de handelsroutes. Maar zoals zo vaak bij imperia was de glans groter dan de samenhang. Onder het oppervlak van industriële macht en administratieve moderniteit school een leger dat sociaal nog altijd werd bestuurd als een aristocratisch netwerk.

    Officieren waren geen professionele managers van geweld, maar leden van de juiste families. Rangen werden gekocht. Loyaliteit liep via sociale relaties, niet via heldere commandostructuren. De Britse cavalerie was het zuiverste voorbeeld van dat systeem: prachtig uitgerust, indrukwekkend om te zien, maar cultureel geworteld in een idee van oorlog als arena voor persoonlijke eer.

    De Krimoorlog zelf was een mistige onderneming. Hij werd gevoerd tegen Rusland, maar niet echt begrepen door het Britse publiek of door veel van de officieren. Het ging om invloedssferen, om de bescherming van het Ottomaanse Rijk, om Europese machtsbalans. Abstracties die zich slecht lieten vertalen naar het leven van een ruiter op een heuvel in de Krim. Wat wél duidelijk was, was dat het een oorlog was waarin men zich kon onderscheiden.

    Bij Balaclava lagen Britse en geallieerde troepen in een kwetsbare positie. De Russen hadden enkele hoogten veroverd en probeerden buitgemaakte Britse kanonnen weg te slepen. Het Britse opperbevel wilde dat voorkomen. Maar tussen die intentie en de mannen die hem moesten uitvoeren zat een hiërarchische machine van bevelen, boodschappers en interpretaties.

    Die machine werd bestuurd door mensen en in dit geval door twee mannen die elkaar actief wantrouwden. Lord Lucan, de commandant van de cavaleriedivisie, en Lord Cardigan, de commandant van de Light Brigade, waren zwagers en vijanden. Ze verachtten elkaar. Ze spraken nauwelijks met elkaar. Ieder bevel werd gelezen door de bril van persoonlijke rivaliteit: wat betekent dit voor míjn positie, míjn eer, míjn gelijk?

    Lord Raglan gaf een opdracht die op papier logisch was: de cavalerie moest voorkomen dat de Russen de kanonnen meenamen. Hij zag het slagveld vanaf een hoogte. Lucan en Cardigan bevonden zich beneden in de vallei. Wat Raglan zag, zagen zij niet. Wat zij zagen, was een batterij Russische artillerie recht voor zich.

    Lucan gaf het bevel door. Cardigan begreep dat het verkeerd moest zijn, maar niet dat hij het mocht of kon betwisten. En Lucan had geen enkele neiging om het toe te lichten aan een man die hij toch al wantrouwde.

    En zoals bij Agincourt werd hier een ruimte verkeerd gelezen.

    De vallei bij Balaclava was lang en smal, met heuvels aan beide zijden. Op die heuvels stonden Russische kanonnen en infanterie. Het midden van de vallei leek een open pad naar een vijandelijk doel, maar was in werkelijkheid een schietbaan. Wie die ruimte inreed, werd van drie kanten onder vuur genomen.

    De Britse lichte cavalerie was niet dom. Maar ze was getraind om te gehoorzamen, om charges uit te voeren, om niet te twijfelen. In een systeem waarin eer belangrijker was dan begrip, was twijfel een fout.

    De Light Brigade reed dus niet de strijd in.

    Ze reed een systeem binnen waarin onduidelijkheid, hiërarchie en persoonlijke vijandschap samen een perfecte kill box hadden gevormd.

    4. Twee trechters

    Zowel Agincourt als Balaclava worden traditioneel beschreven als fouten: verkeerde beslissingen, slechte bevelen, pech. Dat is te oppervlakkig. In beide gevallen was de uitkomst in hoge mate bepaald door de structuur van de ruimte waarin de strijd werd gevoerd, gecombineerd met het sociale en technische systeem dat die ruimte moest betreden.

    De fysieke vorm van beide slagvelden was vergelijkbaar. Bij Agincourt bevond het Franse leger zich tegenover een Engelse positie die was ingeklemd tussen twee bossen. De open akker ervoor fungeerde als een vernauwende corridor. Naarmate de Fransen naderden, werd de beschikbare breedte kleiner. Dat dwong een steeds grotere massa ridders en paarden in een steeds smallere doorgang. Bij Balaclava gebeurde hetzelfde: een lange vallei met heuvels aan beide zijden leidde de Light Brigade recht naar het centrum, terwijl vuur vanaf de flanken en van voren mogelijk bleef.

