Auteur: A.B.M. van Kempen

  • 1. Compliance: judo met risico’s

    Inleiding

    De compliancefunctie wordt vaak gezien als de afdeling of persoon die bewaakt of de organisatie zich strikt houdt aan wet- en regelgeving. In dat beeld gaat het vooral om het naleven van regels, waarbij de compliance officer fungeert als een soort toezichthouder die erop toeziet dat iedereen binnen de gestelde kaders blijft. Dit paradigma, de compliance officer als politie-agent, is binnen de accountantssector nog redelijk breed ingeburgerd. Het is het paradigma van waaruit criticasters op de sector vaak praten over een compliance gedreven werkwijze, in plaats van een kwaliteitsgedreven werkwijze. De toevoeging die je dan vaak ziet is dat het zou gaan om afvinken van lijstjes, en daarmee wordt niets positiefs bedoeld.

    Ik stel dat dit paradigma te beperkt is en niet het volledige beeld geeft van wat compliance betekent binnen een organisatie. In plaats van compliance te zien als het bewaken van regelconformiteit, pleit ik voor een benadering waarin compliance wordt gezien als een functie die bevordert dat, en monitort of, risico’s worden beheerst die de realisatie van de doelstellingen van de organisatie bedreigen. Wet- en regelgeving zijn daarbij niet het doel op zich. Het niet naleven van regels is relevant omdat het juist een risico vormt voor het bereiken van de strategische, tactische en operationele doelen van de organisatie. Om het heel expliciet te maken: de organisatie houdt zich niet aan de wet omdat dat moet van “compliance”, maar omdat de organisatie een intrinsieke motivatie heeft die voortkomt uit de strategie om zich aan de wet te houden. De compliance officer bewaakt aldus niet dat de organisatie zich aan de wet houdt, vanwege de wet, maar omdat het zich niet aan de wet houden een “voorval” is, een realisatie van een risico. Het is dan feitelijk niet de overtreding van de wet die de primaire aandacht heeft, maar het feit dat een voorval zich heeft kunnen voordoen dat buiten de risk appetite van de organisatie valt en door interne beheersing had moeten worden voorkomen. De mitigering van het risico heeft niet afdoende plaats gevonden, en dat is wat tot het primaire aandachtsgebied van de compliancefunctie behoort.

    Met andere woorden, compliance kan worden beschouwd vanuit twee paradigma’s:

    • Het paradigma van regelnaleving, waarin de nadruk ligt op het voorkomen van overtredingen van wet- en regelgeving.
    • Het paradigma van risicobeheersing, waarin compliance wordt begrepen als een dynamische functie die zich richt op de opzet, bestaan en werking van maatregelen ter beheersing van risico’s die de doelstellingen van de organisatie kunnen schaden.

    Deze twee paradigma’s overlappen in uiterlijk maar sluiten elkaar uit in fundamentele visie. De uiterlijkheid van het nalevingsparadigma is bijvoorbeeld dat de compliancefunctie de naleving van een regel checkt, terwijl de uiterlijkheid van het tweede paradigma dezelfde is. Maar in het eerste paradigma wordt de check uitgevoerd om de regel zelf, en in het tweede paradigma wordt de check uitgevoerd om de werking van een onderliggende risico-mitigerende maatregel te toetsen.

    Mijn visie is dat de compliancefunctie zinvoller is indien opgezet vanuit het tweede paradigma, dan wanneer deze is opgezet vanuit het eerste paradigma. Dat betekent wel dat een organisatie niet alleen een compliancefunctie moet inrichten, maar evenzeer een risicomanagementfunctie die complementair moet zijn met de compliancefunctie. Dit samenspel van risk en compliance haalt kracht haalt uit het vermogen om vanuit een integrale risicobenadering te werken, waardoor compliance niet slechts een blokkade wordt, maar een partner in het veilig en effectief realiseren van organisatiedoelen.

    Om deze visie te illustreren gebruik ik een metafoor uit de vechtsport: judo. Net zoals judo niet draait om brute kracht, maar om het meebewegen met en sturen van de kracht van de tegenstander, werkt compliance met de risico’s binnen een organisatie. Compliance is niet het hard neerslaan van risico’s, maar het gebruik van slimme technieken om risico’s te beheersen zonder de organisatie te verstikken.

    De filosofie van judo

    Hoewel judo tegenwoordig vooral bekendstaat als een olympische vechtsport, gaat de oorsprong ervan veel verder dan louter fysieke techniek. Jigoro Kano, de grondlegger van judo, ontwikkelde het als een levensfilosofie en een leer voor persoonlijke ontwikkeling. Judo is daarmee niet alleen een sport, maar een manier van denken en handelen die zich uitstrekt tot alle facetten van het leven.

    De kern van deze filosofie wordt gevormd door twee fundamentele principes:

    • Wederzijds profijt en welbevinden (jita kyōei, 自他共栄): dit principe benadrukt dat het succes van de één onlosmakelijk verbonden is met het succes van de ander. In plaats van winnen ten koste van de ander, streeft judo naar situaties waarin alle betrokkenen voordeel hebben en kunnen floreren. Samenwerking, respect en harmonie staan hierin centraal.
    • Het maximale effect met minimale inzet (seiryoku zenyō, 精力善用): dit principe draait om efficiëntie en doelgerichtheid. Het gaat erom met zo min mogelijk inspanning het best mogelijke resultaat te bereiken. Slimme techniek, timing en het gebruiken van de kracht van de ander spelen hierbij een cruciale rol.

    Deze filosofische principes vertalen zich in de sport tot het toepassen van technieken die niet gericht zijn op brute kracht of schade, maar op beheersing, balans en het ombuigen van de kracht van de tegenstander. Judo leert je om altijd respectvol en met zelfdiscipline te handelen, met oog voor het welzijn van iedereen die betrokken is. Uitingen in de sport hiervan zijn bijvoorbeeld:

    • Nooit permanente schade toebrengen
    • De “meerdere” stelt zich beschikbaar aan de “mindere” om deze de kans te geven zich te ontwikkelen
    • Gebruik van de kracht en de beweging van de tegenstander
    • Blokkeren en uit balans brengen in plaats van stoten en trappen
    • Uitschakelen door beheersing, niet door verwonding
    • Respect, zelfdiscipline en harmonie

    Voor de compliancefunctie binnen een accountantsorganisatie biedt deze filosofie een krachtig kader. Net als in judo gaat het bij compliance niet om het keihard neerzetten van regels of het uitschakelen van risico’s met brute kracht, maar om het slim meebewegen met risico’s en het gebruik van technieken die risico’s beheersbaar maken zonder de organisatie te verstikken. Compliance streeft naar een balans waarbij de organisatie veilig en effectief kan opereren, met respect voor alle belangen die meespelen. Het maximale effect, beheersing van risico’s, wordt bereikt met een minimale inzet van middelen.

    Wat is een risico

    Binnen risicomanagement wordt een risico gedefinieerd als de combinatie van de kans dat een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt en het effect dat deze gebeurtenis heeft op de doelstellingen van de organisatie. Risico’s zijn er in vele vormen en maten, en het is essentieel om deze systematisch te begrijpen en te beheersen om succesvol te kunnen opereren.

    Om risico’s goed te kunnen managen, is het belangrijk een aantal kernbegrippen te kennen:

    • Voorval (event): de feitelijke gebeurtenis waarbij een risico zich manifesteert. Dit is het moment waarop een potentieel risico werkelijkheid wordt.
    • Risicobereidheid (risk appetite): het niveau van risico dat een organisatie bereid is te accepteren in haar streven naar doelstellingen. Het is een strategische keuze die richting geeft aan het risicomanagement.
    • Soorten maatregelen: manieren waarop een organisatie risico’s kan aanpakken:
      • Mitigeren (beheersen): risico’s verminderen door maatregelen te treffen.
      • Overdragen (verzekeren): het risico gedeeltelijk overdragen aan een derde partij, bijvoorbeeld een verzekeraar.
      • Accepteren: bewust het risico nemen zonder verdere maatregelen, bijvoorbeeld omdat de kosten van beheersing hoger zijn dan het risico zelf.
      • Elimineren(activiteit beëindigen): het risico volledig wegnemen door de betreffende activiteit stop te zetten.
    • Bruto risico: het risico dat bestaat voordat er beheersmaatregelen zijn genomen.
    • Netto risico: het risico dat overblijft nadat beheersmaatregelen zijn toegepast.
    • Kans (probability): de waarschijnlijkheid dat het risico zich daadwerkelijk voordoet.
    • Impact (effect): (de ernst van) de gevolgen als het risico werkelijkheid wordt.
    • Horizonten: de tijdsdimensies waarin risico’s kunnen optreden en beheerst moeten worden:
      • Operationeel: risico’s die het dagelijkse functioneren beïnvloeden.
      • Tactisch: risico’s die de organisatie op middellange termijn raken.
      • Strategisch: risico’s die verband houden met lange termijn doelen en de algemene richting van de organisatie.
    • Domeinen: de verschillende gebieden waarbinnen risico’s zich kunnen manifesteren:
      • Integriteit: risico’s met betrekking tot ethisch gedrag en vertrouwen.
      • Kwaliteit: risico’s die samenhangen met processen en producten.
      • Financieel: risico’s die betrekking hebben op financiële gevolgen en verliezen.
    • Kwantitatief: risico’s die meetbaar zijn of in meetbare grootheden voorspelbaar zijn, in kans, impact of beiden, zoals financiële verliezen of aantallen.
    • Kwalitatief: risico’s die lastig in cijfers te vatten zijn, zoals reputatieschade of ethische kwesties.

    Risicomanagement is geen statisch begrip, maar een continu proces dat bestaat uit verschillende stappen om risico’s effectief te beheersen. Deze stappen zijn:

    1. Risico-identificatie: het systematisch in kaart brengen van risico’s die de doelstellingen van de organisatie kunnen beïnvloeden.
    2. Risicobeoordeling: het inschatten van de kans en impact van de geïdentificeerde risico’s, en het bepalen van de risicobereidheid van de organisatie.
    3. Risicobeheersing: het nemen van maatregelen om risico’s te mitigeren, te accepteren, over te dragen of te elimineren.
    4. Monitoring en rapportage: het continu volgen van risico’s en de effectiviteit van beheersmaatregelen, en hierover rapporteren aan de relevante stakeholders.

    Door dit proces cyclisch en integraal toe te passen, kunnen organisaties risico’s niet alleen beheersen, maar ook tijdig anticiperen op veranderingen en nieuwe bedreigingen.

    Tussen al deze begrippen bestaan verbanden. De begrippen geven zo de syntax, en de verbanden de grammatica, waarin een taal gevonden kan worden om over risico’s te communiceren binnen een organisatie. Het is van belang dat de verschillende onderdelen van de organisatie hierin dezelfde taal spreken: medewerkers, management, bestuurders, risk management, compliancefunctie, interne en bij voorkeur ook externe toezichthouders.