    In beide gevallen was de aanval geen beweging in open terrein, maar een beweging in een trechter. Dat betekende geen uitwijkmogelijkheden, geen spreiding, geen hergroepering. Wie eenmaal binnen was, kon alleen vooruit of sterven.

    Die geometrie werkte dodelijk omdat ze samenviel met een sociale structuur die op aanval was gebouwd. De Franse ridderadel en de officieren van de Britse lichte cavalerie vervulden dezelfde rol in hun respectieve samenlevingen. Het waren elites die hun status ontleenden aan zichtbare, offensieve actie. Hun hele opleiding, eergevoel en zelfbeeld waren gericht op vooruitgaan, niet op stoppen, terugtrekken of heroverwegen.

    Daar kwam een technische factor bij. In 1415 betekende dat longbows tegenover zwaar gepantserde ridders. De vuurkracht lag bij de verdediger. In 1854 betekende het moderne artillerie en infanterievuur tegenover cavalerie. Opnieuw lag de vernietigende capaciteit niet bij de aanvaller, maar bij wie de ruimte beheerste.

    Het cruciale punt is dat geen van beide aanvallen in abstracto irrationeel was. Een Franse riddercharge in 1415 was logisch binnen het toenmalige oorlogsdenken. En ook in 1854 was een cavalerie-aanval op artillerie een bekende en soms succesvolle tactiek. Het oorspronkelijke Britse bevel, het verhinderen dat de Russen de kanonnen meenamen, was militair verdedigbaar.

    Wat fataal werd, was niet het bevel, maar het systeem waarin het werd uitgevoerd.

    Bij Balaclava liet de Heavy Brigade zien dat dat systeem in principe correctie toeliet. Zij begon haar aanval, maar brak deze af toen bleek dat doorzetten zinloos zou zijn. Dat betekende dat het mogelijk was om een bevel te interpreteren in het licht van de werkelijkheid. De Light Brigade kon dat niet. Haar rol, haar cultuur en haar eerbegrip maakten stoppen ondenkbaar.

    Hetzelfde gold bij Agincourt. Ook daar kon de voorste linie niet stoppen zonder door de achterste te worden voortgeduwd. Niet omdat iemand dat expliciet beval, maar omdat de sociale en fysieke structuur geen andere beweging toestond.

    De uitkomst van beide veldslagen was daarom niet het gevolg van slechte besluiten, maar van systemen die geen effectieve correctie meer toelieten. Topografie, technologie en sociale logica dwongen samen één richting af: naar voren, het vuur in.

    Agincourt en Balaclava waren geen incidenten. Het waren twee manifestaties van hetzelfde mechanisme.

    5. De wereld op het spel

    Agincourt en Balaclava worden meestal herinnerd als tragedies van moed. Dat is begrijpelijk, maar misleidend. Wie iets langer kijkt, ziet dat het hier niet in de eerste plaats gaat om dappere mannen die sneuvelden, maar om mensen die vastzaten in rollen die niet meer pasten bij de wereld waarin zij opereerden. De Franse ridder en de Britse cavalerieofficier waren geen individuen die een verkeerde keuze maakten; zij waren dragers van een orde die zichzelf aan het opheffen was. En niet te vergeten, de gewone voetsoldaat in 1415 en de gewone cavalerist in 1854, waren de eerste slachtoffers. Maar het waren de adel en de officiersklasse die hun systematische einde vonden.

    Dat maakt hun lot zo ongemakkelijk. Zij stierven niet omdat zij laf waren of dom, maar omdat zij precies deden wat van hen verwacht werd. Hun eer, hun opleiding en hun plaats in de samenleving dwongen hen vooruit, ook toen vooruitgaan geen betekenis meer had. Dat is wat systeemfalen zo verraderlijk maakt: het vraagt geen slechte mensen, alleen gehoorzame.

    Daarmee raken we aan iets groters dan twee veldslagen. In zowel 1415 als 1854 verdween niet alleen een groep soldaten, maar een wereld. Agincourt betekende het einde van de ridder als centrum van de oorlog. Balaclava markeerde het moment waarop de cavalerie als morele elite haar functie verloor. Wat stierf, was een antwoord op de vraag wie er recht had om voorop te gaan. Wat stierf, was een sociale orde die zichzelf eeuwenlang vanzelfsprekend had gevonden.