    Binnen risicomanagement geldt een aantal basisregels, zoals:

    • Als bruto risico > risicobereidheid en netto risico < risicobereidheid => de maatregel effectief
    • De kosten van een maatregel mogen niet hoger zijn dan de kosten van een voorval

    Het is hierbij wel van belang te bedenken dat de kosten niet altijd worden uitgedrukt in euro’s. De kosten in dit verband zijn de impact van een risico. De afweging van kosten kan dus ingewikkeld worden als de prijs van een maatregel in euro’s moet worden afgewogen tegen een kwalitatieve impact. Net zo kan een kwantitatieve impact gemitigeerd worden door een maatregel met kwalitatieve kosten, bijvoorbeeld verminderde werknemerstevredenheid, waarbij de kosten/baten afweging ingewikkeld is.

    Compliance als judo met risico’s

    Compliance & Risk, ik zal de begrippen overigens wat losjes door elkaar gebruiken, vergelijk ik graag met judo, een vechtsport die veel meer is dan brute kracht. Hoewel judo een vechtsport is, richt judo zich niet op het uitschakelen van de tegenstander, maar op het beheersen van de vijandigheid. Niet de aanvaller wordt gestopt, maar de aanval. Judo draait om het meebewegen met en sturen van de kracht van de tegenstander. Zo werkt ook compliance: niet door risico’s hard neer te slaan, maar door ze slim te beheersen en om te buigen zonder de organisatie te verstikken.

    Judo-principes gekoppeld aan risicomanagementbegrippen

    • Nooit permanente schade toebrengen In compliance & risk betekent dit dat risico’s beheerst worden zonder onnodige negatieve gevolgen voor de organisatie of haar medewerkers. Het doel is om schade te minimaliseren en tegelijkertijd ruimte te houden voor ontwikkeling en groei.Bijvoorbeeld: bij nieuwe wetgeving zoekt compliance de balans tussen noodzakelijke aanpassingen en het voorkomen van overbelasting van medewerkers.
    • De betere helpt de mindere zich ontwikkelen Dit weerspiegelt de rol van compliance in het bevorderen van een cultuur van bewustwording en integriteit. Risk management fungeert als coach die medewerkers helpt risico’s te herkennen en er effectief mee om te gaan.
    • Gebruik van de kracht en beweging van de tegenstander Compliance erkent risico’s niet alleen, maar benut ze als kansen om te leren en te verbeteren. Na een incident worden niet primair sancties opgelegd, maar wordt gekeken naar onderliggende oorzaken om toekomstige problemen te voorkomen en dus te leren.
    • Blokkeren en uit balans brengen in plaats van brute kracht Effectieve risicobeheersingsmaatregelen zijn proportioneel en gericht, zodat kleine afwijkingen geen onnodige bureaucratie veroorzaken maar wel adequaat worden aangepakt.
    • Uitschakelen door beheersing, niet door verwonding Compliance streeft naar het voorkomen en minimaliseren van risico’s zonder overmatige restricties die innovatie en flexibiliteit belemmeren.
    • Respect, zelfdiscipline en harmonie Compliance bouwt op ethiek en integriteit en bevordert een harmonieuze organisatie waar alle belanghebbenden zich gehoord en gerespecteerd voelen.

    Rituelen en communicatie: de taal van compliance

    Net als in judo zijn rituelen en vaste communicatievormen essentieel binnen compliance. In judo groeten tegenstanders elkaar en hun scheidsrechters als teken van respect en vertrouwen. Compliance kent haar eigen rituelen, zoals regelmatige rapportages, audits en formele communicatie, die transparantie en duidelijkheid bevorderen.

    De gekleurde banden symboliseren niveaus van ervaring en vaardigheid en vormen een gestandaardiseerde taal binnen judo. In compliance vertaalt dit zich naar gestandaardiseerde rapportages en procedures, waardoor alle betrokkenen binnen en buiten de organisatie dezelfde taal spreken en verwachtingen helder zijn.

    De ‘sensei’ in judo is coach en mentor, net als de Compliance Officer die adviseert, begeleidt en helpt risico’s te beheersen zonder autoritair op te treden. Daarbij wordt gevraagd en ook ongevraagd advies gegeven of simpelweg een waarneming gedeeld.

    Harmonie is het ultieme doel in judo en symboliseert het evenwicht binnen een organisatie. Compliance fungeert als een kracht die verschillende belangen samenbrengt en zorgt voor een robuuste, veerkrachtige organisatie.

    De filosofische betekenis van compliance

    Compliance in het eerder geschetste paradigma is meer dan het strikt naleven van wet- en regelgeving. Het vormt het ethische en normatieve fundament waarop vertrouwen, integriteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid binnen organisaties worden gebouwd. Compliance creëert de voorwaarden voor een organisatie om haar missie en doelen op een verantwoorde manier te realiseren, waarbij niet alleen wordt gekeken naar het ‘wat’ van de regels, maar vooral naar het ‘waarom’ en waarbij de intrinsieke motivatie van de organisatie, haar missie en haar strategie voorrang hebben op externe regeldruk.

    In veel organisaties bestaat de neiging om compliance te reduceren tot een lijstje regels waaraan moet worden voldaan — een extern opgelegde verplichting. Dit paradigma onderschat echter de kracht van compliance als een intrinsiek gedreven proces, ingebed in de identiteit en strategie van de organisatie zelf. Compliance is het interne kompas dat de organisatie in staat stelt zichzelf te reguleren, te anticiperen op risico’s en zich proactief aan te passen aan veranderende omstandigheden.

    De filosofische kern van compliance ligt in deze intrinsieke motivatie. Organisaties die compliance als een uitdrukking van hun missie en waarden zien, maken van naleving geen last, maar een vanzelfsprekend onderdeel van hun bestaan. Dit betekent dat compliance niet slechts een extern opgelegde eis is, maar een innerlijke overtuiging die voortkomt uit het besef dat integriteit en verantwoordelijkheid onlosmakelijk verbonden zijn met duurzame prestaties en het vertrouwen van stakeholders.

    Deze zelfregulatie wordt gestimuleerd door een cultuur van leren en verbeteren. Compliancefuncties zijn niet louter controlerend, maar vervullen een partnerrol waarin ze als bruggenbouwer fungeren. Ze verbinden afdelingen, perspectieven en belangen en dragen zo bij aan een harmonieuze samenwerking die het gehele organisatielandschap versterkt. Compliance wordt daarmee een katalysator voor duurzame verandering en een bewaker van het ethische geweten van de organisatie.

    De menselijke en sociale dimensies van compliance zijn onmiskenbaar. Compliance raakt niet alleen aan regels en processen, maar ook en vooral aan de wijze waarop mensen binnen de organisatie met elkaar omgaan. Respect, openheid en dialoog zijn essentiële voorwaarden voor een levendige compliancecultuur waarin ruimte is voor ethische reflectie en het bespreekbaar maken van dilemma’s. Effectieve compliance is daarom ook een sociale onderneming die bouwt aan vertrouwen en gemeenschappelijke waarden.

    Een belangrijk aspect van deze bredere visie op compliance is de relatie met reputatie. De reputatie van een organisatie is een immaterieel kapitaal dat cruciaal is voor het vertrouwen van klanten, toezichthouders, medewerkers en de samenleving. Compliance helpt dit kapitaal te beschermen en te versterken door het waarborgen van consistent gedrag en transparantie. Het voorkomen van schendingen, het adequaat omgaan met incidenten en het tonen van verantwoordelijkheid dragen direct bij aan de reputatie. In die zin is compliance niet alleen een intern instrument, maar ook een strategische factor die het imago en de continuïteit van de organisatie beïnvloedt.

    Deze bredere kijk op compliance maakt het tot een filosofie die voorbij regelnaleving reikt. Het is een dynamisch en holistisch kader dat organisaties helpt om niet alleen te voldoen aan externe eisen, maar vooral om zichzelf te zijn — verantwoordelijk, integer en wendbaar in een wereld van voortdurende verandering.

    Terug naar de inhoudsopgave

    Klik hier voor de inhoudsopgave.

  • Compliance in accountancy

    Inleiding

    De Compliance Officer (CO) binnen accountantskantoren is een jonge functie. Pas met de komst van de Wta kwam deze rol op, en ze is nog volop in beweging. Hoewel het Three Lines of Defence-model in de financiële sector breed geaccepteerd is, staat de toepassing ervan in de accountancy vaak nog in de kinderschoenen. De compliancefunctie vervult een dubbele rol: enerzijds ondersteunend aan de praktijk (dicht tegen de eerste lijn aan), anderzijds monitorend en controlerend (richting derde lijn). Een echte derde lijn ontbreekt naar mijn waarneming bij vrijwel alle kantoren. (* Noot: ik zal me niet uitlaten over de OOB-vergunninghouders, alles wat ik schrijf heeft betrekking op de RV kantoren en de kantoren zonder Wta-vergunning)

    In deze artikelenreeks beschrijf ik wat compliance in de accountantspraktijk volgens mij betekent, welke rol risicomanagement hierbij speelt, en hoe beide functies effectief geïntegreerd kunnen worden. Centraal staat mijn visie dat de Compliance Officer breed moet rapporteren en adviseren, zowel gevraagd als ongevraagd, op basis van de doelstellingen van de organisatie, de risico’s die deze doelstellingen bedreigen, en met als grondslag audits, onderzoeken, verkenningen, en eigenlijk alles wat de CO maar ter ore komt. De combinatie van compliance en risicomanagement is hierbij van betekenis, en de mate van wenselijke functiescheiding tussen beide is onderwerp van bespreking.

    Inhoud

    (* let op, onderstaande inhoudsopgave gaat bestaan uit links naar hoofdstukken, zodra ik die geschreven heb. Zolang ik niet klaar ben zullen sommige links dus niet aanklikbaar zijn)

    1. Compliance: judo met risico’s
    2. Compliance in de accountancy
    3. Accountantskantoren en accountantsorganisaties RV
    4. Het regelwoud
    5. Rol en verantwoordelijkheden
    6. Cultuur en governance: het speelveld van compliance
    7. Analyse en beheersing van risico’s
    8. Verantwoording en toezicht
    9. Kwaliteit en het publieke belang\
    10. Praktijkgebieden: samenstel, fiscaal en salaris
    11. Praktijkgebieden: advies en waardering
    12. Specifieke taken en bijzondere verplichtingen
    13. Interne meldingen en integriteitssystemen
  • ZX Spectrum Next

    ZX Spectrum Next
    ZX Spectrum Next KS2

    Na de ZX-81 kwam de Zx Spectrum. Een 48K versie, slim in de markt gezet in Nederland door V&D met inschakeling van Maurice de Hond die op het idee was gekomen niet alleen computers te verkopen, maar daar een soort club bij te vormen. Goede marketing.

    Ik herinner me de eerste keer achter de Spectrum als de dag van gisteren. Het was natuurlijk een opvolger van de ZX-81 met veel overeenkomsten. Maar het was toch vooral een revolutionaire opvolger. Kleur. Geluid. Hoge resolutie graphics. Een enorm groot intern geheugen van maar liefst 48K!

    In de jaren daarna was ik een regelmatig bezoeker van een Amstel 312, tegenover theater Carré in Amsterdam. Hier zat een boekwinkeltje voor absolute nerds: het Computer Collectief. Ik verslond alles wat ze hadden. Hoewel ik jaren later nog behoorlijk goed thuis was in MS-DOS en PC’s, is er geen computer waar ik zo iedere byte, iedere chip, ieder detail van kende als de ZX Spectrum. Bij Computer Collectief kocht je bijvoorbeeld de volledige ROM disassembly in boekvorm. Wat een tijd om jong te zijn!

    Joy Division, Ramones, Dead Kennedys uit de speakers op je puberkamer, een veel te grote oude buizen TV en je Spectrum om te gamen, en om te programmeren. Een bezoek aan Amsterdam betekende altijd twee adressen: Amstel 312 voor Computer Collectief, en Haringpakkerssteeg 10 waar Boudisque zat, de platenzaak voor alles alternatief. Voor wie het zich af mocht vragen: voor de coffeeshops ging ik niet naar Amsterdam.

    Interesse in het andere geslacht was er nog nauwelijks in die tijd, ik denk wel dat ik een vrij nerdy puber was. Voorliefde voor (post-)punk en computers. En vooral liefde voor de ZX Spectrum, ondanks het vreselijke toetsenbord. Maar daar waren oplossingen voor:

    LoProfile toetsenbord voor de ZX Spectrum 48

    Inmiddels decennia verder heb ik geen ZX Spectrum meer. Wel de Next. Een soort doorontwikkeling die electronisch allang geen echte Z80-gebaseerde Spectrum meer is, maar wel volledig de originele emotie weet op te roepen. En alweer vrij nerdy. De computer is gebouwd door liefhebbers voor liefhebbers, via KickStarter. Ik heb er een uit serie 2, inclusief, jawel, WiFi en internet toegang!

    Pure nostalgie? Ja, en ook nee. Het is een eigentijdse computer die heel veel meer kan dan de originele Spectrum. Maar die zich desgewenst ook exact kan gedragen als een origineel. Geen emulator, maar een hardware compatibel systeem op basis van een FPGA. En dat vind ik dan weer grappig, want een hedendaagse FPGA vertoont conceptueel best stevige overeenkomsten met een ULA, de grote slimmigheid waarmee Sinclair zijn computers betaalbaar hield.

  • Casio FX-702P & FX-880P

    Op de brugklas van Philips van Horne sg kreeg ik wiskunde van een docent die, als ik het me goed herinner, mevrouw Melis heette. Ze was net als de heer Masschelein, een early adopter als het om computers en school ging. Zo mocht ik ooit een middag bij haar thuis komen om haar P2000T te verkennen. Machtig, maar te kort om deze machine een kandidaat voor mijn verzameling te maken. Maar ze had meer. Zo had ze een Casio FX 702P die ze me voor een langere periode uitleende. In mijn herinnering een eeuwigheid, maar dat zal in werkelijkheid wel iets minder lang zijn geweest.

    Casio maakte in die tijd apparaten die weliswaar als “programmeerbare rekenmachine” door de wereld gingen, maar feitelijk waren het volwaardige computers. Wel met vrij beperkte specificaties. Zo had de 720P een beeldscherm van één regel met 20 tekens, en een intern geheugen van 1.680 bytes. Ja, bytes. Pakweg 10.226.112 keer minder dan wat in de laptop zit waar ik dit bericht op maak dus. Maar desalniettemin een volwaardige computer, erg goed in rekenwerk natuurlijk, maar ook voorzien van een volwaard BASIC en permanente opslag voor 10 programma’s tegelijk, waarmee je in de praktijk vooral functionaliteit aan de rekenmachine toevoegde.

    Op dit punt speel ik een beetje vals in mijn verzameling. Ik ben zo dol op de Casio’s uit deze tijd dat ik stiekem nog een exemplaar heb toegevoegd waar ik in de praktijk nooit mee heb gewerkt, de FX 880P. Dit is ongeveer het einde van deze lijn van computers, en een absoluut beest. Maar liefst TWEE regels van 32 karakters. En 32 kilobytes intern geheugen! De 880P is echt een wonder van oude moderne techniek en blijft zich in mijn verzameling verstoppen. Waar Casio zelf de 702P nog een programmeerbare rekenmachine noemde, had de 880P als naam “personal computer”, en dat was het dan ook.

    Casio FX-720P
    Casio FX-702P
    Casio FX-880P
    Casio FX-880P
  • De TRS-80 model 1

    Toen ik naar de middelbare school ging, gingen veel klasgenoten naar Sint Ursula in Horn, dat was de dichtstbijzijnde HAVO/VWO immers vanuit het dorp waar ik school ging: Grathem. Ik ging naar Philips van Horne sg in Weert, vanuit mijn woonplaats Ittervoort net iets voor de hand liggender. Maar er waren meer redenen:

    1. De mogelijkheid van volledig vrije pakketkeuze. Ik deed dan ook eindexamen in Engels, Nederlands, Wiskunde A, Wiskunde B, Natuurkunde, Biologie en Economie I. Ondenkbaar tegenwoordig, geloof ik, maar ook toen al vrij uitzonderlijk.
    2. De mogelijkheid om Russisch te doen in plaats van Duits. Toen de Sovjet Unie instortte leek dat wat zonde van de tijd, maar ach, tegenwoordig zou het zomaar weer eens nuttig kunnen worden.
    3. Een computerclub. Dat was toen al net zo nerdy als nu, maar ook nog eens vrij zeldzaam. We praten over de tijd dat de 8-bit revolutie net op gang begon te komen. De fameuze “Holy trinity” van Apple, Tandy en Commodore domineerde de markt. De latere strijd tussen Sinclair en Commodore moest nog losbarsten, en IBM kende men alleen nog van big iron.

    Philips van Horne had een leraar natuurkunde, de heer Masschelein, een visionair op het gebied van computers. En overigens ook een groot verzamelaar. Een deel van zijn verzameling is nagelaten aan het Home Computer Museum in Helmond. Aan hem is te danken dat ik als 11-jarige brugklasser het nerdparadijs binnen ging. Een lokaal vol TRS-80’s, meestal met cassette-spelers, en twee zelfs met echte floppy drives!

    Het absolute pronkstuk van mijn verzameling, tot in alle details hetzelfde model als dat van mijn brugklastijd! (Behalve de floppy drives dan)

    TRS-80 model 1
    TRS-80 model 1
  • De ZX-81

    Niet de eerste computer waar ik ooit iets mee deed, wel de eerste computer die ik ooit bezat, was de Sinclair ZX-81. Clive Sinclair, de man achter een reeks aan innovatieve producten op het gebied van calculators en computers, vond het belangrijker dat zijn producten goedkoop waren dan dat ze “comfortabel” waren. Het gevolg was dat werkelijk iedere bocht werd afgesneden die maar afgesneden kon worden.

    De ZX-81 is de opvolger van de ZX-80 en kwam uit in 1981. De computer is erg klein, en bestond hoofdzakelijk uit een printplaatje met daarop niet veel meer dan een Z80 CPU, een ULA (een specifiek gemaakte chip met diverse ondersteunende logica), 1K RAM en 8K ROM met daarin Sinclair BASIC. Het toetsenbord is van een werkelijk abominabele kwaliteit, en nog complex bovendien. Om geheugen te sparen werkte Sinclair BASIC niet met commando’s opgebouwd met individuele letters, maar een commando was intern slechts één teken groot. Dat betekende wel dat je commando’s met slechts één toetsdruk (toetsaanslag klinkt te goed voor dit toetsenbord) moest invoeren. En dat betekende weer dat iedere toets een hele reeks van betekenissen had, afhankelijk van de context waarin je die toets indrukte.

    Hobbyisten schroefden al snel het kastje open, en maakten een ander toetsenbord aan het printplaatje. En als je 1K geheugen wel erg weinig vond, dan kon je nog geheugenuitbreidingen toevoegen. Die waren veelal wel zo gevoelig dat een slaande deur in huis genoeg kon zijn om een reset te veroorzaken, met verlies van uren werk.

    Naar huidige maatstaven is de ZX-81 vooral een nachtmerrie. Maar indertijd was het een betrekkelijk goedkope manier om kennis te maken met computers, met programmeren, en dan vooral met programmeren in machinetaal. Je had immers maar 1K waarmee je alles moest doen, en dan is zelfs Sinclair BASIC eigenlijk al topzwaar.

    ZX 81
    Sinclair ZX 81

  • De toezichtparadox

    Van golven en deeltjes

    De wereld zoals wij die waarnemen, bestaat vooral uit deeltjes en golven. Deeltjes maken “dingen” en “spul”, zoals stenen, lucht, water, en bier, om maar wat te noemen. Golven zijn een soort heen en weer bewegingen van deeltjes. Denk aan golven in de zee, geluidsgolven, dat soort dingen. Als mens zijn we voorzien van een paar zintuigen die vrij goed deeltjes waarnemen, bijvoorbeeld door reuk en andere die golven kunnen waarnemen, waardoor we de dingen en het spul in onze omgeving als een soort afgeleide waarnemen. We kunnen bier wel ruiken, maar niet zien. Wat we zien is de lichtgolf die door het bier weerkaatst wordt.

    Met golven is iets interessants aan de hand. Als je twee golven samenvoegt ontstaat interferentie. In de meest extreme gevallen, als je twee identieke golven samenvoegt zullen ze elkaar versterken, terwijl als je exact tegengestelde golven samenvoegt verdwijnen de golven volledig

    Constructieve en destructieve interferentie
    Constructieve en destructieve interferentie

    Door dit effect is het bijvoorbeeld mogelijk een koptelefoon te maken die door middel van anti-geluid omgevingsgeluid neutraliseert op een manier die vele malen beter werkt dan door isolatie van het omgevingsgeluid.

    Met een vrij beroemd experiment, het tweespletenexperiment, wordt gebruik makend van het interferentie-effect van golven, aangetoond dat licht een golf is.

    Tot zover niets geks. Maar het wordt heel snel gekker. Om te beginnen blijkt dat een bundel electronen, deeltjes dus, dat je loslaat op diezelfde tweespletendia, óók een interferentiepatroon genereert. Elementaire deeltjes blijken hiermee aantoonbaar dus golven te zijn.

    Nog gekker. Als je geluid hoort, hoor je een golf in de lucht, of een andere stof. In de ruimte, waar een vacuum bestaat, kan je dus geen geluid horen. Geen stof om de golf te vormen betekent geen golf. Geen golf betekent geen geluid. Wat science fiction films ook graag willen doen geloven, de laatste slag tussen ruimte schepen is volmaakt stil. Saai voor in de bioscoop, wel waar. Maar passen we datzelfde toe op licht, dan gebeurt er iets geks. We zien wel degelijk sterren. Het licht van die sterren verplaatst zich dus door het vacuum van de ruimte. Maar wat golft er dan? Welke stof “draagt” de licht-golf?