    Dat patroon is niet voorbije geschiedenis. Het is structureel actueel. Iedere tijd kent zijn elites die gevormd zijn door een wereld die al aan het verdwijnen is. Organisaties, beroepsgroepen en instituties blijven doen wat altijd gewerkt heeft, juist op het moment dat het niet meer werkt. Zij drukken mensen naar voren omdat stoppen status kost. Omdat twijfel niet in hun vocabulaire zit. Omdat hun identiteit afhangt van beweging, niet van reflectie.

    Wie dat herkent, ziet Agincourt en Balaclava niet als curiositeiten, maar als vroege versies van iets wat zich steeds opnieuw voltrekt. De technologie verandert, de hiërarchieën veranderen, maar het mechanisme blijft: een systeem dat geen correctie verdraagt, jaagt zijn eigen mensen een trechter in.

    En toch blijven we deze gebeurtenissen vertellen als heldenverhalen. Shakespeare gaf Agincourt zijn verheven taal. Tennyson gaf Balaclava zijn bezwerende ritme. Dat is geen toeval. Culturen hebben verhalen nodig waarin zinloos lijden wordt omgezet in betekenis. Poëzie en mythe zijn manieren om niet te hoeven erkennen dat niemand het stuur vasthield.

    Misschien is dat de diepste overeenkomst tussen deze twee veldslagen. Niet dat ze zo bloederig waren, maar dat we ze zo graag mooi maken. Omdat het ondraaglijk is om te zien hoe gemakkelijk mensen sterven wanneer systemen belangrijker worden dan inzicht. Omdat het pijnlijk is om te erkennen dat ook wij, hier en nu, nog steeds leven in werelden die al aan het verschuiven zijn.

    6. Poëzie als verslaggever

    Wat in Agincourt en Balaclava gebeurde, werd niet alleen vastgelegd in kronieken en rapporten, maar ook in taal. In poëzie en toneel werd de rauwe mechaniek van de dood omgezet in iets wat mensen konden verdragen: eer, plicht, schoonheid, roem.

    De volgende fragmenten laten niet zien wat er gebeurde, maar hoe wij het aan onszelf zijn blijven vertellen.

    Context: de Fransen worden verslagen.

    De Franse hertog van Bourbon:
    Shame, and eternal shame, nothing but shame!
    Let us die. In once more! Back again!
    And he that will not follow Bourbon now,
    Let him go hence, and with his cap in hand
    Like a base pander hold the chamber door,
    Whilst by a slave, no gentler dan my dog,
    His fairest daughter is contaminate.

    (William Shakespeare: Henry V, Act IV, Scene V)

    Hier spreekt geen strategie, maar status. Verlies wordt niet begrepen als een militaire realiteit, maar als een aantasting van eer. Wie niet opnieuw aanvalt, verliest zijn plaats in de wereld.

    Context: De Engelsen vermoorden hun krijgsgevangenen omdat ze denken dat de Fransen versterkingen krijgen

    Koning Henry V:
    But hark, what new alarum is this same?
    The French have reinforced their scattered men.
    Then every soldier kill his prisoners.
    Give the word through.

    (William Shakespeare: Henry V, Act IV, Scene VI)

    De ridderlijke oorlog is hier al voorbij. Wat overblijft is een bevel, uitgevaardigd zonder pathos, uitgevoerd zonder discussie. Het slagveld is een systeem geworden. Ook de taal van Shakespeare is hier niet meer poëtisch, maar zakelijk.

    Enkele dagen na de aanval bij Balaclava schreef Tennyson:

    Half a league, half a league,
    Half a league onward,
    All in the valley of Death
    Rode the six hundred.
    “Forward, the Light Brigade!
    Charge for the guns!” he said.
    Into the valley of Death
    Rode the six hundred.

    “Forward, the Light Brigade!”
    Was there a man dismay’d?
    Not tho’ the soldier knew
    Someone had blunder’d:
    Theirs not to make reply,
    Theirs not to reason why,
    Theirs but to do and die:
    Into the valley of Death
    Rode the six hundred.

    (Alfred, lord Tennyson: The charge of the Light Brigade)

    Hier is de trechter niet langer een terrein, maar een ritme. Het gedicht doet met de lezer wat het systeem met de brigade deed: het laat je meelopen, zonder ruimte voor twijfel.