    Tot vrij recent eigenlijk dachten natuurkundigen dat in de ruimte een soort stof moest zijn om electromagnetische golven, en licht dus, te geleiden. Deze wat mysterieuze stof werd ether genoemd. We hadden Einstein nodig om te concluderen dat het een heel slim idee was, maar wel geheel onjuist. Ether bestaat niet. Maar hoe kan dat dan? De oplossing: licht bestaat uit deeltjes. En deeltjes kunnen zich verplaatsen op een manier waarop golven dat niet kunnen, in een vacuum. Die deeltjes heten fotonen.

    We hebben bewijs dat licht een golf is. En we hebben bewijs dat licht een deeltje is. En we hebben dus ook bewijs dat het deeltje dat we kennen als electron ook een golf is. Dat schiet allemaal niet zo op, zou je denken. Natuurkunde maakt zich over dit soort ogenschijnlijke bizarre onmogelijkheden niet zoveel zorgen. Als iets ogenschijnlijk onmogelijk is, maar we hebben bewijs dat het wel degelijk mogelijk is, dan moeten we gewoon onze eerdere veronderstellingen bij het grof vuil kieperen en een nieuw model van de werkelijkheid bouwen.

    Voor zaken als licht en electronen hebben we niet helemaal de goede woorden in ons dagelijks gebruik, dus lossen we dat op door de termen ietwat slordig te gebruiken en vervolgens aan te vullen. We zeggen dus niet dat licht een golf is, of een deeltje. We praten over het golf-karakter van licht en over het deeltjes-karakter van licht. Wat licht echt “is”? Feitelijk weten we dat niet. En voor de natuurkunde boeit dat ook niet. De Kopenhaagse interpretatie van de quantummechanica trekt op dat punt een fascinerende conclusie: Natuurkunde is de wetenschap die de uitkomst van metingen bestudeert. Verdere speculaties kunnen niet worden geverifieerd: de Kopenhaagse interpretatie ziet vragen als “Waar was het deeltje voordat ik de positie ging meten?” als zonder betekenis.

    Dit gaat nog sterker op voor de waarom-vraag. Wie zich afvraagt waarom de dingen zijn zoals ze zijn, stelt natuurkundig een volstrekt zinloze vraag. We hebben metingen, uitkomsten en een wiskundig model dat die twee aan elkaar koppelt. Als de uitkomsten van metingen zijn zoals de wiskundige formules voorspellen, dan zijn dat kennelijk juiste formules. Totdat het tegendeel bewezen wordt. Op zichzelf is dat gewoon zuivere wetenschap: een theoretisch model dat waarnemingen voorspelt is bruikbaar totdat het door falsificatie niet meer blijkt te kloppen en verfijning of verwerping nodig heeft.

    De waarom vraag is voor mensen natuurlijk wel interessant, maar het antwoord behoort tot het domein van de filosofie en de theologie. Twee disciplines die weliswaar gebruik kunnen maken van de wetenschappelijke methode, maar die ten ene male het middel van de falsificatie wat beperkt kunnen gebruiken.

    De Kopenhaagse interpretatie ontstond overigens vanuit een simpel klinkende vraag, die in veel wetenschappelijke disciplines in meer of mindere mate aan de orde is: wat is de invloed van het meten op de meting? Je kan dat nog uitbreiden met de vraag: wat zegt hetgeen je meet over dat wat je wil weten?

    In de quantummechanica doet zich het intuïtief bizarre verschijnsel voor dat een quantumeffect zich pas voordoet op het moment van de meting. Hoe bizar dat is liet Erwin Schrödinger zien met zijn gedachte-experiment met een kat in een doos. Zolang de doos gesloten blijft is de kat zowel dood als levend. Het is niet zo dat de kat al dood of levend is en we het alleen nog niet weten. Nee, de kat is daadwerkelijk zowel dood als levend en “kiest” pas uitsluitend dood of uitsluitend levend te zijn op het moment van waarneming. Overigens, dit staat allemaal ook weer ter discussie, een van de leuke dingen van wetenschap is dat je nooit klaar bent immers.

    Kwaliteit

    In de accountancy, met name in de audit waar ik me hier verder op focus, is al jaren een beweging gaande die streeft naar verbetering van de kwaliteit. Het verhaal is dat de kwaliteit rond de jaren ’80 en zeker de jaren ’90 van de vorige eeuw achteruit holde, gedreven door de wens van accountantskantoren om meer winst te maken. Deze beweging zorgde onder andere voor steeds grotere kantoren. De grootste kantoren, de Big 8, Arthur Andersen, Arthur Young, Coopers & Lybrand, Deloitte Haskins & Sells, Ernst & Whinney, Peat Marwick Mitchell, Price Waterhouse en Touche Ross vormden internationale netwerken, fuseerden verder, totdat de huidige Big 4 ontstonden: Deloitte, EY, KPMG en PwC. Maar ook andere kantoren vormden grote netwerken, en het concept van one stop shop werd populair. De positieve uitleg is dat accountants hun klanten op alle noodzakelijke manieren wilden bedienen, de wat cynischer insteek is dat accountants vooral op zoek waren naar iedere mogelijke manier om geld te verdienen.

    Op zichzelf zegt dat nog niets over kwaliteit. Immers, in heel veel markten is streven naar winstmaximalisatie allerminst strijdig met het leveren van kwaliteit. Een automerk als Toyota is bijvoorbeeld niet bepaald groot geworden door uitzonderlijke luxe of uitzonderlijk design, maar door een uitzonderlijke focus op kwaliteit.

    Het grote probleem van de audit is dat het geleverde product in feite een dubbele laag heeft, die volstrekt oncontroleerbaar is. Vergelijk het met de airbag uit de eerder genoemde Toyota. Daar zitten twee kwaliteitsniveaus aan:

    1. Is de airbag technisch goed? Deze vraag betreft ontwerp en constructie van de airbag die getest zal moeten worden. Maar dan nog is de airbag die in jouw auto zit nooit getest. Een airbag wordt immers waardeloos na gebruik en dus is testen onmogelijk. De kwaliteit zal gegarandeerd moeten worden door het ontwerp van de airbag zelf, het ontwerp van het productieproces en de gecontroleerde naleving van dat proces.
    2. Vertrouw je de airbag? Dit lijkt wellicht een vanzelfsprekendheid. Immers, de kwaliteit wordt gegarandeerd door at hiervoor beschreven is. Maar zo simpel werkt het helaas niet. De kwaliteit van de airbag bestaat ook uit het vertrouwen dat gebruikers van de airbag hebben in de werking in geval van nood. Hoe goed de airbag ook is, zolang gebruikers die niet vertrouwen wordt het doel niet bereikt. Dat doel is namelijk niet, of niet alleen, het opvangen van de klap bij een aanrijding. Het is óók het bevorderen van een gevoel van veiligheid waardoor de bestuurder durft deel te nemen aan het verkeer. Feitelijk is de kwaliteit van de eerste soort en de kwaliteit van de tweede soort nauwelijks met elkaar causaal verbonden.

    Als op enig moment wantrouwen ontstaat jegens de kwaliteit van de tweede soort, dan is herstel van dat vertrouwen via de eerste soort nogal een Herakliaanse opgave, om niet te zeggen een Sisyphos-arbeid.

    Immers, ongelukken met auto’s gebeuren betrekkelijk weinig, maar als ze gebeuren zal zelfs de beste airbag niet altijd voldoende zijn om ernstig letsel te voorkomen. Hoezeer die kans ook wordt verkleind door te werken aan de kwaliteit van de eerste soort, de kwaliteit van de tweede soort op die manier bevorderen is vrijwel kansloos. Iedere gebeurtenis met ernstig letsel zal immers de kwaliteit van de tweede soort, de kwaliteitsperceptie in feite, eroderen en negative percepties versterken. Dat de kwaliteit van de eerste soort intussen meer dan op orde is doet daar niets aan af.

    In een wilde bui zou ik kunnen zeggen dat zoals licht een golf-deeltje-dualiteit kent kwaliteit een feit-perceptie-dualiteit kent. De gebruikers van accountantsverklaringen hebben nauwelijks toegang tot inzicht in de eerste soort kwaliteit en zijn dus goeddeels afhankelijk van waarnemingen van falen van die eerste soort kwaliteit om zo de tweede soort te bepalen. Dit proces is, zoals ik denk duidelijk te hebben gemaakt, een vrijwel kansloze exercitie. Immers, ongelukken zijn veel te zeldzaam om een goede basis te geven om überhaupt enig oordeel te vormen. Maar de ongelukken die er zijn, zijn dan weer nauwelijks verantwoord te koppelen aan de eerste soort kwaliteit van de accountantsverklaring.

    Waaruit bestaan ongelukken? Niet uit falende airbags, maar bijvoorbeeld uit botsende auto’s. Niet uit falende accountantsverklaringen, maar bijvoorbeeld uit faillerende bedrijven. De natuur van het beschermingsmiddel, de accountantsverklaring, en van het proces waarmee dit tot stand komt, brengt met zich mee dat volledig uitsluiten van fouten onmogelijk is. Dat betekent dat een eerste soort kwalitatief uitstekende accountantsverklaring toch ten onrechte goedkeurend kan zijn en zo, bijvoorbeeld, een naderend faillissement uit beeld kan houden als de betreffende onderneming zelf geen openheid van zaken geeft. Maar voor wie al twijfelt aan de kwaliteit van accountantsverklaringen in het algemeen, een lage kwaliteitsperceptie dus, en daarmee een tweede soort kwalitatief slechte accountantsverklaring ziet, zal zich direct bevestigd zien.

    Een oplossing: de AFM

    Wetgevers in de hele wereld, ook in Nederland, en vrijwel gelijktijdig in de Europese Unie, (NB: verwijzingen naar de regelgeving van 2006, 2007!!), zagen een belangrijke oplossing van dit probleem in het instellen van onafhankelijk toezicht. De basisgedachte hierbij is dat de toezichthouder de eerste soort kwaliteit vaststelt, en doordat gebruikers van verklaringen de toezichthouder vertrouwen zal de tweede soort kwaliteit toenemen voor zover de toezichthouder constateert dat de eerste orde kwaliteit op orde is.

    Ik beperk me hierna tot de situatie zoals die in Nederland sindsdien geldt, ongeacht of deze consistent is met de vereisten van de EU.

    Het Nederlandse stelsel wijst de Autoriteit Financiële Markten aan als toezichthouder op accountantsorganisaties, zijnde instellingen met een vergunning wettelijke controles uit te voeren. Het toezicht op accountants is de facto toegewezen aan die accountants-organisaties, evenals het toezicht op de individuele audits. Dit werkt via de route van het kwaliteitsstelsel waarover iedere accountantsorganisatie dient te beschikken. Kort gezegd: de accountantsorganisatie bewaakt de kwaliteit van de accountantswerkzaamheden en dus van de accountantsverklaring, de AFM bewaakt de kwaliteit van die bewaking. Daartoe kan de AFM overigens ook onderzoek doen naar individuele controles en controledossiers. Maar de AFM is niet bevoegd daar op te handhaven. De AFM kan bestuursrechtelijk handhaven jegens accountantsorganisaties, en de AFM kan desgewenst individuele accountants en hun werk aanleveren bij de tuchtrechter, de Accountantskamer en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

    De AFM toetst dus de werking en de kwaliteit van kwaliteitsstelsels van accountantsorganisaties. Maar waaraan toetst de AFM? Anders dan in andere toezichtdomeinen heeft de AFM nauwelijks normen gepubliceerd terzake. Op zichzelf is de AFM geen regelgever, maar door het formuleren van beleidsregels kan toch een heldere norm worden geformuleerd, waarbij de AFM nadere invulling geeft aan de nogal open normen die bij of krachtens de wet, in Wta en Bta, zijn geformuleerd.

    De AFM verwijst in rapportages, in klachten voor de tuchtrechter, en in boetebesluiten, opmerkelijk vaak naar normen uit de NV COS en het verschijnsel voldoende en geschikte controle informatie. Dat is problematisch omdat dit normen zijn die niet primair zien op de kwaliteit van opzet en werking van kwaliteitsstelsels maar zien op de kwaliteit waarop die kwaliteitsstelsels toezien. Wat de AFM dan ook regelmatig heeft gesteld in verschillende formuleringen is “als een dossier onvoldoende is, heeft dus het kwaliteitsstelsel gefaald”. De rechter in eerste en tweede aanleg heeft daar in rechtszaken aangespannen door zowel EY als PwC terecht de vloer mee aangeveegd. Opmerkelijk is dat sindsdien door de AFM fors gas is teruggenomen in de handhaving, wel zaken naar de tuchtrechter zijn gebracht zoals het hoort, maar intussen aan de minister is gevraagd de wet zodanig aan te passen dat de AFM alsnog kan handhaven op individuele dossiers. Hiermee negeert de AFM de kernboodschap van de rechter en van de wetgever: de AFM moet toezicht houden op kwaliteitsstelsels, accountantsorganisaties moeten toezicht houden op accountants en accountantsverklaringen. Overigens zien we de AFM verder wel degelijk de juiste kant op bewegen met een sterkere focus op de accountantsorganisatie in plaats van op controledossiers als object van toezicht. Maar nog steeds ontwikkelt de AFM nauwelijks zichtbare normen waaraan de kwaliteit van kwaliteitsstelsels getoetst kunnen worden.

    De NBA op het toneel

    De reden dat de AFM dergelijke normen niet ontwikkelt zou gelegen kunnen zijn in het feit dat een andere publiekrechtelijke instelling, de NBA, ingesteld bij wet, zich onder veel meer bezig houdt met het ontwerpen of vertalen van dergelijke normen. De NBA is daartoe bevoegd op basis van artikel 19 lid 2 onder b van de Wab.

    Daarbij doet zich wel een wat vreemd verschijnsel voor. NIVRA en NOvAA, de directe voorlopers van de NBA waren wettelijk helemaal niet bevoegd dergelijke normen te stellen. De oplossing die het NIVRA daarvoor jaar en dag hanteerde was haar regelgeving formeel te richten op accountants, waartoe zij in beginsel wel bevoegd was, en dan de eisen aan de accountantsorganisatie voorwaardelijk te maken voor het mogen werken voor een dergelijke organisatie. Deze vorm hanteert de NBA nog steeds. Dit levert formuleringen op als “Een accountant kan niet werkzaam zijn bij of verbonden zijn aan een kantoor, indien …” (artikel 4 lid 3 Nadere Voorschriften Kwaliteitsmanagement in consultatie).

    Of dit juridisch erg zuiver is, is een kwestie van opinie, feit is dat de NBA ruimschoots buiten de wettelijke taak “bevorderen van een goede beroepsuitoefening door accountants,” (uit artikel 3 WAB, onder a) treedt en dus niet alleen accountants normeert maar ook accountantsorganisaties.

    De samenhang tussen de AFM die normen zou moeten stellen en handhaven maar nauwelijks normen stelt en de NBA die wettelijk beperkt normen mag stellen aan accountantsorganisaties maar dat wel doet is ietwat ongemakkelijk. Dat neemt niet weg dat dit het bouwwerk is dat in Nederland zowel de eerste soort kwaliteit, als de tweede soort kwaliteit zou moeten bewaken, direct of indirect via de accountantsorganisaties en ondersteunt door de tuchtrechter en het bestuursrecht.

    Aan de NBA zit echter nog iets bijzonders. Uit het hiervoor al genoemde artikel 3 WAB volgt dat de NBA nog een andere hier relevante taak heeft: behartigen van de gemeenschappelijke belangen van accountants en zorg dragen voor de eer van de stand van de accountants.

    In de taakopvatting van de NBA moet dit nadrukkelijk niet gezien worden als individuele belangenbehartiging en evenmin als lobbywerk voor actoren in de sector. Nee, de NBA ziet het evident als haar taak het vertrouwen in accountants te bevorderen, dat is dus de tweede soort kwaliteit, door het bevorderen van de eerste soort kwaliteit.

    Zoals inmiddels hopelijk duidelijk is dat een lastige taak omdat het feitelijk de verkeerde oplossing hanteert voor het echte probleem, tenzij aantoonbaar sprake is van een gebrek aan kwaliteit van de eerste soort.

    De eerste paradox

    Hier zien we de eerste paradox duidelijk ontstaan. De taakopvatting van de NBA gaat er van uit dat de tweede soort kwaliteit bevordert wordt door te werken aan de eerste soort kwaliteit. Maar aan de eerste soort kwaliteit kan alleen verbetering worden gebracht als deze niet reeds voldoet. De NBA moet haar aanpak dus funderen in het tekortschieten van de eerste soort kwaliteit. Tegelijk voert de NBA campagne om aan gebruikers van accountantsproducten te vertellen dat deze voldoen aan de tweede soort kwaliteit en dus aan de eerste soort kwaliteit.

    Reductio ad absurdum (omdat ik Latijn nu eenmaal mooi vind) zou iets opleveren als “Nederland rekent op zijn accountants, maar ten onrechte”. Het behoeft geen toelichting dat dat niet werkt. Maar dat betekent ook dat je “Nederland rekent op zijn accountants” mag lezen als “en dat is terecht”. Kortom, de tweede soort kwaliteit wordt bevordert door te stellen dat de eerste soort kwaliteit op orde is.

    Maar tegelijk tracht de NBA het omgekeerde te doen. Door de tweede soort kwaliteit te bevorderen door de eerste soort kwaliteit te bevorderen communiceert de NBA, en moet zij logischerwijs wel communiceren, dat die eerste soort kwaliteit niet op orde is.

    Dit is de eerste paradox die de tweede paradox zichtbaar maakt.

    De tweede paradox

    Het probleem van kwaliteit ten opzicht van golf-deeltjes-duaal licht, is dat iedereen het eerste aanvoelt maar niet kan definiëren, terwijl niemand het tweede aanvoelt maar met voldoende kennis van quantummechanica wel prima kan definiëren.

    Anders gezegd, we voelen allemaal wel aan wat kwaliteit zou kunnen zijn, maar we weten feitelijk niet wat het is. Dat maakt onderzoek lastig. Zo valt niet te meten aan kwaliteit. Immers, als je niet weet wat je meet kan je het niet meten. Dat is op zichzelf wetenschappelijk geen onoverkomelijk probleem als je gebruik kan maken van proxy-variabelen. Het probleem daarvan is wel dat je dan moet valideren dat je proxy-variable voldoende zegt over datgene wat je eigenlijk wil meten.

    In onderzoek naar audit quality wordt bijvoorbeeld gemeten hoeveel foutherstel naar aanleiding van een audit heeft plaatsgevonden. Dat zegt iets, maar de meting wordt ernstig verstoord doordat je nauwelijks afdoende kan vaststellen hoeveel ongevonden fouten een jaarrekening bevat. Maar er is nagedacht over hele reeksen proxy’s, audit quality indicators. Toevallig of niet, maar ik ben uiterst nauw betrokken geweest bij de totstandkoming koning van deze AQI’s zoals voorgesteld door de Nederlandse wetgever en uit die ervaring kan ik wel stellen dat het minstens problematisch was overeenstemming te bereiken over wat kwaliteit nu precies is, en wat precies gemeten diende te worden. Hoewel ik meen dat de gevonden indicators verstandig zijn en bruikbaar zullen blijken, ontberen ze voldoende wetenschappelijke basis om al te absolute uitspraken over “de kwaliteit” van “de Nederlandse wettelijke controle” op te baseren.

    Dat is niet noodzakelijk problematisch mits deze indicatoren wijs gebruikt worden. Het probleem dat ik hier bespreek gaat dan ook niet zozeer over de gebruikte proxy’s maar over de impliciet en expliciet gedane uitspraken.

    We hebben behoefte aan scherpe uitspraken over kwaliteit en we weten niet echt wat kwaliteit is. Dit is op zichzelf nog niet enorm paradoxaal, maar het roept een andere, veel sterkere paradox op.

    De derde paradox

    Juist omdat we nauwelijks weten wat kwaliteit exact is, en gebruikers nauwelijks inzicht hebben in de eerste soort kwaliteit, en ongelukken zeldzaam zijn terwijl fouten onmogelijk zijn te voorkomen, wordt de tweede soort kwaliteit niet bevordert door de eerste soort kwaliteit. De tweede soort kwaliteit kan wel afnemen door afnemende eerste soort kwaliteit en door de perceptie dat deze afneemt of onvoldoende is.

    Hoewel zowel de AFM als de NBA in een of andere vorm de opdracht hebben het vertrouwen in de accountantsverklaring te versterken, en dus de tweede soort kwaliteit te verhogen, kunnen zij dit slechts geloofwaardig doen als zij zichtbaar zijn in voldoende krachtig handhaven. Maar voldoende krachtig handhave is alleen mogelijk als de eerste soort kwaliteit onvoldoende is. AFM en NBA moeten dus de tweede soort kwaliteit bevorderen door haar via de eerste soort kwaliteit bij voortduring ter discussie te stellen.

    Ontsnapping uit deze paradox is slechts mogelijk als partijen deze herkennen en actief stoppen de eerste soort kwaliteit ter discussie te stellen. De AFM maakt deze beweging tenminste deels al enige tijd. de NBA voert hierin al jaren een schizofrene route, zoals hiervoor al benoemd.

    De vierde paradox

    Dan is er een vierde paradox die ik baseer op mijn persoonlijke waarneming en die enige wetenschappelijke basis ontbeert. Ik laat het graag over aan wetenschappers om mijn idee te bevestigen, te ontkrachten, of me gewoon uit te lachen om mijn gebrek aan wetenschappelijke kennis natuurlijk.

    Ik ben betrokken geweest bij het schrijven van de Wet toezicht accountantsorganisaties, nadat ik enkele jaren had gewerkt bij verschillende accountantsorganisaties. Als “senior toezichthouder” was ik eveneens betrokken bij het opzetten van het toezicht door de AFM. Vervolgens ben ik als medewerker van het NIVRA, rechtsvoorganger van de NBA en later als vrijwilliger, betrokken geweest bij tal van initiatieven van de NBA, met name rond regelgeving en kwaliteit. Verder ben ik ongeveer 20 jaar actief in diverse rollen voor verschillende accountantsorganisaties rond thema’s als kwaliteit en compliance. Waar wetenschappelijke data ontbreekt meen ik dat mijn eigen waarneming toch niet geheel zonder enige betekenis is.

    En wat is die waarneming? De grootste paradox van toezicht wat mij betreft. Onder invloed van de AFM, op basis van de Wta, heeft het accountantsberoep in Nederland twee ontwikkelingen gezien:

    1. De professioneel kritische houding, de diepgang, de maatschappelijke oriëntatie, grofweg “de kwaliteit” van individuele accountants is dramatisch toegenomen. Het belang van de AFM en de Wta voor de Nederlandse controlepraktijk kan nauwelijks overschat worden.
    2. De focus op dossiers in plaats van op controle, op legal compliance in plaats van op kwaliteitscultuur en lerend vermogen, op “cover your ass” in plaats van op moed, is even dramatisch toegenomen. Waar systeemgericht controleren op basis van werkelijk begrip van de huishouding de norm was, is nu de norm maximaal gegevensgericht en op basis van steekproeven een dossier vullen geworden. Hiermee zijn de toegevoegde waarde voor het maatschappelijk verkeer en de kwaliteit van controles duidelijk afgenomen.

    Hierbij merk ik op dat de NBA hierin helaas een voorzichtige rol speelt. Opmerkelijk genoeg is het vooral de AFM die zichtbaar inziet dat haar optreden een schaduwkant heeft en daar verbetering in zoekt.

  • Volledigheid van de omzet

    Accountants controleren alle posten in een jaarrekening zowel positief als negatief. Of anders gezegd, de posten worden gecontroleerd op juistheid (positief) en op volledigheid (negatief). Maar accountants hebben daarbij wel oog voor een soort voorkeursrichting, gebaseerd op voor de hand liggende risico’s. Een soort basisregel is dat activa worden gecontroleerd op bestaan, dus juistheid, en passiva op volledigheid. In feite controleer je vooral of het eigen vermogen wel is wat er staat: Eigen vermogen = activa (die moeten wel bestaan) minus passiva (die moet je wel allemaal in beeld hebben). Bij deze benadering controleer je de minimumpositie van het eigen vermogen. Maar een accountant kan daarmee niet volstaan, alle posten moeten, risicogericht, positief en negatief bekeken worden.

    Bij de resultatenrekening gelden vergelijkbare basisrichtingen. In de Nederlandse accountantstraditie ligt een sterke nadruk op de volledigheid van de omzet. Vanuit het belang van zowel de fiscus als van de aandeelhouder is dat niet zo vreemd. Je wil immers zeker weten dat je krijgt waar je recht op hebt. En de twee rechthebbende partijen bij het resultaat zijn de fiscus en de aandeelhouder.

    Om dat in een simpel praktijkvoorbeeld te gieten: stel een zelfstandige timmerman schaft met geld van tante Pollewop een busje aan. Tante Pollewop krijgt dat geld nooit terug, maar ze krijgt wel 25% van alle winst die deze timmerman maakt de rest van zijn leven. 50% gaat naar de Belastingdienst, en hij houdt zelf nog 25%. Nu neemt de timmerman een klus “zwart” aan, en boekt deze niet als omzet. Na aftrek van kosten hoeft hij over deze omzet geen 75% af te dragen, maar blijft alles van hemzelf. Zou tante Pollewop een accountant vragen de boeken te controleren bij de timmerman, dan zou die accountant bijzonder geïnteresseerd moeten zijn in die omzet die niet werd verantwoord.

    Maar ook hier werkt het twee kanten op. De primaire controlerichting kan dan negatief zijn, er zijn situaties denkbaar dat je beter positief wil controleren. Stel bijvoorbeeld dat de timmerman met zijn jaarrekening onder de arm naar de bank gaat omdat hij een lening wil afsluiten om tante Pollewop uit te kopen. Dan kan hij gunstige voorwaarden proberen te krijgen door een heel gezonde omzet te laten zien, ook al bestaat die omzet helemaal niet. De accountant van de bank zal de omzet vooral positief willen controleren: bestaat de omzet wel echt?

    Bank, fiscus en tante Pollewop vormen samen het maatschappelijk verkeer voor de timmerman, en een accountant controleert ten behoeve van het gehele maatschappelijke verkeer. Een goede accountant controleert de omzet hier dus zowel positief als negatief. Maar dat wil de accountant efficient doen. Als de timmerman niet in gesprek is met de bank, zal de negatieve controle, de controle op volledigheid, de grootste nadruk krijgen. Niet de enige, de grootste.

    Het moge overigens duidelijk zijn dat beide voorbeelden gingen over fraude. De timmerman stelt de omzet immers bewust verkeerd voor om daar financieel voordeel mee te behalen. NV COS 240 § 27 onderkent dat omzet gevoelig is voor (verslaggevings)fraude en vereist dan ook dat de accountant dit frauderisico onderkent en analyseert of goed documenteert waarom in een specifiek geval dat risico afwezig is. Dat is een verzwaring van de normale aanpak waarbij je pas een frauderisico afdekt nadat je vaststelt dat het bestaat.

    Maar we moeten nu wat details in. Want waar hebben we het exact over?

    Artikel 2:377 BW regelt de verantwoording van baten en lasten, en onderkent daarbij specifiek de netto-omzet. Artikel 2:384 BW geeft nog nadere instructies over de bepaling van die omzet. Lid 2 bepaalt dat voorzichtigheid moet worden betracht. Dit betekent dat winst, en dus het onderliggende element omzet, alleen mag worden verantwoord voor zover verwezenlijkt. Accountants zeggen ook wel “gerealiseerd”.

    De Raad voor de Jaarverslaggeving is een gezaghebbende organisatie die richtlijnen voor de jaarverslaggeving uitgeeft. Een beetje zoals de NV COS voor accountantswerkzaamheden, is de RJ een bundel met nadere interpretaties, uitleg en toelichting, bij de wettelijke regels voor jaarverslaggeving. Ik gebruik hier de editie 2020 omdat die vrijelijk beschikbaar is online, wie een recentere versie wil, zal bij de uitgever moeten betalen.

    In RJ 270 bespreekt de RJ de verantwoording van opbrengsten. Dat begrip is ruimer dan omzet, en net iets anders dan het begrip baten uit de wet, maar wel relevant hier. Omzet bestaat immers wel uit opbrengsten, ook al zijn niet alle opbrengsten ook omzet. Cruciaal voor de bespreking hier is RJ 270.106: “De rechtspersoon dient opbrengsten te verwerken voor het bedrag waarop de rechtspersoon verwacht recht te hebben in ruil voor het overdragen van toegezegde goederen of diensten.

    Let hierbij op een tweetal zaken:

    1. Omzet is volgens de RJ niet pas gerealiseerd nadat een factuur is uitgereikt, laat staan nadat deze betaald is, maar zodra de rechtspersoon verwacht recht te hebben op vergoeding, in geld of een niet-monetaire vergoeding overigens.
    2. De definitie is niet volledig duidelijk over de vraag of de dienst of de goederen daadwerkelijk geleverd moeten zijn om van realisatie te kunnen spreken. De exacte definitie gaat over het moment van overdracht van risico’s, maar voor dit verhaal is het moment van levering een redelijke maatstaf.

    Hiermee weten we redelijk nauwkeurig wat omzet wel en vooral niet is. Maar we moeten over een ander punt nog wat scherper zijn: wat controleert de accountant precies?

    NV COS 200 geeft hier het antwoord op: De Standaarden schrijven voor dat de accountant als basis voor zijn oordeel een redelijke mate van zekerheid moet verkrijgen over de vraag of de financiële overzichten als geheel vrij zijn van een afwijking van materieel belang die het gevolg is van fraude of van fouten. Voor wettelijke controles geeft de wet in artikel 2:393 BW aan: De accountant onderzoekt of de jaarrekening het in artikel 362 lid 1 vereiste inzicht geeft. In artikel 2:362 lid BW staat dan weer: De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de rechtspersoon.

    De jaarrekening dient dus inzicht te geven zodanig dat de lezer van die jaarrekening zich een oordeel kan vormen over vermogen en resultaat. En dus ook over de omzet. Het is de lezer, de gebruiker, van de jaarrekening die zich een oordeel vormt, niet de accountant. De rol van de accountant is te onderzoeken of de jaarrekening het daartoe benodigde inzicht geeft.

    Anders gezegd, als een accountant zegt dat een jaarrekening klopt, dan betekent dat helemaal niets over de onderneming van de vennootschap of over de vennootschap. Het betekent uitsluitend dat wat in de jaarrekening staat, volgens de geldende normen, een correcte weergave, ofwel een getrouw beeld, is van de werkelijkheid. Ongeacht wat die werkelijkheid is, of zou moeten zijn volgens wie dan ook.

    In algemene zin is de opdracht van de controlerend accountant daarmee om per post, en voor de jaarrekening als geheel, vast te stellen wat A is in de vergelijking A = (Werkelijkheid minus Verantwoording). Als A materieel is, dient de accountant dat te signaleren en tot uitdrukking te brengen in diens verklaring.

    Wat betekent dat alles nu voor de “volledigheid van de omzet”?

    Consequentie 1: de volledigheid van de omzet is geen object van onderzoek voor de accountant. De omzet is immers de werkelijkheid, en die onderzoekt de accountant niet zelf. Wat de accountant onderzoekt is de afwijking tussen die werkelijkheid en de verantwoording. De correcte term is dan ook ” volledigheid van de omzetverantwoording”.

    Afzet is het totaal van de geleverde goederen en/of diensten. Omzet is de afzet uitgedrukt in de geldwaarde van die afzet tegen verkoopprijzen. Afzet wordt niet zelfstandig opgenomen in de winst- en verliesrekening, omzet wel.

    Consequentie 2: Omzet mag slechts worden verantwoord indien deze gerealiseerd is, en onderdeel van dat realisatiemoment is de verwachting van de rechtspersoon dat een vergoeding zal worden ontvangen. Daar waar die verwachting niet realistisch is, mag omzet dus niet worden verantwoord.

    De aanpak die de accountant, heel hoog over beschreven, dus volgt is het confronteren van de omzet zoals die in de jaarrekening is verantwoord met de werkelijke omzet. Wat de verantwoorde omzet is valt vrij eenvoudig te constateren. Die staat immers in de jaarrekening. Het echte werk zit in het vaststellen van de werkelijke omzet.

    Maar hierin schuilt meteen het reële risico van spraakverwarring en zelfs van een verwachtingskloof. Het feit dat de accountant zich vooral bezig houdt met vaststellen van de werkelijke omzet kan tot de misvatting leiden dat de accountant zou moeten of willen vaststellen wat de wenselijke omzet is. Zo lijkt dat misschien een absurditeit, maar opnieuw een voorbeeld van onze timmerman:

    De timmerman neemt een klus aan waarbij hij voor een particulier, Pa Pinkelman, een trap vervangt. Timmerman en Pa Pinkelman komen hiervoor een vergoeding van € 500,- overeen. De timmerman levert de nieuwe trap en voert de oude trap af. In alle drukte vergeet hij echter de factuur te versturen. Als ruim anderhalf jaar later de accountant tijdens diens controle constateert dat de trap is geleverd en de oude is afgevoerd, maar dat hiervoor nooit een factuur is uitgereikt, besluit de timmerman niet alsnog een factuur te sturen. Hij vindt dat ongemakkelijk en ook slecht voor zijn naam. Om commerciële redenen accepteert hij dus dat hij die € 500,- mis loopt.

    Dit roept een aantal vragen op:

    1. Voldoet deze afzet aan de criteria voor het verantwoorden van omzet?
    2. Is sprake van onvolledige omzet?
    3. Is sprake van onvolledige omzetverantwoording?

    Antwoord 1 volgt uit de criteria voor omzetverantwoording. Omzet mag en moet verantwoord worden indien sprake is van levering en van een verwachting recht te hebben op vergoeding. Initieel zou de timmerman mogen verwachten recht te hebben op € 500,-. Echter, door geen factuur uit te reiken wordt dat een nogal theoretisch recht. En door uiteindelijk volledig af te zien van het uitreiken van een factuur wordt dat recht nog meer een theoretische kwestie.

    Je zou wel kunnen betogen dat de verwachting van het bestaan van een recht op vergoeding realistisch is, en de omzet dus wel degelijk verantwoord zou moeten worden. In dat geval dien je op basis van artikel 2:384 lid 2 BW, het voorzichtigheidsbeginsel, echter wel direct ook het verlies te nemen dat volgt uit het niet uitreiken van de factuur. Netto levert dat dus geen effect op.

    Antwoord 2 kan bevestigend worden beantwoord. De omzet is niet volledig in zoverre dat de bestaande afzet niet tot omzet heeft geleid. Dat is een probleem voor de timmerman.

    Antwoord 3 tenslotte is waarschijnlijk ontkennend, tenzij je meent dat de omzet en het verlies als gevolg van niet factureren, uitgesplitst dienen te worden in de jaarrekening.

    Het interessante verschijnsel doet zich echter voor dat een niet gering aantal accountants in de praktijk moeite heeft met het feit dat de niet gefactureerde afzet geen werkelijke omzet vertegenwoordigt en derhalve ook geen afwijking in de verantwoording betekent.

    De essentie van deze mogelijke verwarring is die van rolverwarring. Niet de accountant dient zorg te dragen voor de volledigheid van de omzet, maar de timmerman uit ons voorbeeld. De accountant dient te controleren of de omzet correct is verantwoord, niets meer, niets minder.

    Maar, zal de lezer dezes wellicht opwerpen, tante Pollewop moet uit de jaarrekening toch kunnen lezen dat de timmerman zo laks met facturering omgaat?

    Het antwoord daarop is genuanceerd. Enerzijds is het botweg nee, anderzijds is het ja maar.

    Nee, de jaarrekening moet volgens de wet, zoals hiervoor al geciteerd, inzicht geven zodanig dat de lezer een oordeel kan vormen over vermogen en resultaat. De wet vereist in het geheel niet dat de jaarrekening inzicht geeft in de kwaliteit van de bedrijfsvoering in welk opzicht dan ook. Dat is het botte, maar wel correcte antwoord.

    Het iets vriendelijkere en nog steeds correcte antwoord is: ja, maar dat kan tante Pollewop ook. Immers, uit het geheel van de jaarrekening, inclusief vergelijkende cijfers, en toelichting, kan tante Pollewop afleiden dat de omzet achterblijft bij haar verwachtingen. Ze kan daar de timmerman op aanspreken, bijvoorbeeld bij een AVA, om daar te ontdekken waarom de omzet precies tegenviel: vergeten te factureren.

    En natuurlijk is dit voorbeeld wat overdreven. Zelfs voor die timmerman zal een omzetderving van € 500,- waarschijnlijk niet zoveel zijn, en voor tante Pollewop zal het ook niet materieel zijn. Maar het illustreert wel hoe de aandeelhouder van een vennootschap op basis van de jaarrekening vragen kan stellen over de bedrijfsvoering. Dat is de taak van de aandeelhouder zelf, eventueel bijgestaan door analisten bijvoorbeeld. Het is niet de taak van de accountant. Sterker, het zou de rol van de accountant kunnen schaden indien hier wel invulling aan zou worden gegeven juist door die rolonduidelijkheid die daarmee ontstaat.

    Dat neemt niet weg dat het passend is in de natuurlijke adviesfunctie van de accountant om de timmerman te wijzen op zijn gebrekkige administratieve organisatie. De accountant is weliswaar de vertrouwenspersoon van het maatschappelijk verkeer, de accountant is de adviseur van de opdrachtgever, en niet van het maatschappelijk verkeer.

  • Mijn verzameling

    Een tijdje geleden begon ik met het schrijven van de serie #klooienmetcomputers voor het blad Accountant (in 2020) en later voor de website www.accountant.nl. Het was vooral een serie rond mijn eigen leerproces, waarin ik nieuwe dingen leerde, maar ook mijn voorliefde voor oude zaken steeds kon ventileren en ontwikkelen. Daarbij heb ik het over de geschiedenis van computers, mede geïnspireerd door de podcast Advent of Computing, over oude besturingssystemen als MS DOS, CP/M en NewDos/80 en oude talen als C, BASIC, Lisp en COBOL. Als het ook maar even kon was mijn streven altijd daadwerkelijk zelf met die systemen te werken en die talen te leren. Er over lezen is mooi, zelf gebruiken is mooier.

    Ik heb rond die tijd ook een begin gemaakt met een verzameling van oude computers. Daarbij ook computers waar ik als kind misschien van droomde, maar die ik nu pas voor het eerst echt kon kopen, of die ik cadeau kreeg. Zo had ik enkele jaren geleden mijn eerste Commodore 64 en Atari ST. Prachtige apparaten. Echt prachtig, en alles werkend. Alleen is de verzamelcategorie “prachtig apparaat” nogal lastig. Zeker als je beperkt bent in de ruimte die je hebt. Want waar houdt het op? Als ik op deze manier door zou gaan, dan zou de Apple Lisa er bijvoorbeeld ook nog wel bij mogen. Of, als het toch wild mag, de IBM System/360 is ook een prachtig ding. Past vast wel in de huiskamer. Kortom, dat werkte niet goed.

    Dus ik heb de criteria voor mijn verzameling scherper gemaakt, en alles wat er niet in paste er uit gegooid, hoewel met pijn in het hart. Het voordeel is wel dat mijn verzameling hiermee eindig is, en ik weet dus wanneer ik compleet ben. Hooguit valt er dan nog wat te upgraden in kwaliteit, maar niet meer in kwantiteit.

    Wat zijn nu de criteria:

    1. Het moet een elektronische computer of calculator zijn. Die calculator heb ik toegevoegd omdat er grensgevallen zijn.
    2. Het moet een computer zijn waarmee ik gewerkt heb, ofwel omdat ik er een had, ofwel vanuit werk of opleiding.
    3. Het apparaat moet werken.
    4. Het apparaat in mijn verzameling mag behoorlijk ver afwijken van het apparaat dat ik ooit had of gebruikte. Maar ik moet dan wel voor mezelf kunnen uitleggen wat het verband is. Bijvoorbeeld, ik had een Headstart III PC, in mijn verzameling zit nu een Dell laptop. De verwantschap is dat het beide IBM PC compatible machines zijn en dat is voldoende. Wat overigens niet wegneemt dat ik een werkende Headstart III nog héél graag zou hebben.

    En alsnog is de verzameling niet helemaal zuiver. Ik heb vijf objecten die echt niet aan deze criteria voldoen, maar die ik er toch in vind passen.

    Electronenbuis

    Niet de allereerste schakelaar waarmee computers werden gebouwd, maar toch wel een oudje, de elektronenbuis. De voorloper van de transistor. In computers ben ik deze nooit tegengekomen, maar als kind wel in oude radio’s en tv’s.

    Z80 en 8086

    Een Z80 en een 8086 CPU. Nieuw gekocht, dus ze zouden moeten werken, maar ik heb ze niet getest. Ze maken deel uit van de verzameling omdat de meeste computers waarmee ik gewerkt heb op deze twee architecturen waren gebaseerd, en het zijn, samen met de ARM, de processors waarop ik geleerd heb te programmeren in assembly en machinetaal.

    LoProfile toetsenbord voor de ZX Spectrum 48

    De ZX Spectrum die ik had als kind was voorzien van een werkelijk vreselijk toetsenbord, een soort rubber mat. Gelukkig kon je die vrij eenvoudig vervangen, en er waren bedrijven die losse toetsenborden verkochten. Ik had een LoProfile toetsenbord. En ja, dat ding hoort in de verzameling, ook al is het dus geen werkende computer, omdat het wel precies de jeugdherinneringen oproept die een nostalgische verzameling zou moeten oproepen.

    mini calculator

    Deze mini calculator is een randgevalletje. Ik heb een dergelijke rekenmachine niet in mijn bezit gehad en ik heb ook weinig gebruik gemaakt van dit soort rekenmachines. Maar het was een afscheidscadeautje van Marisa Hut en Stevie Mols toen ik vertrok bij Baker Tilly, en dat op zich is reden genoeg om dit apparaatje in de verzameling te houden.

  • Bestaat gerechtigheid?

    De Engelse schrijver Terry Pratchett schreef:

    Take the universe and grind it down to the finest powder and sieve it through the finest sieve and then show me one atom of justice, one molecule of mercy. and yet… and yet you act as if there is some ideal order in the world, as if there is some… some rightness in the universe by which it may be judged.

    De context van dit citaat is een bespreking van de vraag waarom mensen fantasie nodig hebben, waarom we in die fantasie geloven.

    Het roept een essentiële vraag op over wat “echt” is, wat “bestaat”. Immers, er zijn zaken waarvan we vrij snel zullen zeggen dat het bestaat en echt is, maar wat tegelijk geen fysieke vorm heeft. Gerechtigheid. Democratie. Liefde. Schoonheid. En natuurlijk ook hun tegenhangers als onrecht, dictatuur, haat, lelijkheid.

    Een aardige case study ontwikkelt zich op dit moment in de Verenigde Staten. Vele tientallen jaren was de democratie daar een feit. De hele staatsinrichting hing van de checks and balances aan elkaar, de drie machten waren keurig gescheiden en hielden elkaar in evenwicht. Het leek een staatsbestel dat deugde. Natuurlijk was er wel eens wat kritiek of verwondering vanuit mensen die bijvoorbeeld meenden dat de staten een soort provincies zijn en het dan vreemd vonden dat je president kan worden met een minderheid van de uitgebrachte stemmen, de popular vote. Het bestaan van een Electoral College, een evenredige vertegenwoordiging in het Huis, een vertegenwoordiging per staat in de Senaat, dat is allemaal prima te begrijpen voor een land dat recht wil doen aan de wil van het volk en aan de zelfstandigheid van de 50 staten. Voeg daar nog een Hooggerechtshof en een stevige Grondwet aan toe, en je hebt een behoorlijk perfecte democratische rechtsstaat.

    Maar is dat wel zo? Zeker de huidige president, Donald J. Trump, maakt heel zichtbaar dat dat systeem waarvan we lang dachten dat het echt bestond, dat het een soort onwankelbare waarheid was, slechts bestaat voor zover voldoende mensen er in geloven. Als je als president de leden van het Hooggerechtshof benoemt, je de betrekkelijk onafhankelijke positie van ministeries als het DOJ dienstbaar kan maken aan jezelf, maar vooral als je de beide huizen van het Congres kan veranderen van wetgever en controleur van de uitvoerende macht naar verlengstuk van je persoon, althans voor zover de leden lid zijn van je eigen partij, dan blijft er van die democratische rechtsstaat ineens heel wat minder over. Hoe zich dat in Amerika gaat ontwikkelen zullen we wel zien. Wat ik vooral interessant vind is te constateren dat de werking en zelfs het feitelijke bestaan van dat hele systeem niet afhankelijk is van zichzelf. Het is geen bouwwerk gefundeerd in een objectieve werkelijkheid. De Amerikaanse democratische rechtsstaat met liberty and justice for all is niet een feit dat in de pledge of allegiance wordt benoemd, het is het resultaat van die pledge of allegiance. Natuurlijk niet uitsluitend, maar wel heel zichtbaar. Als de overgrote meerderheid van de Amerikaanse kiesgerechtigde burgers is opgegroeid met het regelmatig reciteren van die pledge, dan heeft dat effect op het denken. De huidige pledge is sinds 1954:

    I pledge allegiance to the Flag of the United States of America, and to the Republic for which it stands, one nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.

    De tekst was daarvoor anders, maar al sinds 1892 worden vergelijkbare teksten gebruikt om Amerikaanse kinderen patriotisme bij te brengen. Aangevuld met krachtige symbolen, zoals de vlag, maar bijvoorbeeld ook het Vrijheidsbeeld, en met inhoudelijke opvoeding, scholing of zo je wil indoctrinatie, wordt aan Amerikaanse burgers een visie bijgebracht over de grootsheid van Amerika, maar ook over de grootsheid en de onaantastbaarheid van de politieke instituties.

    Die indoctrinatie is zo overweldigend sterk dat het voor Amerikanen kennelijk behoorlijk schokkend of zelfs ondenkbaar is, te reflecteren op de vraag of Amerika The Greatest Country in The World is. De video waar ik hier naar verwijs is natuurlijk bewust opgezet om die schok over te brengen, maar iedereen die wel eens online heeft meegelezen met discussies waarin Amerikanen deelnamen, zal het beeld herkennen. Amerika is gewoon het enige land met vrijheid, democratie, gerechtigheid, en ga zo maar door. Althans, als je naar al die amerikanen online luistert.

    Mijn punt is niet kritiek te leveren op die visie. Mijn punt is veeleer als zeer sterk vermoeden te formuleren dat wat voor niet-amerikanen wat neigt naar grootheidswaanzin en ietwat koddig aandoet, wel de basis is voor het bestaan van die democratische rechtsstaat waar ik het net over had. Zolang Amerikanen massaal geloofden in hun systeem, werkte het. Zodra Amerikanen massaal gaan twijfelen aan datzelfde systeem, stort het kaartenhuis in elkaar. Het is wat Benedict Anderson beschrijft als imagined communities:een natie is geen objectief bestaand iets dat bevolkt wordt door mensen. Het is een gemeenschap van mensen die samen in hetzelfde verhaal geloven. Het doet er daarbij niet toe dat die mensen elkaar nooit gezien hebben, enorm verschillend zijn, zelfs verschillende talen spreken. Zolang ze maar hetzelfde verhaal met elkaar delen over wie zij, als gemeenschap, zijn.

    En als die analyse klopt, dan kunnen we twee zaken constateren. Ten eerste, dat een werkelijk bestaand systeem, bestaat omdat mensen geloven dat het bestaat, omdat ze elkaar leren dat het bestaat, omdat ze elkaar keer op keer vertellen dat het bestaat, omdat ze elkaar keer op keer bevestigen dat het bestaat. En ten tweede, dat datzelfde systeem ophoudt te bestaan naarmate meer mensen niet meer geloven dat het bestaat.

    In Amerika zie je daarbij een buitengewoon boeiende en relevante ontwikkeling. Mensen die niet meer geloven dat het systeem bestaat, maar tegelijk hun opvoeding en indoctrinatie niet los kunnen laten. Wat je dan krijgt is het verhaal dat het systeem wel bestaat maar kapot is. The system is rigged. Het interessante van dat verhaal is dat het heel snel een self fulfilling prophecy wordt. De aanval op het systeem zorgt dat je verkozen wordt, en naarmate je succesvoller bent in het vernietigen van het systeem krijg je van je kiezers alleen maar meer gelijk. Relevant is daarbij dat het geen strijd tussen waarheid en onwaarheid, tussen goed en fout, tussen “bestaandheden” is, maar een strijd tussen twee verhalen.

    Ga maar na bij jezelf. Wat weet je echt over wat gaande is in Amerika? Als je er een mening over hebt, op welke zelf waargenomen, of zelf gecontroleerde objectieve feiten baseer je die? Je hebt een mening, of een overtuiging over wat de waarheid is, gebaseerd op verhalen die je hoort. En wat je ook doet om jezelf te vertellen dat het verhaal dat jij als waarheid ziet echt waar is, je ontkomt er niet aan dat het een verhaal is, onderbouwd met verhalen.

    De positie van Pratchett is daarmee relevant. Gerechtigheid zal je niet vinden in de atomen en moleculen van het universum. Als je meent dat “bestaan” daar van afhankelijk is, dan bestaat gerechtigheid niet. En de democratische rechtsstaat ook niet. Maar bijvoorbeeld dictatuur evenmin. Pratchett heeft gelijk, mensen doen alsof er een ideale orde in het universum is. Als mensen handelen we alsof er een waarheid, een werkelijkheid is, die de atomen en moleculen overstijgt. En het bijzondere is, dat die werkelijkheid er inderdaad is. Maar uitsluitend zolang en voor zover we daar massaal genoeg in geloven. Pratchett beweert dat mensen moeten fantaseren om te kunnen leven alsof die zaken waar zijn. Ik zou een stapje verder willen gaan. Die dingen zijn werkelijk waar, niet in onze fantasie, maar dankzij onze fantasie, onze verhalen.

    Durkheim, een van de grondleggers van de sociologie stelde dat normen, wetten en instituties geen persoonlijke meningen zijn, maar sociale feiten die ons gedrag beïnvloeden alsof ze objecten zijn. Ze bestaan niet in de natuur, maar ze werken als krachten in onze cultuur. Hij zegt daarover Les faits sociaux doivent être considérés comme des choses. Ofwel, sociale feiten moeten worden behandeld als dingen. Hij bedoelde daarmee: sociale feiten zoals gerechtigheid, wetgeving of democratie moeten worden beschouwd als objectieve realiteiten, niet omdat ze fysiek tastbaar zijn, maar omdat ze collectief worden geloofd, gedeeld, gehandhaafd. Niet in de natuur, maar in de cultuur. In het hoofd, maar met gevolgen in de wereld.

    Waar we spreken over de werkelijkheid, over het bestaande, het echte, dan gaat dat niet over iets dat buiten onszelf ligt maar over iets dat tussen ons leeft. Onze verhalen zijn geen weergaven van een al dan niet bedachte werkelijkheid, ze zijn onze werkelijkheid.

    Yuval Noah Harari ziet het vertellen van verhalen in deze context als een evolutionaire stap die de mens in de strijd om het bestaan een voorsprong geeft op andere diersoorten. Hij duidt op het unieke gegeven dat wij via taal communiceren over het niet fysiek bestaande: The truly unique feature of our language is not its ability to transmit
    information about men and lions. Rather, it’s the ability to transmit information about things that do not exist at all. As far as we know, only Sapiens can talk about entire kinds of entities that they have never seen, touched or smelled.
    Hij stelt dan ook, met Pratchett, vast dat There are no gods in the universe, no nations, no money, no human rights, no laws, and no justice outside the common imagination of human beings.

    Dat lijkt oppervlakkig wellicht een zwakte, maar Harari stelt feitelijk vast dat dit een enorm evolutionair voordeel is. Hij zegt: het feit dat wij fictie kunnen verzinnen én geloven, stelde ons in staat om in grote groepen samen te werken. Dieren kunnen samenwerken in roedels van een paar dozijn. Mensen in staten van miljoenen. Waarom? Omdat we allemaal kunnen geloven in dingen die niet fysiek bestaan, zoals een vlag, een god, een grondwet, een merk of een munt.

    Het is wel aardig te constateren dat Daniel Dennett, die ook naar de mens keek vanuit een biologische, evolutionaire visie, het verband tussen de evolutie van ons brein en het vertellen van verhalen eveneens legt, maar het aanzienlijk kritischer beschouwt. Met name waar hij filosofeert over het fenomeen religie zegt hij in feite dat ons vermogen verhalen te vertellen, samen met ons vermogen tot patroonherkenning en onze behoefte aan het geven van betekenis aan op zichzelf betekenisloze verschijnselen, allemaal evolutionair nuttige vaardigheden zijn die samen wel tot het verschijnsel religie leiden. En religie beschouwt hij kritisch, en zeker niet als waarheid.

    Overigens is Harari ook kritisch, maar op een subtiel andere manier. Harari waarschuwt niet voor het geloven in iets dat niet waar is, hij erkent immers dat de waarheid ontstaat door het geloof in een verhaal, maar hij waarschuwt er wel voor dat wie het verhaal beheerst, de waarheid beheerst. En dat maakt de cirkel naar de VS onder Trump weer rond. De macht van Trump is voor een aanzienlijk deel gebaseerd op zijn vermogen het verhaal naar zijn hand te zetten.